Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2004:AO5530

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-03-2004
Datum publicatie
12-03-2004
Zaaknummer
331804
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek ontbinding arbeidsovereenkomst ex artikel 7:685 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K 's - H E R T O G E N B O S C H

KANTONRECHTER te 's-HERTOGENBOSCH

Zaaknummer : 331804

EJ verz. : 04-578

Uitspraak : 9 maart 2004

JJ

BESCHIKKING

in de zaak van:

[verzoekster].,

gevestigd en kantoorhoudende te 's-Hertogenbosch,

verzoekster,

gemachtigde: mr. M. van der Schoor ([adres]),

t e g e n :

[ver[verweerder],

wonende te Berkel Enschot,

verweerder,

gemachtigde: mr. M. Kokx ([adres]).

1. DE PROCEDURE

Het op 5 februari 2004 ter griffie van de rechtbank, sector kanton, locatie 's-Hertogenbosch, ingekomen verzoekschrift strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, welke in het vervolg zullen worden aangeduid als "[verzoekster]" en "[verweerder]". Zijdens [verweerder] is een verweerschrift ingediend. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 februari 2004. Deze heeft gelijktijdig plaatsgevonden met het door [verweerder] aanhangig gemaakte kort geding (alhier bekend onder zaaknummer 330956, rolnummer 04-683). De in deze procedure overgelegde stukken dienen als volledig ingelast en overgenomen te worden beschouwd. Partijen hebben bij deze gelegenheid de zaak doen bepleiten door hun gemachtigden. De gemachtigde van [verzoekster] heeft hierbij gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die aan de kantonrechter zijn overgelegd. Na gevoerd debat is de beschikking bepaald op heden.

2. DE VASTSTAANDE FEITEN

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen het volgende vast. [verweerder] is sedert 1 januari 2001 in dienst van (de rechtsvoorgangster van) [verzoekster], laatstelijk als lid van de Raad van Bestuur (verder te noemen: RvB) tegen een bruto salaris van 4.488,72 euro per maand (exclusief 8 % vakantiegeld en 3,5 % eindejaarsuitkering). [verweerder] is thans 34 jaar oud. [verweerder] is op 1 januari 2001 in dienst getreden va[stichting A] in de functie van directeur. [stichting A] is met ingang van 1 juli 2003 door middel van bestuurlijke integratie deel gaan uit maken van [verzoekster]. De andere twee dochterstichtingen van [verzoekster], te weten [stichting B] en [stichting C], waren reeds onderdeel van [verzoekster]. De bestuurlijke integratie is aangegaan onder de voorwaarde dat twee leden van het bestuur van [stichting A] lid van de Raad van Toezicht van [verzoekster] zouden worden en dat [verweerder] directeur Zorg van de Raad van Bestuur van [verzoekster] zou worden. Het bestuur van [verzoekster] is tweehoofdig en bestaat uit de voorzitter, te weten [de voorzitter], en [verweerder]. [verweerder] is op 19 januari 2004 op non-actief gesteld.

3. HET GESCHIL

3.1. [verzoekster] grondt het verzoek op de stelling dat gewichtige redenen bestaan om de bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden. [verzoekster] voert daartoe aan dat zich een verandering in de omstandigheden heeft voorgedaan die van dien aard is dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Ter toelichting op deze stellingname heeft [verzoekster], kort weergegeven, het volgende aangevoerd.

