Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2004:AO8188

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-04-2004
Datum publicatie
23-04-2004
Zaaknummer
Awb 03 / 579
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2005:AS3195
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voormalig exploitant heeft geen procesbelang bij beoordeling 2e beslissing op bezwaar, omdat het Hof zijn oordeel over de invordering dwangsom heeft aangehouden voor de duur van de bestuursrechterlijke beoordeling van enkel de 1e beslissing op bezwaar.

Uitspraak in hoger beroep vernietigd door Afdeling bestuursrecht Raad van State; LJN AS3195.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

AWB 03/579

Uitspraak van de rechtbank ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

1. [eiseres], zetelende te Best;

2. [eiseres], zetelende te Boxtel,

hierna gezamenlijk: eiseressen,

gemachtigde [gemachtigde], advocaat te Breda,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 16 februari 1994 heeft verweerder eiseressen gelast het gebruik van een gedeelte van het pand [adres] voor detailhandelsdoeleinden binnen drie weken na verzending van het besluit te staken en niet te hervatten, zulks op straffe van een dwangsom van ( 2.500,-- per dag, met een maximum van ( 300.000,--.

Tegen dit besluit hebben eiseressen op 15 maart 1994 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 20 september 1994 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eiseressen op 7 november 1994 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij ongedateerde uitspraak, verzonden 10 november 1997, heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 september 1994 vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen.

Eiseressen zijn op 29 oktober 2002 naar aanleiding van hun bezwaren gehoord door de bezwaarschriftencommissie van verweerders gemeente.

Bij besluit van 14 januari 2003, verzonden 17 januari 2003, heeft verweerder de bezwaren, conform het daartoe door de bezwaarschriftencommissie uitgebrachte advies, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eiseressen op 27 februari 2003 beroep ingesteld. Het beroep is op diezelfde datum ter griffie van de rechtbank ontvangen.

De zaak is op 23 december 2003 behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer, waar eiseressen zich hebben doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde, vergezeld van [belanghebbende], bestuurder van eiseres, genoemd onder 2 (hierna: eiseres 2).

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door [gemachtigde], werkzaam bij verweerders gemeente.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde eiseressen in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verschaffen omtrent hun procesbelang.

Partijen hebben beide, in verband met de omstandigheid dat de schorsing verband hield met een door de rechtbank ambtshalve te beoordelen ontvankelijkheidskwestie en aan een nadere gedachtewisseling geen behoefte bestond, de rechtbank reeds ter zitting toestemming gegeven om zonder nader onderzoek ter zitting uitspraak te doen.

De rechtbank heeft vervolgens, na ontvangst van de gevraagde informatie, het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

In deze zaak dient te worden beantwoord of verweerders besluit van 14 januari 2003, waarbij verweerder de door eiseressen tegen zijn besluit van 16 februari 1994 ingebrachte bezwaren ongegrond heeft verklaard en dat besluit onverkort in stand heeft gelaten, in rechte stand kan houden.

De rechtbank gaat bij de beantwoording van deze vraag uit van de volgende feiten.

De rechtbank leidt uit de gedingstukken af dat eiseres, genoemd onder 1 (hierna: eiseres 1), het in het begin van het procesverloop genoemde perceel in 1992 in eigendom heeft verworven en daarop in 1993 een bedrijfspand heeft gerealiseerd. De exploitatie van het pand is in handen gegeven van eiseres 2, die in het pand onder meer een detailhandel in (tuin)meubelen heeft geëxploiteerd.

Bij de in het procesverloop genoemde uitspraak met registratienummer AWB 94/9934, heeft de rechtbank overwogen dat eiseressen beide overtreder zijn van het in artikel 352, eerste lid, van de Bouwverordening (1989) neergelegde verbod op het gebruiken, het in gebruik geven of laten gebruiken van het perceel of de zich daarop bevindende bouwwerken op een wijze of tot een doel strijdig met de bestemming "Industrieterrein in de klasse A".

De rechtbank heeft verder overwogen dat verweerder blijkens het bestreden besluit vrijstelling van dit verbod, op grond van het vierde lid van genoemd artikel, mogelijk acht, waarbij verweerder zich baseert op de nota "Ontwikkeling van de detailhandel buiten de stedelijke winkelconcentraties". Vrijstelling zou ingevolge dit beleid kunnen worden verleend, als uit een uitgebreid en op de branche gericht distributie-planologisch onderzoek zou blijken dat er voldoende economische ruimte in stad en regio is om de komst van ondernemingen als die van eiseres 2 te kunnen rechtvaardigen en uit onderzoek blijkt dat de gekozen locatie uit het oogpunt van verkeersveiligheid aanvaardbaar is.

De rechtbank heeft de handhaving - in bezwaar - van het besluit tot oplegging van een last onder dwangsom vernietigd, omdat verweerder eiseressen ten onrechte niet in de gelegenheid had gesteld om een distributie-planologisch onderzoek te laten verrichten naar de economische ruimte voor de betrokken detailhandel in (tuin)meubelen.

Verweerder heeft, in het kader van de voorbereiding van het bestreden besluit, een distributie-planologisch onderzoek doen uitvoeren. Ook eiseressen hebben onderzoek doen verrichten.

Verweerder heeft, op basis van het in haar opdracht uitgevoerde onderzoek, besloten geen vrijstelling als bedoeld in artikel 352, vierde lid, van de Bouwverordening 1989 te verlenen. Zij hebben de bezwaren van 15 maart 1994 dan ook opnieuw ongegrond verklaard.

Eiseressen verzetten zich op inhoudelijke gronden tegen dit besluit.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de in de aanvangsoverweging geformuleerde vraag als volgt.

Ter zitting werd van de zijde van eiseres 1 verklaard dat het bedrijfspand inmiddels was verkocht aan [betrokkene] te 's-Hertogenbosch.

Op de daarop volgende vraag van de rechtbank naar het procesbelang van eiseres 1, werd namens haar ter zitting geantwoord dat er in de onderhandse akte van de verkoop een voorbehoud was opgenomen met betrekking tot de uitkomst van de onderhavige procedure.

Verder was de rechtbank uit de gedingstukken gebleken dat het gedeelte van het bedrijfspand waarin eiseres 2, onder de naam "[eiseres]" tuinmeubelen verkocht, inmiddels aan andere bedrijven was verhuurd.

Niettemin zou eiseres 2 nog belang hebben als voormalig exploitante en gebruikster van deze bedrijfsruimte.

De rechtbank heeft, in verband hiermee, het onderzoek ter zitting geschorst, ten einde eiseressen in de gelegenheid te stellen om nadere stukken in het geding te brengen ter toelichting van hun belang bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

Uit het nader aan de rechtbank toegezonden afschrift van een akte houdende levering van onder meer het in geding zijnde bedrijfspand is de rechtbank gebleken dat zowel de juridische als de economische eigendom van het bedrijfspand reeds op 2 januari 1997, derhalve nog vóór de eerdergenoemde uitspraak van de rechtbank in 1997, is overgedragen aan [betrokkene] te 's-Gravenhage, waarvan [belanghebbende] op dat moment directeur was.

Noch uit deze akte, noch uit de onderhandse akte van 7 november 1997 blijkt van enig voorbehoud met betrekking tot de in geding zijnde procedure. Eiseres 1 moet derhalve worden geacht, met de feitelijke levering zoals in beide akten beschreven, ook haar hoedanigheid als eiseres in deze procedure aan [betrokkene] te hebben overgedragen.

Het procesbelang van eiseres 2 is gemotiveerd met een verwijzing naar het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 24 februari 1997. Het gerechtshof heeft in dat arrest besloten zijn beslissing op het hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank betreffende de invordering van verbeurde dwangsommen aan te houden, totdat in de bestuursrechtelijke procedure tegen de last onder dwangsom onherroepelijk zal zijn beslist. De uitkomst van de in geding zijnde procedure is volgens eiseres 2 dan ook van belang voor de uitkomst van de procedure bij het gerechtshof, zodat zij, als voormalig exploitante van een gedeelte van het bedrijfspand, nog steeds belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres 2 hiermee de betekenis van het arrest van het gerechtshof miskent.

Uit de overwegingen van het arrest kan worden afgeleid dat het gerechtshof er vanuit is gegaan dat op het beroep tegen verweerders besluit van 20 september 1994 nog niet onherroepelijk is beslist. Bij uitspraak van 10 november 1997 heeft de rechtbank op het door onder meer eiseres 2 ingestelde beroep beslist. Niet is gebleken dat tegen deze uitspraak hoger beroep is ingesteld, zodat deze na afloop van de beroepstermijn onherroepelijk is geworden. Op dat moment was de voorwaarde voor aanhouding van de beslissing door het gerechtshof niet langer aanwezig.

Het arrest van het gerechtshof strekt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe om het oordeel te reserveren tot ook op het thans ingestelde beroep zal zijn beslist.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat eiseressen reeds ten tijde van het thans bestreden besluit geen enkel belang meer hadden bij de beoordeling van de rechtmatigheid van - op dat moment - verweerders besluit van 16 februari 1994 tot oplegging van een last onder dwangsom. Het belang bij beoordeling van de rechtmatigheid van het thans bestreden besluit is derhalve niet aan de orde. Gelet hierop had verweerder het bezwaar van eiseressen dan ook niet-ontvankelijk behoren te verklaren.

Het beroep zal, in verband hiermee, gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit zal reeds hierom worden vernietigd. De rechtbank komt derhalve niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak toe.

De rechtbank ziet aanleiding om, met toepassing van de haar in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid, het door eiseressen gemaakte bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren en haar uitspraak in de plaats te stellen van het te vernietigen besluit.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten worden, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, begroot op in totaal ? 644,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

( 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

( 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

( waarde per punt ? 322,--;

( wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat de gemeente Helmond eiseressen het door hen gestorte griffierecht ten bedrage van ? 218,-- dient te vergoeden.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het door eiseressen op 15 maart 1994 gemaakte bezwaar alsnog niet-ontvankelijk en stelt haar uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, begroot op ? 644,--;

- wijst de gemeente Helmond aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden;

- gelast de gemeente Helmond eiseressen het door hen gestorte griffierecht ten bedrage van ? 218,-- te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hooghuis als griffier op 15 april 2004.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschrift verzonden:

5

AWB 03/579