Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2004:AO7548

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-02-2004
Datum publicatie
29-04-2004
Zaaknummer
AWB 03/1423
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft een negatieve toekomstverwachting uitgesproken over de geschiktheid van eiser voor de functie van PAB. Dit is een besluit in de zin van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

AWB 03/1423

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

A, wonende te B, eiser,

en

De Korpsbeheerder van de Politieregio […], gevestigd te C, verweerder,

gemachtigde mr. K, werkzaam bij verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Op 7 januari 2002 heeft verweerder van eiser een formulier ontvangen, waarmee eiser solliciteert naar de functie van Politieambtenaar B (hierna: PAB).

Bij formulier van 18 januari 2002 heeft verweerder een negatieve toekomstverwachting uitgesproken over de geschiktheid van eiser voor de functie van PAB.

Hiertegen heeft eiser bij brief van 18 februari 2002 bezwaar gemaakt.

Op 6 juni 2002 is eiser inzake zijn bezwaren gehoord door de Bezwarenadviescommissie ex artikel 7:13 van de Awb politieregio […] (hierna: de BAC).

Op 26 juni 2002 heeft de BAC verweerder van advies gediend.

Naar aanleiding van dit advies heeft verweerder de negatieve toekomstverwachting nader gemotiveerd bij formulier van 2 oktober 2002.

Hiertegen heeft eiser bij brief van 20 november 2002 een (aanvullend) bezwaarschrift ingediend.

Op 20 maart 2003 is eiser wederom inzake zijn bezwaren gehoord door de BAC.

Bij beslissing op bezwaar van 10 april 2003 heeft verweerder eisers bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser op 7 mei 2003 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 6 juni 2003 een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 9 januari 2004, waar eiser is verschenen in persoon. Tevens is namens eiser als getuige verschenen mevrouw X, commissaris van politie en tot 1 oktober 2001 plaatsvervangend afdelingschef van eiser. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door de heer Y, ten tijde in geding plaatsvervangend afdelingschef van eiser.

II. OVERWEGINGEN

In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit van 10 april 2003 in rechte stand kan houden.

Bij haar oordeelsvorming is de rechtbank uitgegaan van de navolgende feiten en omstandigheden.

Eiser is werkzaam als politieambtenaar A (hierna: PAA) binnen de afdeling […] van de Politieregio […]. Naar aanleiding van het openstellen van de functie van PAB heeft eiser naar deze functie gesolliciteerd middels een intern sollicitatieformulier.

Ingevolge het “Regionaal vacaturebeleid PAB”, hoofdstuk 2, onder punt 7, dient het sollicitatieformulier onder meer te zijn voorzien van een retrospectieve beoordeling, die niet ouder is dan twee jaar en die minimaal de eindkwalificatie ‘goed’ dient te hebben. Eiser voldeed aan deze voorwaarde, omdat zijn functioneren in de periode van 1 januari 2000 tot 31 mei 2001 als ‘goed’was beoordeeld blijkens het gespreksformulier van het beoordelingsgesprek d.d. 31 mei 2001.

Daarnaast is een positieve aanbeveling omtrent de potentiële geschiktheid (hierna: de toekomstverwachting) voor de functie van PAB door de afdelingschef vereist. De kandidaten voor de functie van PAB zijn beoordeeld op vier kerncompetenties, te weten samenwerking, beïnvloeden, oplossingsgerichtheid en organisatievermogen.

In de toekomstverwachtingen van zowel 18 januari 2002 als 2 oktober 2002

is aangegeven dat eiser aan geen enkele van de vier competenties voldoet en derhalve niet geschikt wordt geacht voor de functie van PAB.

De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of de toekomstverwachting van 18 januari 2002 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, dan wel een feitelijke handeling is in de zin van artikel 8:1, tweede lid, van de Awb.

Blijkens hoofdstuk 2 van het op 12 september 2001 vastgestelde regionaal vacaturebeleid PAB dient het sollicitatieformulier voorzien te zijn van een positieve toekomstverwachting. De negatieve toekomstverwachting had derhalve als consequentie dat eiser niet kon deelnemen aan de sollicitatieprocedure voor de functie van PAB. De negatieve toekomstverwachting was dus in feite een impliciete weigering om eiser te benoemen in de functie van PAB en is als zodanig een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Ingevolge artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb kan tegen een besluit tot benoeming of aanstelling geen beroep worden ingesteld, tenzij beroep wordt ingesteld door een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) wordt met laatstgenoemde uitzondering beoogd tot uitdrukking te brengen dat de mogelijkheden voor een solliciterende ambtenaar om beroep in te stellen tegen een besluit hem niet in een door hem geambieerde functie te benoemen, beperkt zijn tot die gevallen waarin hij door die weigering als zodanig rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen. In het algemeen zal dit slechts het geval zijn indien de sollicitatie direct voortkomt uit een bestaand loopbaanperspectief of carrièrepatroon, dan wel uit bij de betrokken ambtenaar opgewekte verwachtingen op benoeming in de geambieerde functie (zie CRvB 25 september 1997, TAR 1997/228).

De sollicitatie van eiser naar de functie van PAB is naar het oordeel van de rechtbank een logische carrièrestap in zijn loopbaan. Door de impliciete weigering om eiser te benoemen in deze functie is eiser dan ook rechtstreeks in zijn belang getroffen. Verweerder heeft eiser derhalve terecht ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen wat binnen het kader van de Awb de status is van de op 2 oktober 2002 opgestelde toekomstverwachting. Blijkens de bezwaarclausule onder deze toekomstverwachting heeft verweerder gemeend dat hier sprake is van een primair besluit. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de tweede toekomstverwachting een gewijzigd (primair) besluit is in de zin van artikel 6:18 van de Awb.

De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen.

Ingevolge artikel 7:11 van de Awb vindt een volledige heroverweging van het bestreden besluit plaats, waarbij verweerder is gehouden een eventueel gebrekkige motivering hangende het bezwaar te verbeteren. Verweerder heeft zich verenigd met het standpunt van de BAC dat het besluit van 18 januari 2002 gebrekkig was gemotiveerd. In de toekomstverwachting van 2 oktober 2002 heeft verweerder nader gemotiveerd waarom eiser niet voldeed aan de vier voormelde competenties. Naar het oordeel van de rechtbank maakt deze nadere, gewijzigde motivering deel uit van de thans bestreden beslissing op bezwaar van 10 april 2003 en dient de toekomstverwachting van 18 januari 2002 te worden aangemerkt als het primaire besluit.

Vervolgens staat de rechtbank voor de vraag of het standpunt van verweerder dat eiser potentieel ongeschikt is voor de functie van PAB de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Daartoe stelt de rechtbank voorop dat haar toetsing volgens vaste jurisprudentie van de CRvB terughoudend dient te zijn, in die zin dat de rechtbank zich - naast de overigens in aanmerking komende toetsing van het besluit aan regels van geschreven en ongeschreven recht en algemene rechtsbeginselen - moet beperken tot de vraag of de toekomstverwachting op onvoldoende gronden berust (zie CRvB 2 mei 2002, TAR 2002/127).

Niet betwist is dat de vier competenties waarop eiser in het kader van de toekomstverwachting is beoordeeld relevant zijn voor een goede vervulling van de functie van PAB. Ter zitting hebben verweerder en getuige desgevraagd aangegeven dat van een PAB wordt verwacht dat hij een team van ongeveer 20 agenten kan coördineren, aansturen en stimuleren en dat hij vernieuwingen kan implementeren. In dat kader dient eiser over de genoemde competenties te beschikken.

Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder de negatieve toekomstverwachting onder meer gebaseerd op de standpunten van drie leidingevenden: de toenmalige afdelingschef, de heer Z, en mevrouw X (tot 1 oktober 2001 plaatsvervangend afdelingschef) en de heer Y (per 1 juli 2001 plaatsvervangend afdelingschef en opvolger van mevrouw X).

Daarnaast hebben de heren U en Y een vijftal collega’s van eiser op de afdeling Tongelre de vraag voorgelegd of zij eiser potentieel geschikt achtten als PAB. De verklaringen zijn anoniem afgelegd.

De drie leidinggevenden en de vijf informanten hebben eiser unaniem potentieel ongeschikt geacht als PAB.

Eiser heeft onder meer als grief aangevoerd dat hij zich niet kan verweren tegen verklaringen waarvan verweerder stelt dat ze tegenover verweerder zijn afgelegd door anonieme informanten.

In dat verband wijst de rechtbank op de vaste jurisprudentie van de CRvB inzake anonieme getuigenverklaringen. Volgens deze jurisprudentie is het gebruik maken van anonieme getuigen weliswaar niet ten principale ontoelaatbaar, maar alleen in combinatie met ander verifieerbaar bewijsmateriaal en alleen indien het handhaven van de anonimiteit op zeer zwaarwegende gronden noodzakelijk is (zie CRvB 29 november 1990, TAR 1991/19 en CRvB 28 september 1995, TAR 1995/245).

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat het handhaven van de anonimiteit van de informanten onontbeerlijk was.

Voorts heeft verweerder geen afzonderlijke verklaringen van de informanten overgelegd, zodat voor eiser niet traceerbaar is wat de informanten precies tegenover verweerder hebben verklaard. Ook is niet traceerbaar volgens welke procedure de informanten zijn geselecteerd, welke vragen verweerder hen heeft voorgelegd en hoeveel informanten de door verweerder aangehaalde verklaringen hebben afgelegd.