[verweerder] was gezien zijn functie als directeur van [stichting A] de 'geoormerkte' kandidaat voor de onderhavige functie. De Raad van Toezicht van [verzoekster] (verder te noemen: RvT) heeft zich wel gerealiseerd dat hij niet vanzelfsprekend de kwaliteiten bezat voor de functie van lid van de RvB. Hij heeft [verweerder] dan ook een assessment laten ondergaan. Het advies naar aanleiding van dit assessment was positief onder voorbehoud. Partijen hebben besloten dat [verweerder] zich zou laten bijstaan door een coach. Ook zouden [de voorzitter] en hij zich gezamenlijk laten coachen. De samenwerking tussen [de voorzitter] en [verweerder] is voor zijn benoeming reeds gestart, te weten in februari 2003. Van meet af aan zijn er problemen in de samenwerking geweest. Gelet op deze problemen heeft de RvT in september 2003 een coach ingeschakeld, zijnde [d[de coach]. De RvT heeft hem opdracht gegeven om de vastgelopen samenwerking vlot te trekken. Eind november 2003 is het coachingstraject op instigatie van [de voorzitter] gestaakt. Ook [verweerder] vond voortzetting van het traject niet langer zinvol. [de coach] heeft op verzoek van de RvT een Beoordeling op Hoofdlijnen opgesteld (productie 7 bij het verzoekschrift). Hij heeft geconcludeerd dat [verweerder] de al lang vastgestelde portefeuilleverdeling binnen de RvB ter discussie bleef stellen. Daarnaast heeft hij geconcludeerd dat tussen [de voorzitter] en [verweerder] grote ongelijkheid bestond, hetgeen werd veroorzaakt door het grote verschil in ervaring tussen beiden. Hierdoor heeft de tweehoofdige leiding feitelijk niet bestaan. De problemen van [verzoekster] waren dermate urgent, dat er geen tijd was om [verweerder] voldoende ervaring op te laten doen teneinde het vereiste functieniveau te behalen. Bovendien betwijfelde [de coach] of [verweerder] beschikte over voldoende inzicht in politiek-bestuurlijke processen en het benodigde analytisch denkkader. Naar aanleiding van deze beoordeling heeft de RvT besloten tot beëindiging van het dienstverband met [verweerder], hetgeen hem op 5 december 2003 is meegedeeld. De RvT heeft de ondernemingsraad advies gevraagd over dit besluit. Deze heeft zich onthouden van een inhoudelijk advies.

De pers heeft verschillende artikelen gepubliceerd over de ontstane problemen bij [verzoekster]. Onder de medewerkers is grote onrust ontstaan, met name bij [stichting A]. De besluitvorming in de RvB kwam steeds meer in gevaar. Om die reden is [verweerder] op 19 januari 2004 met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld. [de voorzitter] is sinds jaren lid van de RvB. Haar functioneren heeft nimmer ter discussie gestaan. Ook heeft zij in het verleden nimmer problemen ondervonden met de andere directeuren Zorg. Dit betekent dat gezien de ontstane situatie [verzoekster] geen andere keuze heeft dan het dienstverband van [verweerder] te beëindigen. Aangezien hiervan aan geen van beide partijen een verwijt valt te maken, is [verzoekster] bereid een vergoeding te betalen met factor C=1. Aan artikel 16 van de arbeidsovereenkomst, dat in geval van een ontbinding van de arbeidsovereenkomst een minimale vergoeding aan [verweerder] toekent, komt geen betekenis toe, daar partijen de overeenkomst nimmer hebben ondertekend.

3.2. [verweerder] heeft tegen het verzoek onder meer het navolgende tot verweer aangevoerd.

Alle betrokken partijen, waaronder de OR, hebben positief geadviseerd omtrent de benoeming van [verweerder] als lid van de RvB. Het advies naar aanleiding van het assessment was positief. Er zijn weliswaar aandachtspunten geformuleerd, maar er is geen sprake geweest van een voorbehoud. [de voorzitter] heeft de samenwerking met [verweerder] vanaf het begin tegengewerkt, omdat zij van mening was dat hij niet capabel was voor de functie. [verweerder] heeft daarentegen terecht de taakverdeling aan de orde gesteld, daar deze niet voldoende geoperationaliseerd en helder was. Er zijn verschillende coaches aangesteld om de samenwerking op gang te brengen. [de voorzitter] heeft al deze trajecten eenzijdig beëindigd. Er is aldus sprake geweest van onwil aan haar zijde. Uit het verslag van het assessment en de rapportages van de verschillende coaches blijkt dat [verweerder] wel degelijk geschikt is voor de onderhavige functie. Uit de door [de coach] opgestelde Beoordeling op Hoofdlijnen blijkt niet van het tegendeel. Dat er voor [verweerder] geen tijd was om 'on the job' ervaring op te doen is niet te wijten aan de urgentie van de problemen bij [verzoekster], maar aan de onwil en het wantrouwen van [de voorzitter].

De situatie is op 27 november 2003 in de RvT besproken. De heer [X], lid van de RvT, heeft zijn twijfels geuit over de conclusie van [de coach] dat [verweerder] onvoldoende capaciteiten zou hebben. [X] is inmiddels geschorst. De RvT heeft zich eenzijdig opgesteld en nimmer het functioneren van [de voorzitter] ter discussie gesteld. Er waren geen gronden aanwezig voor de op non-actiefstelling. Bovendien is [verweerder] eerst na verloop van zes weken na de mededeling van het besluit tot beëindiging van het dienstverband op non-actief gesteld. De medewerkers van [stichting A] hebben het vertrouwen opgezegd in de RvT en [de voorzitter].

Partijen hebben overeenstemming bereikt over de inhoud van de arbeidsovereenkomst. Hierin is bepaald dat in een situatie als de onderhavige [verzoekster] een mediator dient in te schakelen. In plaats daarvan heeft zij onmiddellijk beëindiging nagestreefd. Daarnaast heeft [verzoekster] ten onrechte geen advies aan de cliëntenraad gevraagd. [verweerder] verzoekt primair afwijzing van het verzoek tot ontbinding. Subsidiair verzoekt hij ontbinding onder toekenning van een vergoeding van ? 60.000,00. In artikel 16 van de arbeidsovereenkomst is immers bepaald dat [verweerder] bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst recht heeft op een vergoeding van minimaal één jaarsalaris. Daarnaast verzoekt hij toekenning van een vergoeding voor immateriële schade van ? 20.000,00. [verzoekster] heeft immers aan de pers meegedeeld dat zij beëindiging van de arbeidsovereenkomst nastreefde, omdat [verweerder] onder de maat zou presteren. Eén en ander is zeer schadelijk geweest voor [verweerder].

3.3. Op hetgeen partijen over en weer nog hebben aangevoerd zal hierna, bij de beoordeling, worden teruggekomen.

4. DE BEOORDELING

4.1. Gesteld noch gebleken is dat het verzoek verband houdt met één van de opzegverboden van artikel 7:647, 648, 670 en 670a BW of met enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

4.2. [verweerder] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling volhard in zijn standpunt dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst dient te worden afgewezen. Hij heeft hieromtrent aangevoerd dat zijn terugkeer binnen [verzoekster] moeilijk zal zijn, maar niet onmogelijk. Volgens hem lost zijn vertrek het ontstane conflict niet op, aangezien het conflict zijns inziens over de taakverdeling na de fusie gaat. Er dient wel een mediator te worden ingeschakeld, aldus [verweerder]. Dit standpunt strookt niet met het eveneens door hem ingenomen standpunt dat hij onder erbarmelijke omstandigheden heeft gewerkt. Hij heeft erkend dat de samenwerking is mislukt. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat hij ernstig is beschadigd door de ontstane situatie. Gelet op deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat de vertrouwensbreuk tussen partijen dermate ernstig is dat terugkeer van [verweerder] niet reëel is. Dit betekent dat er voldoende feitelijke grondslag is om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden.

4.3. Vervolgens dient te worden beoordeeld of aan [verweerder] ten laste van [verzoekster] een vergoeding zal worden toegekend en, zo ja, tot welk bedrag. Daarbij is van belang of aan één van beide partijen een verwijt valt te maken van de ontstane situatie. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

4.4. [verzoekster] baseert het onderhavige verzoekschrift op de Beoordeling op Hoofdlijnen, opgesteld door [de coach] in december 2003 (overgelegd als productie 7 bij het verzoekschrift). [de coach] heeft in zijn beoordeling onder meer vermeld: "In de praktijk heeft deze portefeuilleverdeling niet gewerkt. Niet alleen omdat er zich continu domeindiscussies voordoen, maar vooral ook omdat de feitelijke personele invulling van de Raad van Bestuur op dit moment als ongelijk is aan te merken. Op de eerste plaats is er sprake van een gepercipieerde ongelijkheid. [de voorzitter] is van mening dat de heer [verweerder] over onvoldoende kwaliteiten beschikt om als lid van de Raad van Bestuur te functioneren. Tijdens het coachingsproces heeft zij dit punt veelvuldig benadrukt. Deze opvatting en het gegeven dat hier bij herhaling blijk van werd gegeven heeft een schadelijke invloed op het functioneren van de heer [verweerder] gehad. Ik sluit niet uit, en acht het zelfs waarschijnlijk, dat deze opvatting van [de voorzitter] ook elders in de organisatie, buiten de kring van de Raad van Bestuur, bekend is geraakt. Als dat zo is, dan is dat dodelijk voor de beeldvorming omtrent de leiding van de organisatie. Daarnaast is er sprake van een feitelijke ongelijkheid. Deze vloeit voort uit het grote verschil in ervaring in de aansturing van organisaties, zowel wat betreft duur als complexiteit en grootte van de organisaties. Het verschil tussen [de voorzitter] en de heer [verweerder] op dit punt is van dien aard, dat er vanaf het begin de facto geen tweehoofdige leiding, met slechts een inhoudelijke verdeling van portefeuilles, heeft gefunctioneerd. Hoewel het in beginsel natuurlijk zo is dat iemand in een nieuwe functie kan groeien en de ervaring kan opdoen die nodig is voor een adequaat functioneren, ontbreekt het naar mijn mening aan de tijd om de heer [verweerder] dit traject on - the - job te laten doorlopen. Overigens betwijfel ik ook of het inzicht in politiek-bestuurlijke processen en het daarvoor benodigde analytisch denkkader bij de heer [verweerder] van voldoende niveau is, om - minimaal op termijn - op gezaghebbende wijze leiding te geven aan een relatief grote en complexe organisatie als [verzoekster] en daarvoor eindverantwoordelijkheid te dragen. Mijn conclusie is dat een tweehoofdige leiding met [de voorzitter] en de heer [verweerder] vanaf het begin gedoemd was om te mislukken."

4.5. Zoals blijkt uit het verslag van het gesprek tussen de RvT en [verweerder] van 5 december 2003 (productie 3 bij het verweerschrift) is de twijfel die [de coach] in de Beoordeling heeft geuit de doorslaggevende factor geweest bij het besluit van de RvT om beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] na te streven. Op welke grond [de coach] - en daarmee [verzoekster] - tot de conclusie is gekomen dat [verweerder] onder de maat presteert, is echter niet duidelijk. De enige kritiek die is geuit betreft het verwijt van [verzoekster] aan [verweerder] dat hij de taakverdeling binnen de RvB ter discussie is blijven stellen, terwijl deze verdeling reeds lange tijd voor zijn aantreden was vastgesteld. Hoewel op zichzelf juist is dat de taakverdeling is vastgelegd in de functieomschrijving, het Reglement RvB en de Taakverdeling RvB, verdient opmerking dat deze verdeling slechts in algemene bewoordingen is beschreven. Daarnaast geldt dat verschillende coaches de taakverdeling met [verweerder] en [de voorzitter] hebben besproken. Ook in het traject onder begeleiding van [de coach] blijkt dit onderwerp van gesprek te zijn geweest (zie productie 6 bij het verzoekschrift). Onder leiding van [de coach] hebben partijen immers de taken met betrekking tot het extern overleg tussen hen beiden verdeeld. Dat [verweerder] de taakverdeling ter discussie heeft gesteld lijkt dan ook terecht. Ook uit de rapportages van de andere coaches valt niet af te leiden dat [verweerder] onder de maat zou hebben gefunctioneerd. [verzoekster] heeft hieromtrent aangevoerd dat de bevindingen van de andere coaches niet van belang zijn, aangezien alleen het traject met [de coach] in opdracht van de RvT is gestart. Dit is echter niet van belang, daar vaststaat dat zowel [verweerder] als [de voorzitter] zich bereid hebben verklaard aan de trajecten deel te nemen. Ook de stelling van [verzoekster] dat reeds voor het aantreden van [verweerder] was gebleken dat hij onvoldoende geschikt was voor de onderhavige functie, nu het advies voortvloeiende uit het assessment positief onder voorbehoud luidde, dient te worden verworpen. Dat een voorbehoud is gemaakt valt immers uit geen van de stukken af te leiden. Wel staat vast dat de betreffende psycholoog aandachtspunten heeft geformuleerd. Dit moet echter als gebruikelijk worden beschouwd.

