Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2004:AO5646

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-03-2004
Datum publicatie
16-03-2004
Zaaknummer
106365 / KG ZA 04-78
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Moeder verlaat huurwoning met achterlating van haar beide dochters en vordert in kort geding ontruiming door de dochters van die woning. Moeder kan zich niet bevrijden van de verplichting om voor haar minderjarige dochter te zorgen door deze daarvoor te verwijzen naar diens meerderjarige zuster. Het gaat thans niet aan de minderjarige dochter uit huis te zetten, zonder dat voor haar in andere vervangende huisvesting is voorzien. Belang van de meerderjarige dochter is zodanig met dat van de minderjarige dochter verbonden dat ook ten aanzien van haar de gevraagde voorziening niet kan worden gegeven. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

VONNIS IN KORT GEDING

Zaaknummer : 106365 / KG ZA 04-78

Datum uitspraak: 16 maart 2004

Vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [H],

eiseres in conventie bij exploot van dagvaarding van 11 februari 2004,

verweerster in reconventie,

procureur mr. W.P. de Leeuw,

advocaat mr. Th.J.J. Dierichs te [[H], gemeente [X],

tegen:

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie;

procureur mr. H.J.M. Goossens.

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

optredend in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [M.K.],

gedaagde in conventie bij gemeld exploot,

eiser in reconventie,

procureur mr. H.J.M. Goossens.

Partijen zullen hierna onder meer ook met enerzijds "moeder" en anderzijds al naar gelang hun positie met "gedaagden", of "de dochters" of "vader" worden aangeduid.

1. De procedure

1.1. Moeder heeft in kort geding in conventie gesteld en gevorderd zoals hierna verkort is weergegeven.

1.2. De procureur van [moeder] heeft de vordering ter terechtzitting toegelicht, mede aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities met producties.

1.3. Gedaagden hebben verweer gevoerd tegen de vordering in conventie. De vader van [MK] heeft vervolgens in reconventie gesteld en gevorderd zoals hierna verkort is weergegeven. De procureur van gedaagden heeft dit verweer en de eis in reconventie ter terechtzitting toegelicht, mede aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities tevens eis in reconventie.

1.4. De procureur van [moeder] heeft verweer gevoerd in reconventie.

1.5. Na gevoerd debat hebben partijen vonnis gevraagd.

2. De feiten

2.1. Moeder is gehuwd geweest met vader en samen hebben zij vier kinderen. Gedurende het huwelijk woonden zij in de woning aan de [adres] te [woonplaats]. Ongeveer zes jaar geleden zijn zij van echt gescheiden. Daarbij heeft vader de woning verlaten en is gaan wonen op het nabijgelegen adres [adres].

2.2. Moeder is blijven wonen aan de [adres] en tussen vader en moeder is de afspraak gemaakt dat vader de schulden zou betalen en moeder voor de kinderen zou zorgen. Die afspraak is ook uitgevoerd. Moeder en vader hebben thans gezamenlijk het ouderlijk gezag over de twee minderjarige kinderen.

2.3. De kinderen zijn [gedaagde sub 1] (thans 23 jaar); [AK] (thans 19 jaar); [MK] (thans 17 jaar) en [AK2] (thans 14 jaar). [gedaagde sub 1] is een jaar geleden en [AK] zelfs al enige jaren geleden uit de woning vertrokken, maar [gedaagde sub 1] is daarin op verzoek van haar zieke moeder in de zomer van 2003 met het oog op de ondersteuning van haar moeder en twee jongste zusjes teruggekeerd.