Daarmee is eiser de mogelijkheid onthouden om te controleren of verweerder de verklaringen van de informanten op de juiste wijze heeft weergegeven en om inhoudelijk verweer te voeren tegen de afzonderlijke verklaringen. Dit klemt te meer nu eiser heeft betwist hetgeen volgens verweerder door informanten is verklaard.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel door volgens een voor eiser niet transparante procedure informatie van anonieme informanten te verzamelen en deze informatie ten grondslag te leggen aan de toekomstverwachting.

De rechtbank acht het eveneens in strijd met de in acht te nemen zorgvuldigheid dat in de toekomstverwachting niet altijd duidelijk is aangegeven in welke gevallen verweerder bepaalde indrukken heeft gebaseerd op verklaringen van informanten, dan wel op eigen ervaringen en indrukken van de leidinggevenden.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder de toekomstverwachting onvoldoende zorgvuldig feitelijk heeft onderbouwd.

In de bezwaarfase en ter zitting heeft eiser de feitelijke onderbouwing van de toekomstverwachting op de meeste punten gemotiveerd weersproken. Dit is echter voor verweerder geen aanleiding geweest de feitelijke onderbouwing van toekomstverwachting nader te verifiëren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de grieven van eiser betreffende de feitelijke gang van zaken dan ook onvoldoende weerlegd.

In dat verband acht de rechtbank het van belang dat mevrouw X in haar getuigenverklaring ter zitting op onderdelen de feitelijke grondslag van de toekomstverwachting heeft genuanceerd, dan wel weersproken. Dit klemt te meer nu verweerder ter zitting heeft verklaard dat de toekomst-verwachting mede is gebaseerd op het oordeel van mevrouw X.

Voorts weegt de rechtbank mee dat de in de toekomstverwachting geuite kritiek op eisers functioneren slechts op een enkel onderdeel (het ‘wegzakken’ van eisers inzet in surveillancediensten, het volgens de recherchecoördinator soms met twee monden praten) is terug te vinden in de beoordeling van 31 mei 2001. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden, op grond waarvan de betrokken (plaatsvervangend) afdelingschef korte tijd na die datum een zo groot aantal forse kritiekpunten op eisers functioneren als PAA heeft kunnen constateren. De rechtbank miskent daarbij niet dat het functioneren van eiser als PAA niet in geding is en dat het thans gaat om de potentiële geschiktheid van eiser als PAB. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder de negatieve toekomstverwachting grotendeels heeft gebaseerd op eisers functioneren als PAA. In die zin acht de rechtbank voormelde constatering (te weten dat van de forse kritiek op eisers functioneren weinig valt terug te vinden in eerdere beoordelingen) relevant in het onderhavige geding.

Ten slotte merkt de rechtbank nog op dat de toekomstverwachting van 2 oktober 2002 is opgesteld door de plaatsvervangend afdelingschef. De rechtbank acht dit in strijd met artikel 3 van hoofdstuk 2 van het Regionaal vacaturebeleid PAB, waarin is bepaald dat de toekomstverwachting wordt opgesteld door de afdelingschef.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Op grond daarvan komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

Hieruit volgt dat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren.

De rechtbank zal verweerder gelasten een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Voor zover verweerder daarbij gebruik wil maken van verklaringen van anonieme informanten, dient verweerder te motiveren waarom anonimiteit in het onderhavige geval onontbeerlijk is.

Indien verweerder gebruik maakt van verklaringen van (al dan niet anonieme) informanten dient verweerder voor eiser transparant te maken welke procedure is gevolgd. Dit betreft in ieder geval de selectie van de informanten en de vragen die hen zijn voorgelegd. Voor zover eiser niet de gelegenheid wordt geboden kennis te nemen van de verklaringen van de informanten ten einde hierop te kunnen reageren, dient verweerder te motiveren waarom het dienstbelang in dit geval zwaarder weegt dan het belang van eiser om zich te verweren tegen deze verklaringen.

Voorts dient in de toekomstverwachting kenbaar onderscheid te worden gemaakt tussen inlichtingen van informanten en eigen ervaringen en indrukken van de afdelingschef zelf.

Ten slotte dient verweerder eisers - met name in het bezwaarschrift en in de pleitnota ter zitting - aangevoerde grieven ten aanzien van de feitelijke grondslag van de toekomstverwachting gemotiveerd te weerleggen.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, aangezien er geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De rechtbank wijst de verzoeken van eiser - waaronder het verzoek om schadevergoeding - thans af, aangezien verweerder nog een nadere inhoudelijke beslissing dient te nemen.

Wel zal de rechtbank bepalen dat de Politieregio […] aan eiser het door hem gestorte griffierecht dient te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het beroep gegrond;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast verweerder het door eiser gestorte griffierecht ad € 116,00 aan hem te vergoeden, te betalen door de Politieregio […];

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. P.J.H. van Dellen als rechter in tegenwoordigheid van

J. de Best als griffier en uitgesproken in het openbaar d.d. 16 februari 2004.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden: