Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2004:AO5811

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-03-2004
Datum publicatie
17-03-2004
Zaaknummer
106520 / KG ZA 04-88
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verenigingsrecht. Eiseressen vorderen om gedaagden te verbieden zich te afficheren als bestuurders van eiseres sub 1, alsmede hen te gebieden zich te onthouden van het verrichten van rechtshandelingen namens eiseres sub 1. De benoeming van eiseres sub 2 en van [gedaagde sub 4] door henzelf bij de oprichting als enige bestuursleden wordt voorshands in strijd met het recht geoordeeld. Naar het voorlopig oordeel van de rechter zijn op dit moment slechts [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] als bevoegde bestuurders aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

VONNIS IN KORT GEDING

Zaaknummer : 106520 / KG ZA 04-88

Datum uitspraak: 16 maart 2004

Vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch in de zaak van:

1. de coöperatie DE WILDHORST BEHEERSCOÖPERATIE U.A.,

gevestigd te Heeswijk-Dinther (gemeente Bernheze),

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RECRATIEOORD DE WILDHORST B.V.,

gevestigd te Heeswijk-Dinther (gemeente Bernheze),

eiseressen bij exploot van dagvaarding van 19 februari 2004,

procureur mr. J.E. Benner,

advocaat mr. W.J.M. Gitmans te Nijmegen,

tegen:

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats],

gedaagden bij gemeld exploot,

procureur mr. F.M.Y. Wertenbroek.

Partijen zullen hierna "De Wildhorst c.s." en "[gedaagden]" worden genoemd. Eiseressen worden ieder afzonderlijk ook wel aangeduid als "de coöperatie" en "de B.V.". Gedaagden worden ieder afzonderlijk ook wel aangeduid als "[gedaagde sub 1]", "[gedaagde sub 2]", "[gedaagde sub 3]" en "[gedaagde sub 4]".

1. De procedure

1.1. De Wildhorst c.s. hebben in kort geding gesteld en gevorderd zoals hierna verkort is weergegeven.

1.2. De advocaat van De Wildhorst c.s. heeft de vordering ter terechtzitting toegelicht, mede aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities met producties.

1.3. De procureur van [gedaagden] heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van de door haar overgelegde pleitnotities met producties.

1.4. Na gevoerd debat hebben partijen vonnis gevraagd.

2. De feiten

2.1. Op 29 september 2000 is opgericht de vereniging De Wildhorst Beheerscoöperatie U.A. door de B.V. en [gedaagde sub 4]. Blijkens de statuten zijn de oprichters als lid toegelaten. Daarnaast is bepaald dat leden alleen kunnen zijn natuurlijke en rechtspersonen die tevens eigenaar of beperkt (zakelijk) gerechtigde zijn van een der kavels, bestemd als staanplaats, gelegen in het in de statuten omschreven recreatieoord.

2.2. Het eerste lid van artikel 13 van de statuten van de coöperatie (hierna: de statuten) bepaalt dat het bestuur bestaat uit tenminste drie (rechts)personen, die door de algemene vergadering uit of buiten de leden worden benoemd.

2.3. Blijkens artikel 15 lid 2 van de statuten is het bestuur bevoegd tot vertegenwoordiging van de coöperatie in en buiten rechte. Lid 4 van dit artikel luidt als volgt:

"In afwijking van het hiervoor in deze statuten bepaalde zullen de beide oprichters het bestuur der coöperatie vormen, gedurende het tijdvak ingaande heden en eindigende drie maanden nadat de helft van de kavels in het recreatieoord is overgedragen aan derden. Gedurende het in dit lid bedoelde tijdvak vertegenwoordigen de beide oprichters ieder afzonderlijk de coöperatie."

2.4. Artikel 15 lid 5 van de statuten luidt als volgt:

"De beide oprichters zijn verplicht gedurende het in het vorige lid bedoelde tijdvak een ledenvergadering bijeen te roepen waarin het definitieve bestuur zal worden gekozen. Zolang de kavels in het recreatieoord niet alle aan derden zijn overgedragen, blijven de oprichters zitting houden in het bestuur."

2.5. Artikel 20, lid 1, van de statuten bepaalt dat de oproeping voor een algemene ledenvergadering, indien moet worden voorzien in een vacature van het bestuur, de opgave van de naam van de door het bestuur voorgedragen kandidaat bevat.

2.6. De Wildhorst c.s. hebben in het geding gebracht een aan mevrouw mr. drs. [P.M.] gerichte oproeping voor "de jaarvergadering" van de coöperatie, te houden op 15 januari 2004. Deze oproeping houdt onder meer het volgende in: "Wij willen u graag kennis laten maken met onze nieuwe voorzitter, de heer [L.S.] en onze secretaris, de heer [S.]. Uit uw gelederen willen wij tijdens de jaarvergadering graag een penningmeester kiezen en wij roepen bij deze kandidaten op die deze functie willen gaan vervullen. ..."

2.7. De vergadering van 15 januari 2004 heeft daadwerkelijk doorgang gevonden. Van deze vergadering is een verslag gemaakt. Blijkens dit verslag is er een nieuw bestuur gekozen, bestaande uit [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3]. Daarnaast vermeldt het verslag dat dhr. [A.] bestuurslid zal blijven namens de B.V. en [gedaagde sub 4] eveneens.

2.8. Uit een internet-uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Oost-Brabant van 22 januari 2004 blijkt dat als bestuurders van de coöperatie (slechts) staan ingeschreven [gedaagde sub 1] (voorzitter), [gedaagde sub 2] (secretaris) en [gedaagde sub 3] (penningmeester).

3. Het geschil

3.1. De Wildhorst c.s. vorderen in dit kort geding, kort weergegeven, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

1. [gedaagden], ieder voor zich en gezamenlijk, te gebieden om met onmiddellijke ingang althans onmiddellijk na betekening van het vonnis zich niet meer te afficheren als bestuurder van de coöperatie en zich ervan te onthouden om namens de coöperatie (rechts)handelingen, van welke aard ook, te verrichten;

2. [gedaagden], ieder voor zich en gezamenlijk, te gebieden om binnen 24 uur vanaf het moment dat het vonnis aan hen is betekend alle (rechts)handelingen die [gedaagden] namens de coöperatie hebben verricht of hebben doen verrichten - wat [gedaagde sub 4] betreft sedert 1 december 2003 - ongedaan te maken, onder andere ook hun inschrijving in het handelsregister als bestuurder van de coöperatie;

3. te bepalen dat [gedaagden] een dwangsom verbeuren van € 100.000,-- bij iedere niet nakoming van één van de geboden en van € 10.000,-- voor iedere dag dat die niet-nakoming voortduurt;

4. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2. De Wildhorst c.s. leggen daaraan het navolgende ten grondslag.

De benoeming van [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] tot bestuurder van de coöperatie is ongeldig. Het besluit daartoe is nietig althans vernietigbaar. Voor zover nodig doen De Wildhorst c.s. een beroep op vernietiging. De handelwijze van [gedaag[gedaagden] en meer in het bijzonder van [gedaagde sub 4] is ook onrechtmatig. De Wildhorst c.s. stellen daartoe het volgende.

Vanaf februari 2002 had [gedaagde sub 4] geen bemoeienis meer met de coöperatie. Op 10 februari 2003 werd [gedaagde sub 4] formeel uitgeschreven - in het handelsregister - als bestuurder van de coöperatie. Een en ander werd - natuurlijk met medeweten van [gedaagde sub 4] - gedaan door notaris [M.]. Notaris [M.] adviseerde toen ook om in plaats van [gedaagde sub 4] een nieuwe bestuurder in te schrijven. Dat werd mevrouw [B.], een medewerkster van de B.V. Toen mevrouw [B] haar dienstverband met de B.V. beëindigde, werd in haar plaats als bestuurder ingeschreven de heer [L.S.], eveneens een medewerker van de B.V.

Tegen het eind van 2003 waren aan 48 (rechts)personen in totaal 111 kavels verkocht. Het ledenbestand van de coöperatie bestond dus uit 48 (rechts)personen plus de B.V., die nog eigenaar was van 252 kavels. De tijd was rijp om een algemene ledenvergadering te beleggen. In een dergelijke vergadering zouden de 48 (rechts)personen - als eigenaren van de verkochte 111 kavels - in totaal 111 stemmen hebben en de B.V. - als eigenaar van de nog niet verkochte 252 kavels - 252 stemmen. Na een paar keer te zijn uitgesteld, is de vergadering uiteindelijk op 15 januari 2004 gehouden. De vergadering was in het bijzonder voorbereid door de medewerkster van de B.V., mevrouw [V.], die sinds enkele maanden de coöperatie bestierde tezamen met de heer [L.S.] en de heer [S.]. Mevrouw [V.] was door de B.V. gevolmachtigd om namens de B.V. de vergadering bij te wonen en als voorzitter van de vergadering op te treden. De heer [L.S.] zou als de andere bestuurder samen met mevrouw [V.] de leden ontvangen. De heer [S.] zou aan de leden worden voorgesteld, omdat het de bedoeling was dat hij voortaan namens de B.V. het bestuurderschap en voorzitterschap van de coöperatie zou gaan vervullen, totdat 50% van de kavels aan derden zou zijn verkocht.

Aan het begin van de vergadering maakte één van de leden, de heer [H.] (hierna: [H.]), bezwaar tegen de aanwezigheid van de heren [L.S.] en [S.] achter de bestuurstafel. [H.] presenteerde zich als gevolmachtigde van [gedaagde sub 4] als bestuurder van de coöperatie. [H.] bewerkstelligde dat de heren [L.S.] en [S.] de vergadering verlieten. Hij bracht vervolgens mevrouw [V.] in een moeilijk parket. Merkwaardigerwijze heeft de bij die vergadering ook aanwezige notaris [M.] mevrouw [V.] min of meer geadviseerd om van de door de B.V. aan haar verstrekte volmacht geen gebruik te maken. Nogal ontdaan heeft mevrouw [V.] daarna nog een tijd in de zaal plaatsgenomen en het schouwspel gadegeslagen. Vervolgens is [H.] gaan fungeren als voorzitter van de vergadering. [H.] heeft daarna het besluit tot benoeming van drie nieuwe bestuursleden ter stemming gebracht.

Na de vergadering heeft de notaris [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] doen inschrijven in het handelsregister als bestuurders van de coöperatie. Tevens heeft zij de B.V. en de heer [L.S.] doen uitschrijven als bestuurders.

Naar de mening van De Wildhorst c.s. kon [H.] tijdens de ledenvergadering niet als gemachtigde van [gedaagde sub 4] als bestuurder en voorzitter van de coöperatie en de vergadering optreden, omdat [gedaagde sub 4] geen bestuurder (en voorzitter) van de coöperatie was. Immers is [gedaagde sub 4] op 19 januari 2003 gedefungeerd als bestuurder en heeft hij zich - via notaris [M.] - als bestuurder bij het handelsregister laten uitschrijven. Zelfs al was [gedaagde sub 4] nog wel bestuurder, dan is het in strijd met een elementaire regel in het rechtspersonenrecht dat een bestuurder-natuurlijk persoon zich in die hoedanigheid laat vertegenwoordigen.

Benoeming van nieuwe bestuursleden was niet actueel. Artikel 15 lid 4 van de statuten regelt de samenstelling van het bestuur zolang nog niet de helft van de kavels in het recreatieoord is overgedragen aan derden in die zin dat de oprichters het bestuur vormen. De B.V. is in elk geval nog bestuurder. [gedaagde sub 4] is begin 2003 gedefungeerd. Een redelijke uitleg van artikel 15 lid 4 brengt mee dat de B.V. de enige bestuurder zal zijn, hetzij dat de B.V. in de plaats van [gedaagde sub 4] naast zich een andere bestuurder kan aanwijzen. Hoe dan ook brengt een redelijke uitleg van artikel 15 lid 4 mee - en het is ontegenzeggelijk ook de bedoeling van dat artikel - dat de belanghebbende bij de nog niet aan derden verkochte kavels, zolang de helft nog niet aan derden is verkocht, de zeggenschap heeft in het bestuur van de coöperatie. Bovendien bepaalt artikel 15 lid 4 duidelijk dat pas nadat de helft van de kavels aan derden is verkocht de in dat artikel genoemde driemaanden-termijn gaat lopen, waarbinnen het bestuur moet worden (en ook pas kan worden) uitgebreid.

Over de benoeming van drie nieuwe bestuursleden kon in de vergadering van 15 januari 2004 ook geen besluit worden genomen, omdat de benoeming en dat besluit niet waren geagendeerd. Op grond van de wettelijke regeling met betrekking tot coöperaties in het algemeen en overigens ook op grond van de statuten is voor besluitvorming agendering van het desbetreffende besluit noodzakelijk. Op grond van artikel 20 lid 1 van de statuten is voor rechtsgeldige besluitvorming als de onderhavige tevens noodzakelijk dat de namen van de voorgedragen kandidaten in de oproeping moeten worden vermeld. Een en ander is niet gebeurd. Ten overvloede zij opgemerkt dat op 15 januari 2004 de besluitvorming niet heeft plaatsgevonden in een vergadering waarin alle leden aanwezig of vertegenwoordigd waren en waarin al die leden vóór het besluit hebben gestemd. Slechts een zeer beperkt aantal leden was aanwezig.

Indien de B.V. van haar stemrecht gebruik had kunnen maken, zou een besluit tot benoeming van [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] niet tot stand zijn gekomen. De B.V. beschikt immers over een overweldigende meerderheid van de stemmen. Het is onrechtmatig van [H.] en van de overige aanwezige leden, dat zij het er eerst toe leidden dat mevrouw [V.] afstand deed van haar volmacht om daarna het besluit tot benoeming van [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in stemming te brengen, aan welke stemming mevrouw [V.] dus niet meer kon deelnemen.

De Wildhorst c.s. hebben een spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen. Zij hadden dankzij hun vele inspanningen de coöperatie en meer in het algemeen de gang van zaken binnen het recreatieoord goed op de rails staan. Door onbezonnen acties en gespeend van elke kennis van zaken dreigen [gedaagden] thans grote schade aan De Wildhorst c.s. toe te brengen. Wat er allemaal precies gebeurt weten De Wildhorst c.s. niet. Zij worden nergens in gekend. Zij ontvangen geen bankschriften meer en waarschijnlijk door te zwaaien met een uittreksel uit het handelsregister hebben zij de bank bewogen om de bevoegdheid van de B.V. om over bankrekeningen te beschikken ongedaan te maken. [Gedaagden] laten zich - volstrekt ten onrechte - negatief uit over de B.V.. Dit heeft voor de B.V. ook nog tot gevolg dat de verkoop van kavels stagneert, hetgeen natuurlijk tot grote schade voor de B.V. En ook tot schade voor de coöperatie, die daardoor bijvoorbeeld minder leden krijgt.

3.3. Het verweer van [gedaagden] tegen de vordering komt zakelijk weergegeven op het volgende neer.

Allereerst beroepen [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zich op de niet-ontvankelijkheid van De Wildhorst c.s. tot het entameren van onderhavig kort geding. Uit het uittreksel van de coöperatie uit het handelsregister dat door De Wildhorst c.s. in het geding is gebracht, blijkt dat de B.V. en [L.S.] beiden zijn uitgeschreven uit het handelsregister.

Derhalve is de B.V. niet bevoegd om namens de coöperatie te procederen. De coöperatie is slechts bevoegd om middels haar bestuur dergelijke bestuurshandelingen te verrichten. Aangezien de B.V. noch [L.S.] bevoegdheden hebben als bestuurders van de coöperatie, kan mr. Gitmans niet in rechte namens de coöperatie optreden.

Indien de B.V. meent dat zij op grond van artikel 15, lid 4, van de statuten, als oprichter van de coöperatie bestuurder is gebleven tot drie maanden nadat de helft van de kavels in het recreatieoord is overgedragen aan derden en derhalve bevoegd is om namens de coöperatie tegen het nieuwe bestuur en [gedaagde sub 4] op te treden, dient ook [gedaagde sub 4] nog steeds als bestuurder van de coöperatie te worden beschouwd.

Echter, op 16 januari 2003 is [gedaagde sub 4], ondanks genoemd artikel door de notaris op verzoek van de B.V. uitgeschreven uit het handelsregister als bestuurder van de coöperatie. [gedaagde sub 4] was eigenlijk ook slechts betrokken bij de oprichting van de coöperatie en had al vanaf november 2001 geen enkele feitelijke bemoeienis meer met de coöperatie. Hij was niet op de hoogte van zijn uitschrijving uit het handelsregister.

