Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2004:AO8257

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-05-2004
Datum publicatie
19-08-2004
Zaaknummer
AWB 02/3769 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan de orde is de vraag of verweerder terecht vertragingsrente heeft toegekend vanaf 1 mei 2000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Uitspraak

AWB 02/3769 ZW

Uitspraak van de rechtbank ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

A, wonende te B, eiseres,

gemachtigde mr. A.A.C. Stas, werkzaam bij FNV-Ledenservice te Weert,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder, gemachtigde mr. D.M.G.M.W. Heijnen, werkzaam bij UWV-GAK te Helmond.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 27 augustus 2002 heeft verweerder besloten aan eiseres wettelijke rente te vergoeden over de periode van 1 mei 2000 tot 21 maart 2002, wegens een door eiseres op 21 maart 2002 ontvangen nabetaling ingevolge de Ziektewet (ZW).

Het daartegen namens eiseres ingediende bezwaar is door verweerder bij besluit van 10 december 2002 ongegrond verklaard.

Het tegen laatstgenoemd besluit ingediende beroepschrift is behandeld ter zitting van 11 maart 2004, waar eiseres niet is verschenen.

Verweerder heeft zich ter zitting door zijn gemachtigde doen vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Aan de orde is de vraag of verweerder terecht vertragingsrente heeft toegekend vanaf 1 mei 2000.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van deze vraag uit van de volgende feiten.

Eiseres was als thuiswerkster, montage van keilbouten, werkzaam voor X BV. Gezien de hoogte van de verdiensten is er over de jaren 1993 en 1994 verzekeringsplicht vastgesteld. Bij besluit van 28 augustus 1996, bekend gemaakt aan eiseresses werkgever, is besloten dat in 1995 geen sprake was van verzekeringsplichtige arbeid. Op 6 december 1995 heeft eiseres zich ziek gemeld. Eiseres vroeg uitkering aan ingevolge de ZW. Bij besluit van 25 september 1996 heeft verweerder ziekengeld geweigerd, omdat eiseres, volgens stelling van verweerder, niet werkzaam was in een privaatrechtelijke-, publiekrechtelijke- of een daarmee gelijkgestelde dienstbetrekking. Eiseres heeft tegen het besluit van 25 september 1996 geen rechtsmiddelen aangewend.

Per brief van 3 januari 2000 heeft eiseres verweerder verzocht op het besluit van 25 september 1996 terug te komen. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft eiseres verweerder gewezen op een in het kader van een door haar aangespannen kantongerechtprocedure met X BV getroffen schikking. Op grond van die schikking betaalde X BV aan eiseres alsnog het CAO-loon met vakantietoeslag over 1995 met als uitgangspunt dat de door eiseres verrichte werkzaamheden alsnog begroot werden op 32 uur per week. Naar aanleiding van deze, op 1 november 1999, tussen eiseres en haar ex-werkgever getroffen schikking heeft verweerder de verzekeringsplicht opnieuw beoordeeld. Bij besluit van 27 januari 2000, bekend gemaakt aan X BV, werd voor het jaar 1995 verzekeringsplicht aangenomen. Naar aanleiding van het verzoek van eiseres van 3 januari 2000 werd aan eiseres over de periode van 15 december 1995 tot 2 juni 1996 alsnog ziekengeld verstrekt (gedingstuk 14). Betaling vond plaats op 21 maart 2002.

Bij brief van 8 april 2002 (gedingstuk 16) verzocht eiseres verweerder om de vergoeding van wettelijke rente over de nabetaling. Op dit verzoek is bij besluit van 27 augustus 2002 positief beslist in die zin dat verweerder toezegde de wettelijke rente te zullen vergoeden van 1 mei 2000 tot aan het moment van volledige betaling op 21 maart 2002. Het daartegen namens eiseres ingediende bezwaar is door verweerder bij besluit van 10 december 2002 ongegrond verklaard, onder handhaving van het eerder ingenomen standpunt. Daarbij heeft verweerder overwogen dat de wettelijke rente niet reeds vanaf 25 september 1996 berekend behoeft te worden aangezien het besluit van 25 september 1996 destijds op juiste gronden is genomen. Er is naar de mening van verweerder geen sprake van een onrechtmatig genomen besluit nu eerst na de door eiseres aangespannen loondervingprocedure tegen haar voormalige werkgever is gebleken dat zij wel verzekerd was.

In beroep is namens eiseres het volgende aangevoerd. Eiseres is van mening dat het besluit van 25 september 1996, waarbij destijds een uitkering van ziekengeld werd geweigerd, onjuist is geweest. Na een langdurige civiele procedure is vast komen te staan dat eiseres wel degelijk in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam was. Het besluit van 25 september 1996 moet dan ook voor onjuist worden gehouden en het moment dat de uitkering zou zijn verstrekt wanneer direct het juiste besluit zou zijn genomen, is gelegen in september althans oktober 1996. Naar de mening van eiseres had vanaf dat tijdstip de wettelijke rente vergoed dienen te worden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het verzoek van eiseres haar in verband met de nabetaling van 21 maart 2002 een rentevergoeding toe te kennen, dient beoordeeld te worden aan de hand van het bepaalde in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In dat artikel is bepaald dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt (artikel 6:162, derde lid van het BW).

Van belang is verder het Lisv-Besluit schadebeleid (Stc. 1999, nr. 54, pag. 6).

Dit Besluit luidt als volgt.

Artikel 1

De ingangsdatum van de vergoeding van wettelijke rente wordt in geval van een nabetaling (ongeacht de wet) gesteld op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de onjuiste primaire (niet-toekenning)beslissing werd afgegeven. Bij intrekking/herziening van de uitkering is dit de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de datum valt met ingang waarvan de uitkering ten onrechte is ingetrokken/herzien en de uitkering niet is uitbetaald.

Bij het niet tijdig nemen van een beslissing is dit de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de datum valt waarin het besluit genomen had moeten worden.

Artikel 2

Wettelijke rente over een nabetaalde uitkering of een te restitueren bedrag wordt slechts vergoed indien de belanghebbende daartoe een verzoek heeft ingediend (en overigens aan de overige voorwaarden is voldaan).

Artikel 3

De uitvoeringsinstelling die bevoegd is het onrechtmatig gebleken besluit af te geven neemt de verzoeken om schadevergoeding in behandeling.

Artikel 4

Het beleid van de voormalige bedrijfsverenigingen op het terrein van de schadevergoeding komt te vervallen.

De rechtbank overweegt allereerst dat uit de gedingstukken blijkt dat verweerder naar aanleiding van het verzoek van eiseres van 3 januari 2000 geen besluit heeft genomen. Uit het feit dat over de periode van 15 december 1995 tot 2 juni 1996 alsnog betaling van ziekengeld heeft plaatsgevonden, leidt de rechtbank evenwel af dat verweerder naar aanleiding van het verzoek van eiseres besloten heeft zijn eerder besluit van 25 september 1996 niet te handhaven. Volgens oordeel van de rechtbank staat de onrechtmatigheid van dit besluit hiermee vast. Verweerder erkent immers dat het besluit onjuist is geweest. Het feit dat eiseres tegen dit besluit destijds geen rechtsmiddelen heeft aangewend, zodat het besluit in rechte onaantastbaar was, maakt dit niet anders. Ook de omstandigheid dat verweerder niet verplicht was op het besluit terug te komen, verandert het oordeel van de rechtbank niet.

Anders dan verweerder stelt is van nieuwe feiten of omstandigheden geen sprake. De loonvordering die eiseres heeft ingediend bij het kantongerecht was gebaseerd op de stelling dat X BV haar loonbetaling aan eiseres over het jaar 1995 heeft gebaseerd op een onjuiste aanname ten aanzien van de door eiseres gewerkte uren terwijl voorts ten onrechte niet het loon is betaald waarop eiseres aanspraak kon maken op grond van de toepasselijke CAO. De rechtbank constateert dan ook dat verweerders besluit over het jaar 1995 geen verzekeringsplicht aan te nemen en eiseres op die grond ziekengeld te weigeren gebaseerd is geweest op onjuiste opgaven van de kant van eiseresses werkgever over de beloning van eiseres c.q. de beloning waarop eiseres recht had.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de onrechtmatigheid van het besluit van 25 september 1996 aan verweerder kan worden toegerekend. De oorzaak van de onrechtmatigheid dient, volgens oordeel van de rechtbank, in de bewoordingen van artikel 6:162, derde lid van het BW, krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van verweerder te komen. Het was immers verweerder die, naar aanleiding van een, achteraf bezien onjuiste, opgave van eiseresses werkgever, concludeerde dat sprake was van niet verzekeringsplichtige arbeid. Het is redelijker de schade die eiseres lijdt als gevolg van dit onjuist besluit, voor de afgifte waarvan verweerder verantwoordelijkheid droeg, voor rekening te brengen van verweerder, dan om die schade voor rekening van eiseres te laten. Voor dit laatste aspect van haar oordeel vindt de rechtbank steun in een arrest van de Hoge Raad d.d. 20 februari 1998, JB 1998,72.

Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Ten aanzien van de vraag vanaf welke datum de wettelijke rente aan eiseres dient te worden betaald stelt de rechtbank nogmaals vast dat verweerders besluit van 25 september 1996, waarbij eiseres naar aanleiding van haar ziekmelding van 6 december 1995 ziekengeld werd geweigerd, als onrechtmatig is te beschouwen. Verweerder is schadeplichtig. Een verzoek om schadevergoeding wegens rentederving is toewijsbaar vanaf het moment dat een onrechtmatig gebleken besluit schade tot gevolg heeft. Artikel 1 van het Besluit schadebeleid bepaalt dat wettelijke rente verschuldigd is vanaf het moment dat de uitkering zou zijn verstrekt als direct het juiste besluit zou zijn genomen. Tussen partijen staat vast dat eiseres, na de herroeping van het besluit van 25 september 1996, alsnog over de periode van 15 december 1995 tot 2 juni 1996 recht heeft op ziekengeld.

De rechtbank verwijst naar het Besluit schadebeleid en overweegt dat verweerder schadeplichtig is vanaf 1 oktober 1996, zijnde de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de onjuiste primaire (niet-toekennings)beslissing werd afgegeven.

Het beroep van eiseres slaagt. Het bestreden besluit zal vernietigd worden. De rechtbank ziet aanleiding onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Abw zelf in de zaak te voorzien en zal bepalen dat verweerder aan eiseres dient te vergoeden de wettelijke rente op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het BW, zoals hierna vermeld.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 322,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

· 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

· waarde per punt € 322,00

· wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het door haar gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres dient te vergoeden de wettelijke rente op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het BW, te berekenen over het bruto-bedrag van de uitkering ingevolge de ZW waarop eiseres als gevolg van de herroeping van het besluit van 25 september 1996 alsnog van 15 december 1995 tot 2 juni 1996 recht heeft verkregen, nadat daarop in mindering is gebracht het bruto-bedrag van de (eventuele) uitkering die eiseres over dezelfde periode is verstrekt uit hoofde van een andere sociale zekerheidswet, zulks ten aanzien van de eerste uitkeringstermijn met ingang van 1 oktober 1996, zijnde de eerste dag van de maand na die waarin de datum valt waarop de onjuiste (niet-toekennings)beslissing is genomen, en vervolgens ten aanzien van de nadien verschijnende termijnen telkens met ingang van een maand later, tot aan de dag der voldoening toe. Daarbij dient telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente aldus is berekend, te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente;

- gelast het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres te vergoeden het door haar gestorte griffierecht;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op € 322,00;

- wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die de wettelijke rente en de proceskosten dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. B.A.J. Zijlstra als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.H. Snoeij als griffier op 17 mei 2004.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden: