Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2004:AO7705

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-04-2004
Datum publicatie
16-04-2004
Zaaknummer
Awb 02 / 2929
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

"In geval van vertraging in de uitbetaling van subsidiebedragen is een beslissing omtrent de vergoeding van de daaruit voortvloeiende schade, in de vorm van wettelijke rente, geen Awb-besluit, maar een handeling naar burgerlijk recht."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

AWB 02/2929

Uitspraak van de rechtbank ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

[eiseres], gevestigd te Someren, eiseres,

[gemachtigde], werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg,

en

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij te 's-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 17 september 2002 heeft verweerder het bezwaar van eiseres, gericht tegen een besluit van verweerder van 22 maart 2002 tot afwijzing van een verzoek van eiseres om vergoeding van schade, kosten en wettelijke rente ongegrond verklaard.

Eiseres heeft bij brief van 25 oktober 2002, ter griffie ontvangen op 28 oktober 2002, tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft op 19 december 2002 een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank doen toekomen.

De zaak is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van 9 mei 2003.

De rechtbank heeft nadien besloten het onderzoek te heropenen en heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek is voortgezet ter zitting van de meervoudige kamer van 16 januari 2004, waar namens eiseres zijn verschenen de vennoten [betrokkene] en [betrokkene], bijgestaan door de gemachtigde van eiseres en [gemachtigde], werkzaam bij ZLTO Advies te Veldhoven. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door [gemachtigde], werkzaam bij verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

In deze zaak is de vraag aan de orde of verweerders besluit van 17 september 2002, waarbij de bezwaren van eiseres gericht tegen een afwijzing van een verzoek van eiseres om vergoeding van schade, kosten en wettelijke rente, ongegrond zijn verklaard en het besluit tot afwijzing onverkort is gehandhaafd, in rechte stand kan houden.

De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres heeft op 21 april 2000 bij verweerder een subsidie aangevraagd voor de beëindiging van een veehouderijtak en de afbraak van stallen in het kader van de Regeling beëindiging veehouderijtakken (hierna: de Regeling). Bij besluit van 2 december 2000 heeft verweerder subsidie verleend tot een bedrag van ( 663.842,--. Geen subsidie werd verleend voor de mestproductierechten van de kippentak, omdat de mestproductie daarvan in 1998 nul kilogram bedroeg. Bij brief van 5 januari 2001 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat dit betekent dat, conform artikel 9, eerste lid, van de Regeling, ook de aanvraag voor de sloop van de gebouwen behorende bij de kippentak is afgewezen en dat de vermindering van de subsidie voor de afbraak en de subsidie voor de gecorrigeerde vervangingswaarde van de gebouwen van de afgewezen tak die daarvan een gevolg is bij de subsidievaststelling zal worden doorberekend.

Bij beslissing op bezwaar van 3 augustus 2001 heeft verweerder alsnog subsidie verleend voor de afbraak [FRJ1]van de parelhoenderstal onder intrekking (lees: gedeeltelijke herroeping) van de aangevochten primaire beslissing.

Bij brief van 19 februari 2002 heeft eiseres verweerder verzocht om over het toegekende subsidiebedrag van ( 663.842,-- wettelijke rente te vergoeden, gebaseerd op artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek, vanaf de dag van indiening van de aanvraag tot aan de dag van volledige betaling. Voorts heeft zij verzocht de geleden schade en gemaakte kosten ten bedrage van ( 191.699,-- te vergoeden.

Bij besluit van 21 maart 2002 heeft verweerder de subsidie vastgesteld en besloten een subsidiebedrag van ? 275.263,98, verminderd met een reeds betaald voorschot, aan eiseres te betalen.

Bij besluit van 22 maart 2002 heeft verweerder het verzoek van 19 februari 2002 afgewezen. Dit besluit is bij besluit van 17 september 2002 gehandhaafd. Het beroep heeft op dit besluit betrekking.

In beroep heeft eiseres haar vordering tot vergoeding in die zin gematigd, dat zij daarbij rekening heeft gehouden met het op 18 juli 2001 ontvangen voorschot in verband met de sloop van bedrijfsgebouwen.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het beroep als volgt.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn primaire besluit van 22 maart 2002 geen besluit heeft genomen over eiseres' verzoek tot vergoeding van schade en kosten anders dan de wettelijke rente. Eerst in het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek dienaangaande afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat in zoverre sprake is van een primair besluit.

Uit artikel 8:1 van de Awb, gelezen in combinatie met artikel 7:1 van de Awb, vloeit voort dat degene die gerechtigd is om tegen een besluit beroep bij de rechtbank in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar moet maken bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.

Het beroepschrift dient dan ook, voor zover het het verzoek tot vergoeding van schade en kosten anders dan de wettelijke rente betreft, te worden aangemerkt als een bezwaarschrift. De rechtbank is onbevoegd om van dit deel van het beroep kennis te nemen. Het beroepschrift van eiseres zal dan ook, ter behandeling in zoverre als bezwaarschrift, worden doorgezonden aan verweerder.

Eiseres heeft verzocht om vergoeding van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Ingevolge deze bepaling bestaat de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest.

Eiseres' vordering van de wettelijke rente is ingegeven door haar opvatting dat het niet toekennen van een subsidie voor de afbraak van een parelhoenderstal bij de beslissing op de aanvraag om subsidie ertoe heeft geleid dat zij eerst later over (delen van) de uiteindelijk toegekende subsidie kon beschikken.

Voorzover het de betaling van subsidiebedragen, overeenkomstig artikel 4:52, tweede lid, van de Awb, of van een voorschot, overeenkomstig artikel 4:55, tweede lid, van de Awb, betreft, is sprake van een rechtshandeling naar burgerlijk recht en niet van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

Op grond van de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is sprake van een (schade)besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, indien het besluit gaat over schade als gevolg van de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid. Nu in casu de schade is veroorzaakt door de gestelde vertraging in de voldoening van een geldsom, is de beslissing tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding geen besluit in de zin van evenbedoeld artikellid.

Derhalve had verweerder het bezwaar hiertegen niet-ontvankelijk moeten verklaren.

Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de rechtbank zich deels onbevoegd zal verklaren, en dat het beroep voor het overige gegrond is omdat verweerder het bezwaar ten onrechte niet niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Nu verweerder na de daarmee samenhangende gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit geen andere keuze heeft dan het bezwaar van eiseres, voor zover het de weigering tot vergoeding van de wettelijke rente betreft, alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, door het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren en haar uitspraak in zoverre in de plaats te stellen van het te vernietigen besluit.

Eiseres heeft verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten in de bezwaarprocedure. De rechtbank stelt vast dat dit verzoek geen betrekking heeft op de in geding zijnde procedure, maar op de procedure betreffende de subsidieverlening. De desbetreffende kosten zijn in de eerder bedoelde schadeberekening opgenomen. Verweerder zal, ingevolge het vorenoverwogene, in het kader van de bezwaarprocedure over de vergoeding van deze kosten nog een beslissing moeten nemen.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal ? 644,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

( 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

( 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

( waarde per punt ? 322,--;

( wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat eiseres het door haar gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep voorzover het betrekking heeft op het verzoek van eiseres om vergoeding van schade en kosten anders dan de wettelijke rente;

- verklaart het beroep voor het overige gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- verklaart het door eiseres gemaakte bezwaar, voor zover het de weigering tot vergoeding van wettelijke rente betreft, alsnog niet-ontvankelijk en stelt haar uitspraak in zoverre in de plaats van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op ? 644,-- en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden;

- gelast de Staat der Nederlanden eiseres het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van ? 218,-- te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange als voorzitter en mr. P.H.C.M. Schoemaker en mr. L.C. Michon als leden en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hooghuis als griffier op 9 april 2004.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschrift verzonden:

[FRJ1]Klopt dit? Ik weet niet meer precies wat er in de bob is bepaald.

5

AWB 02/2929