2.4. [AK2] is op 18 november 2003 tijdens een gezinscrisis uit huis gegaan en is bij vader gaan wonen. Moeder is diezelfde dag weggegaan en bij een vriend in [plaatsnaam] gaan logeren. [Gedaagde sub 1] en [MK] bleven in het huis achter. [gedaagde sub 1] heeft werk en verdient daarmee een inkomen van ongeveer € 1.100,-- per maand. Moeder heeft te kennen gegeven niet meer naar [woonplaats] te zullen terugkeren en heeft zich gevestigd in [H]. Daarbij heeft zij de zorg voor haar minderjarige kinderen in alle opzichten (dus ook financieel) aan anderen (waarbij zij kennelijk het oog heeft op vader en [gedaagde sub 1]) overgelaten. Er is toen gesproken over de mogelijkheid van overname van de huur van de woning aan de [adres] door [gedaagde sub 1], doch daarvan is niets terecht gekomen.

2.5. Bij brief van 28 november 2003 heeft [moeder] de huur van de woning aan de verhuurder, Wocom, opgezegd. Bij brief van 21 januari 2004 heeft moeder [gedaagde sub 1] en [MK] gesommeerd de woning binnen acht dagen met medeneming van al het hunne te verlaten en ontruimd met afgifte van de sleutels aan moeder ter beschikking te stellen. Dit met dreiging van een kort geding en aanzegging van een vordering wegens schadevergoeding.

2.6. Inmiddels heeft Wocom moeder in een geding betrokken om ontbinding van de huur, betaling van achterstallige huurpenningen en ontruiming van de woning te verkrijgen. Die zaak staat thans voor antwoord zijdens moeder.

3. Het geschil in conventie en in reconventie

3.1. [Moeder] vordert in conventie - kort gezegd -

(a) dat de dochters bij vonnis uitvoerbaar voorraad zullen worden veroordeeld de woning aan de [adres] te [woonplaats] c.a. binnen drie dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen, en

(b) dat zij zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding.

3.2. Moeder legt hieraan ten grondslag dat de dochters de woning zonder recht of titel bewonen. Doordat zij de woning blijven gebruiken kan er geen eindcontrole door Wocom plaatsvinden, zodat de huurverhouding tussen moeder en Wocom niet kan eindigen en moeder aansprakelijk blijft voor de huurpenningen en verdere vaste lasten. Aldus handelen zij jegens haar onrechtmatig.

3.3. Zij heeft een spoedeisend belang bij de vordering omdat zij zolang de huurverhouding niet is geëindigd financieel aansprakelijk blijft voor de huurpenningen, etc. terwijl zij daarvoor gelet op haar geringe inkomen en hoge schuldenlast geen middelen ter beschikking heeft.

3.4. Gedaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op grond van het feit dat moeder het ouderlijk gezag over [MK] (en [AK2]) heeft, is moeder gehouden haar op te voeden en te verzorgen. Tot die verzorging behoort behalve het verschaffen van kleding en voeding ook het verschaffen van onderdak. Daarmee is een vordering tot ontruiming niet te verenigen. Bovendien kunnen de beide dochters nergens heen. Naast [AK2] heeft vader geen mogelijkheid om ook [gedaagde sub 1] en [MK] te huisvesten; daarvoor is zijn woning te klein.

3.5. Vader vordert in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [MK] in reconventie,

(i) voorzover mogelijk mede namens haar jongere zusje [AK2], dat moeder veroordeeld zal worden de huur en bijbehorende kosten als die voor gas, water en elektra en opleiding, te blijven betalen totdat [gedaagde sub 1] de huurovereenkomst heeft overgenomen en in ieder geval, ongeacht het voormelde, totdat [MK] meerderjarig wordt, dus tot 22 augustus 2004, en

(ii) voorzover mogelijk mede namens [gedaagde sub 1] en [AK2], dat moeder verplicht zal worden alle medewerking te verlenen om de huurovereenkomst met Wocom zo spoedig mogelijk op naam van [gedaagde sub 1] gesteld te krijgen, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 100,-- per dag,

(iii) met veroordeling van moeder in de kosten van het geding.

3.6. Vader legt aan deze vordering ten grondslag dat moeder op grond van het feit dat zij het ouderlijk gezag over [MK] en [AK2] heeft, gehouden is hen op te voeden en te verzorgen. Tot die verzorging behoort behalve het verschaffen van kleding en voeding ook het verschaffen van onderdak. Een sanctie op het niet naleven van deze verplichting kan onder meer zijn een veroordeling tot het betalen van levensonderhoud op de voet van artikel 1:406 BW. Die verplichting zou vorm gegeven kunnen worden door betaling van een geldelijke vergoeding aan de minderjarige kinderen teneinde hen in staat te stellen voedsel en kleding voor zich zelf te kopen en de huur en vaste lasten te voldoen teneinde zich te voorzien van onderdak.

3.7. Moeder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, hetwelk neerkomt op het volgende:

(1) vader heeft ten onrechte niet de beschikking over de machtiging van de kantonrechter ex artikel 1:349 BW (jo. 1:253k BW) om voor de minderjarige in rechte als eisende partij op te treden, zodat hij niet ontvankelijk moet worden verklaard;

(2) met betrekking tot de vordering onder (ii) geldt dat moeder daarmee rauwelijks wordt geconfronteerd. Zij wenst niets liever dan dat de huur op naam van [gedaagde sub 1] komt en zal zeker haar medewerking verlenen en heeft die ook nooit geweigerd; het is juist vader die daaraan zijn medewerking heeft onthouden;

(3) de rechter is verder onbevoegd om van de vordering kennis te nemen. Volgens artikel 1:406 BW moet daarvoor immers een verzoek bij de rechtbank worden ingediend;

(4) subsidiair voert moeder aan dat haar de middelen ontbreken om iets aan of voor de dochters te betalen;

(5) meer subsidiair betwist zij dat zij tot betaling (van al hetgeen wordt gevorderd) gehouden is. Immers [gedaagde sub 1] dient in haar eigen onderhoud (waaronder de huur en vaste lasten voor de onderhavige woning) te voorzien en voor [MK] dient ook vader op te komen.

3.8. Op hetgeen partijen overigens over en weer hebben aangevoerd zal voor zoveel nodig bij de beoordeling worden ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie:

4.1. Als ouder van de minderjarige [MK] heeft moeder de plicht haar te verzorgen en op te voeden. Zij kan zich van die verplichting niet bevrijden door [MK] daarvoor (al of niet stilzwijgend) te verwijzen naar [gedaagde sub 1]. De rechter kan zich gelet op alle omstandigheden van het geval zoals die ter terechtzitting naar voren zijn gekomen voorstellen dat die opvoeding en verzorging niet altijd even gemakkelijk voor moeder zijn geweest, maar dat kan in ieder geval niet rechtvaardigen om [MK] domweg achter te laten en ze aan haar lot over te laten. Het gaat daarom ook niet aan om haar uit het huis te zetten, zonder dat voor haar in andere vervangende huisvesting is voorzien.

4.2. Ten aanzien van [gedaagde sub 1] geldt de onderhoudsverplichting niet, maar ten opzichte van haar is van belang dat zij op verzoek van moeder weer in de woning is teruggekeerd, juist om haar te helpen met de verzorging van [MK]; [gedaagde sub 1] neemt in zekere zin de plaats in van moeder hetgeen moeder kennelijk ook heeft beoogd en thans nog steeds beoogt. Het belang van [gedaagde sub 1] is dan ook zodanig verbonden aan dat van [MK] dat ook ten aanzien van [gedaagde sub 1] de gevraagde voorziening niet kan worden gegeven.

4.3. Bovendien brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid, welke de verhouding tussen moeder en [gedaagde sub 1] beheersen, mee dat moeder ontruiming door [gedaagde sub 1] op een zo korte termijn niet kan verlangen.

Hetgeen moeder heeft aangevoerd omtrent haar beperkte middelen en haar wens om die in te zetten voor haar beoogde nieuwe woonsituatie in of rond [plaatsnaam], doet aan het bovenstaande niet af.

4.4. Het bovenstaande betekent dat de vordering zal worden afgewezen.

4.5. Gelet op de familieverhouding zullen de kosten tussen partijen worden gecompenseerd.

in reconventie:

4.6. Vader treedt in dit geding in de conventie op als wettelijk vertegenwoordiger van [MK]; als zodanig is hij ook gedagvaard. Dat houdt in dat hij ook alleen in die hoedanigheid een vordering in reconventie kan instellen. Voorzover hij dat beoogt te doen namens [AK2] en [gedaagde sub 1] is hij niet ontvankelijk.

4.7. Vader heeft erkend dat hij geen machtiging van de kantonrechter heeft om namens [MK] een eis in rechte in te stellen. Dat betekent echter niet dat hij niet ontvankelijk is. Het gaat hier immers om een kort geding, waarin die eis van het hebben van een dergelijke machtiging wegens de spoedeisendheid van de zaak niet onverkort geldt. De rechter neemt ook aan dat het de spoedeisendheid van de zaak is die haar er vanaf hebben doen zien om op de voet van artikel 1:250 BW benoeming van een bijzondere curator te vragen en in dat opzicht te vertrouwen op de vertegenwoordiging van [MK] door vader. Onder die omstandigheden doet het bizar aan dat zij zich thans beroept op het ontbreken van de machtiging aan de zijde van vader.

Bovendien gaat het hier in feite voor wat betreft de vordering onder (i) om een voorschot op een alimentatie-uitkering waarbij die eis in het algemeen niet geldt. De rechter acht vader daarom ontvankelijk in zijn vordering.

4.8. De reconventionele vorderingen strekken ertoe dat moeder zal worden gelast er voor te zorgen dat in ieder geval [MK] in de woning zal kunnen verblijven tot haar achttiende jaar door het betalen van de huurpenningen voor die woning. De afwijzing van de vordering tot ontruiming van die woning in conventie heeft evenwel tot gevolg dat moeder in beginsel voor de huurlasten moet blijven opkomen, zodat de beide dochters bij de gevraagde voorziening geen belang hebben. Dat ligt anders wanneer in de door Wocom tegen moeder aanhangig gemaakte procedure tot ontbinding van de huur en ontruiming van de woning een toewijzend vonnis zal zijn gewezen, maar in dat geval heeft de gevraagde voorziening zijn zin verloren.

Deze komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking.

4.9. Voorzover deze vorderingen er tevens toe strekken dat moeder wordt veroordeeld tot betaling van een voorschot op de later nog nader te bepalen onderhoudsverplichtingen, is de rechter van oordeel dat een zinnig oordeel hieromtrent een veel verdergaand inzicht vereist in de financiële positie van alle betrokkenen dan op grond van de aangereikte gegevens mogelijk is. Omtrent de financiële positie (draagkracht en behoeften) van vader, [gedaagde sub 1] en [MK] (en [AK2]) is nagenoeg niets meegedeeld, laat staan aannemelijk gemaakt. Ook deze voorziening kan niet worden gegeven.

4.10. Voor wat betreft de gevraagde veroordeling tot medewerking aan huuroverzetting op naam van [gedaagde sub 1] (vordering onder (ii)) is onvoldoende aannemelijk geworden dat moeder tot die medewerking niet bereid zou zijn geweest indien daarom eerder dan bij de behandeling van het kort geding was gevraagd. Er is daarom onvoldoende grond om de gevraagde voorziening te geven.

4.11. De gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd.

4.12. Gelet op de familieverhoudingen zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie:

5.1. wijst de vordering af;

5.2. compenseert de kosten aldus dat ieder de eigen kosten draagt;

in reconventie:

5.3. verklaart vader niet ontvankelijk voorzover hij de vordering namens [gedaagde sub 1] en [AK2] heeft ingesteld;

5.4. weigert de gevraagde voorzieningen;

5.5. compenseert de kosten aldus dat ieder de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.M. Strijbos, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 maart 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.