Nu de B.V. en [gedaagde sub 4] beiden zijn uitgeschreven als bestuurder, menen [gedaagden] dat de B.V. niet bevoegd is de coöperatie te vertegenwoordigen.

De Wildhorst c.s. stellen dat zij een spoedeisend belang hebben om binnen de coöperatie snel orde op zaken te stellen. Uiteraard is het in het grootste belang van de leden, waaronder de nieuwe bestuursleden, om inderdaad eindelijk echt orde op zaken te hebben in de coöperatie. Dát is ook de reden geweest, waarom de meerderheid van de aanwezige stemgerechtigde leden bij de algemene ledenvergadering van 15 januari 2004 [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] als bestuur heeft gekozen. Directe leden hebben natuurlijk extra betrokkenheid bij het functioneren van de coöperatie.

In strijd met artikel 19 lid 1 sub b van de statuten heeft vanaf datum oprichting tot 15 januari 2004 nooit een algemene ledenvergadering plaatsgevonden.

Op 3 december 2003 is voor het eerst door de B.V. een uitnodiging verzonden voor het bijwonen van een jaarvergadering met onder andere het voornemen om in ieder geval een bestuurslid te benoemen en om "aan het nieuwe bestuur de boekhouding over te dragen". De B.V. wilde - hoewel dit niet exact in de agenda in de uitnodiging was vermeld - de heer [L.S.] tot bestuursvoorzitter benoemen en de heer [S.] tot secretaris. Het is gebleken dat de B.V. de uitnodiging niet naar alle leden is verstuurd. Het nieuwe bestuur vraagt zich af of de ledenadministratie niet in orde is, of dat de B.V. bewust willekeurig uitnodigingen heeft verzonden. Zo heeft bijvoorbeeld [H.], die met zijn vennootschappen 33 percelen in eigendom heeft, geen uitnodiging ontvangen.

Voorafgaand aan de algemene ledenvergadering op 15 januari 2004 is een aantal leden die verenigd zijn in een informele belangenvereniging op 5 januari 2004 bijeengekomen, omdat er wantrouwen is jegens de B.V. vanwege het steeds wisselende management, de onduidelijkheden terzake de regelgeving, de facturering van steeds grotere servicekosten voor steeds minder dienstverlening en de handelwijze van de B.V. De leden wensten inzage in de besteding van de door hen ingelegde contributiegelden en servicekosten. Ook tijdens die bijeenkomst bleek dat enkele kaveleigenaren geen uitnodiging voor de algemene ledenvergadering hadden ontvangen.

Op 15 januari 2004 bleek ter vergadering, waar alle leden zich dienden te identificeren, dat de heren [L.S.] en [S.] er waren, die meedeelden dat zij namens de B.V. aanwezig waren. Zij bleken niet door de B.V. te zijn gemachtigd om de B.V. te vertegenwoordigen. Mevrouw [V.] bleek wel over een volmacht te beschikken, getekend door de heer [J.W.] voor de B.V.. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van de heer [W.] is discutabel. Uit het handelsregister blijkt niet dat de heer [W.] bevoegd is om de B.V. te vertegenwoordigen.

Uit de notulen van de algemene ledenvergadering van 15 januari 2004 blijkt, dat de B.V. op zich geacht wordt rechtsgeldig vertegenwoordigd door mevrouw [V.] ter vergadering aanwezig te zijn geweest. Mevrouw [V.] heeft echter, nadat zij zich had verstaan met de heren [L.S.] en [S.], aan de notaris verzocht haar te ontheffen van haar taken als gevolmachtigd voorzitter. Het is onjuist dat de notaris mevrouw [V.] heeft geadviseerd om de volmacht in te trekken. De heren [L.S.] en [S.] konden in de zaal plaatsnemen voor de te houden bestuursverkiezingen. Zij hebben echter de vergadering vrijwillig verlaten.

Vervolgens heeft [H.] als indirect eigenaar (via zijn besloten vennootschappen) van 33 kavels op verzoek van de aanwezige stemgerechtigde leden en de notaris het voorzitterschap van de vergadering op zich genomen. [gedaagde sub 4] had [H.] zonodig - ervan uitgaande dat hij nog bestuurder was van de coöperatie - gemachtigd om eventueel namens hem als bestuurder op te treden. [Gedaagde sub 4] heeft pas bij aanvang van de onderhavige procedure geconstateerd dat hij al begin 2003 was uitgeschreven als bestuurder in het handelsregister. [H.] had echter de volmacht van [gedaagde sub 4] niet nodig om als voorzitter van de vergadering op te treden, omdat hij op grond van artikel 20 lid 2 sub a als lid bevoegd was het woord te voeren.

Vervolgens is, zoals ook blijkt uit de notulen, gestemd over de benoeming van het nieuwe bestuur. [Gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn met meerderheid van stemmen van de aanwezige stemgerechtigde leden gekozen tot bestuur, waarnaast nog een aantal commissies is vastgesteld. [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn op 15 januari 2004 rechtsgeldig gekozen. Dit besluit is het eerste rechtsgeldige besluit dat ooit door de algemene ledenvergadering is genomen.

3.4. Op hetgeen partijen overigens over en weer hebben aangevoerd, zal voor zoveel nodig bij de beoordeling worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Vooropgesteld wordt dat de wetgever de (coöperatieve) vereniging een zeker democratische karakter heeft willen geven. Dat blijkt met name uit artikel 2:37, lid 2, BW dat bepaalt dat elk lid van een (coöperatieve) vereniging middellijk of onmiddellijk aan de stemming over de benoeming der bestuurders moet kunnen deelnemen. Weliswaar bepaalt het derde lid van dat artikel dat de statuten kunnen bepalen dat één of meer der bestuursleden, mits minder dan de helft, door andere personen dan de leden worden benoemd, maar de wet staat niet toe dat enkele leden zichzelf voor langdurige tijd, zoals in casu, als bestuurder benoemen. Daarbij wordt geen uitzondering gemaakt voor het geval dat die leden de oprichters van de (coöperatieve) vereniging zijn. De benoeming van de B.V. en van [gedaagde sub 4] door henzelf bij de oprichting als enige bestuursleden totdat meer dan de helft van de kavels zullen zijn verkocht en tot medebestuursleden totdat alle kavels zullen zijn verkocht lijkt derhalve in strijd met het recht. Derhalve kan de B.V. op die bepaling niet met vrucht een beroep doen en moet er voorshands vanuit worden gegaan dat de B.V. en [gedaagde sub 4] niet als bestuurder van de (coöperatieve) vereniging kunnen worden aangemerkt.

4.2. Verder geldt dat noch mevrouw [B.] noch de heer [L.S.] door de algemene ledenvergadering zijn benoemd. Voorshands moet het er voor worden gehouden dat zij nooit bestuurder zijn geworden. Het feit dat zij op enig moment als bestuurder zijn ingeschreven in het handelsregister heeft voor de interne verhoudingen binnen de (coöperatieve) vereniging geen enkele juridische betekenis.

4.3. Vervolgens dient dan de vraag te worden beantwoord wie dan thans als bestuurder moeten worden aangemerkt. Daaromtrent is het volgende van belang. De B.V. heeft uitnodigingen verzonden voor het bijwonen van de vergadering van 15 januari 2004. De aan de notaris gerichte oproeping is, blijkens de redactie, gericht aan de leden, zodat aangenomen wordt dat een dergelijke oproeping ook aan de leden is verzonden. De oproeping vermeldt onder andere het voornemen om een penningmeester te kiezen. Die verkiezing was derhalve geagendeerd.

4.4. Gelet op het hiervoor onder 4.2. overwogene heeft de heer [L.S.] ten onrechte plaatsgenomen de bestuurstafel, evenals de heer [S.]. Gelet op de tekst van de uitnodiging (zie hierboven onder 2.6), die melding maakt van het aantreden van hen als de nieuwe voorzitter en nieuwe secretaris moet het er echter wel voor worden gehouden dat in de vergadering aan de orde zou zijn (althans kunnen komen) het verkiezen die nieuwe bestuurleden.

4.5. Vervolgens hebben de aanwezige leden, onder leiding van [H.], die het met de voorstellen van het zittende bestuur niet eens waren, zelf kandidaten voorgesteld en zijn [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] gekozen door de aanwezige leden die hun stem hebben uitgebracht. Voorshands moet worden aangenomen dat die verkiezing rechtsgeldig is geschied. Voorzover rechtens geoorloofd verzetten de bepalingen van de statuten zich daar niet tegen.

4.6. Dat niet alle leden bij de stemming aanwezig waren of daaraan hebben deelgenomen, is niet van belang, ook niet nu het de B.V. betreft. De B.V. heeft zich op de algemene ledenvergadering doen vertegenwoordigen door mw. [V.], waarbij - al aangenomen dat die vertegenwoordiging rechtsgeldig geacht kan worden - het optreden van genoemde vertegenwoordigster voor rekening en risico voor de B.V. komt.

4.7. De vermelding in het verslag van de vergadering van 15 januari 2004 dat "de oprichters zitting houden in het bestuur" is kennelijk ingegeven door het bepaalde in artikel 15, lid 5, van de statuten, maar daaraan is, zo wordt hier om boven reeds genoemde redenen aangenomen, een onjuiste toepassing gegeven. Naar het oordeel (dat in een kort geding slechts voorlopig kan zijn) van de rechter zijn op dit moment slechts [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] als bevoegde bestuurders aan te merken.

4.8. Hieruit dient de conclusie te worden getrokken dat de B.V. niet bevoegd is de coöperatie te vertegenwoordigen. Gelet op het feit de coöperatie in dit geding niet wordt vertegenwoordigd door [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3], is de coöperatie in dit geding dan ook niet rechtsgeldig verschenen.

4.9. Voorts volgt uit het bovenstaande dat aan de vorderingen van de B.V. ten aanzien van [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] een juiste grondslag ontbreekt. Bovendien zijn er geen aanwijzingen van wangedrag of anderszins onbehoorlijk bestuur van deze bestuursleden welke in het belang van de coöperatie en/of bepaalde leden nopen tot een zekere voorziening jegens hen. De vorderingen zullen daarom jegens [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] worden afgewezen.

4.10. Wellicht ten overvloede merkt de rechter op dat de B.V. haar rechten uit hoofde van het lidmaatschap van de coöperatie kan gebruiken om te proberen op reguliere weg de benoeming van een haar welgevallig bestuur te bereiken.

4.11. De B.V. heeft als eigenaar van een aantal kavels en derhalve als lid, er wel belang bij dat [gedaagde sub 4] zich niet meer afficheert als bestuurder van de coöperatie en zich onthoudt van het verrichten van rechtshandelingen namens de coöperatie. [gedaagde sub 4] heeft ter zitting te kennen gegeven geen bestuurder te wíllen zijn van de coöperatie en heeft geen serieus verweer gevoerd tegen het onder 1. gevorderde. Daarentegen heeft [gedaagde sub 4] zich niet ontzien om tijdens de vergadering van 15 januari 2004 een bestuurderspretentie te laten gelden. Het onder 1. gevorderde kan ten aanzien van [gedaagde sub 4] dan ook worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en er zal een rechterlijke matigingsbevoegdheid van de hierna te vermelden inhoud aan worden verbonden.

4.12. [gedaagde sub 4] is niet meer als bestuurder ingeschreven in het handelsregister. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde sub 4] sedert 1 december 2003 anderszins rechtshandelingen namens de coöperatie heeft verricht. Het onder 2 gevorderde zal ook te zijnen aanzien worden afgewezen.

4.13. De B.V. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1. verstaat dat de coöperatie niet rechtsgeldig is verschenen;

5.2. verbiedt [gedaagde sub 4] onmiddellijk na betekening van het vonnis zich te afficheren als bestuurder van de coöperatie en gebiedt [gedaagde sub 4] zich ervan te onthouden om namens de coöperatie (rechts)handelingen, van welke aard ook, te verrichten;

5.3. veroordeelt [gedaagde sub 4] tot betaling aan de B.V. van een dwangsom ten bedrage van € 1.000,-- voor elke dag en iedere keer, dat hij in strijd zal handelen met voornoemd verbod of enig gedeelte daarvan, met dien verstande dat deze dwangsomsanctie vatbaar zal zijn voor matiging door de rechter, voorzover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5. veroordeelt de B.V. in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de wederpartij begroot op € 944,00, waarvan € 703,00 salaris procureur en € 241,00 verschotten;

5.6. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.M. Strijbos, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 maart 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.