4.6. Na lezing van de rapportages van de verschillende coaches lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat [de voorzitter] van meet af aan geen vertrouwen heeft gehad in het functioneren van [verweerder] als directeur Zorg. Zo blijkt uit de rapportage van [coach 2] (overgelegd als productie 17 bij de dagvaarding in kort geding) dat [de voorzitter] reeds op 5 juni 2003, aldus voor de officiële benoeming van [verweerder] op 1 juli 2003, heeft meegedeeld dat zij van mening was dat [verweerder] niet het niveau had om zijn deel van het project tot een goed einde te brengen (waarbij [coach 2] overigens opmerkt dat hij deze observatie niet deelt). Reeds drie weken na de benoeming heeft zij in een e-mail geconcludeerd dat "een verder gesprek tussen ons tweeën over de raakvlakken van onze functies niet zinvol is en leg deze kwestie dan ook neer bij de RvT"' (productie 5 bij de dagvaarding in kort geding). Daarnaast geldt dat [de voorzitter] de coachingstrajecten, waaronder ook het traject van [de coach], eenzijdig heeft beëindigd.

Uit het verslag van het gesprek tussen de RvT en [verweerder] op 5 december 2003 (productie 3 bij het verweerschrift) blijkt dat ook de RvT van mening was dat [de voorzitter] zich op zijn zachtst gezegd niet constructief heeft opgesteld. In het verslag is immers onder meer vermeld dat [Y], voorzitter van de RvT, heeft aangegeven: "dat de Raad van Toezicht vindt dat [de voorzitter] zich arrogant, docerend en kleinerend opgesteld heeft terwijl van haar juist verwacht werd dat zij een ondersteunende en coachende rol zou vervullen." Daarnaast benadrukt [Y] dat [verweerder] wordt beschouwd als "slachtoffer". De verklaring van [X] spreekt in dit kader eveneens voor zich. Voorts is onduidelijk gebleven waarom [verzoekster] [verweerder] eerst zes weken na het besluit tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst op non-actief heeft gesteld.

Dit alles in acht nemend is de kantonrechter van oordeel dat [verzoekster], zoals [de coach] heeft gesteld, een verkeerde strategische keuze heeft gemaakt door een tweehoofdig bestuur aan te stellen. Gesteld noch gebleken is dat [verzoekster] heeft getracht in te grijpen in de groeiende problemen binnen de RvB. Zij was ervan op de hoogte dat [verweerder] diende te groeien in zijn functie. Zoals ook [de coach] heeft opgemerkt is hem de daarvoor benodigde tijd niet gegund. Dat [verzoekster] als gevolg van de fusie wellicht over te weinig tijd beschikte om [verweerder] op te leiden dient voor haar risico te komen. Het feit dat [verweerder]' positie thans onhoudbaar is geworden dient dan ook in ernstige mate aan [verzoekster] te worden verweten. Dit betekent dat aan [verweerder] een vergoeding zal worden toegekend. Alvorens tot vaststelling van de hoogte van deze vergoeding kan worden overgegaan, dient te worden beoordeeld of de door [verweerder] overgelegde arbeidsovereenkomst tussen partijen is overeengekomen. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

4.7. [verzoekster] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling betwist dat de overgelegde schriftelijke arbeidsovereenkomst tussen partijen is overeengekomen. Dit zou blijken uit de e-mail van [verweerder] van 10 oktober 2003 (productie 1 bij het verweerschrift), waarin hij heeft vermeld dat het concept nog moest worden uitgewerkt. [verzoekster] heeft evenwel het standpunt van [verweerder] dat hij heeft verzocht de overeenkomst uit te werken, zodat deze kon worden ondertekend, niet betwist. Daarnaast heeft zij de stelling van [verweerder] dat de voorzitter van de RvT herhaaldelijk heeft aangegeven dat de voorwaarden uit de conceptovereenkomst zouden gelden tot het moment van ondertekening van de definitieve versie niet althans onvoldoende betwist. Hiermee is voldoende aannemelijk dat partijen hebben afgesproken dat de overgelegde schriftelijke arbeidsovereenkomst tussen hen heeft te gelden. Dit betekent dat het verweer van [verweerder] dat [verzoekster] op grond van de arbeidsovereenkomst gehouden was een mediator in te schakelen op zichzelf doel treft. Betwijfeld kan echter worden of het inschakelen van een mediator op het moment dat de verhoudingen reeds ernstig waren verslechterd zinvol was geweest. Dat de cliëntenraad ingeschakeld had moet worden is gezien het verweer van [verzoekster] niet vast komen te staan. Wel is vast komen te staan dat [verweerder] op grond van artikel 16 van de arbeidsovereenkomst recht heeft op wachtgeld gelijk aan minimaal één jaarsalaris vermeerderd met vakantiegeld. Nu echter niet duidelijk is wat deze wachtgeldregeling precies inhoudt, zal deze bij de vaststelling van de vergoeding in het kader van de onderhavige procedure buiten beschouwing worden gelaten. Alle overige omstandigheden van het geval in acht nemende, waaronder de duur van het dienstverband, de leeftijd van [verweerder] en het door hem laatstelijk genoten salaris inclusief emolumenten, zal de vergoeding worden vastgesteld op een bedrag van 45.000,00 euro bruto.

4.8. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding wordt als volgt overwogen. Voor zover in rechte mocht komen vast te staan dat [verweerder] is aangetast in zijn eer en goede naam, geldt dat onvoldoende aannemelijk is dat aan [verzoekster] hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Zij heeft immers betwist dat zij zich in de media negatief heeft uitgelaten over het functioneren van [verweerder]. Er is dan ook geen grond om aan [verweerder] een immateriële schadevergoeding toe te kennen.

4.9. Gelet op het voornemen van de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden onder toekenning aan [verweerder] van de hiervoor vermelde vergoeding, zal [verzoekster] alvorens tot ontbinding wordt overgegaan in de gelegenheid worden gesteld haar verzoek desgewenst in te trekken.

Zowel bij intrekking als bij handhaving van het verzoek vindt de kantonrechter in de aard van de genomen beslissing en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen aanleiding [verzoekster] te veroordelen in de kosten van het geding als na te melden.

5. DE BESCHIKKING

De kantonrechter:

stelt [verzoekster] tot en met 22 maart 2004 in de gelegenheid haar verzoek in te trekken door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de rechtbank, sector kanton, locatie 's-Hertogenbosch;

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op 450,00 euro als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met BTW belast);

beslist, voor het geval [verzoekster] haar verzoek handhaaft, thans reeds als volgt:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 23 maart 2004;

kent aan [verweerder] ten laste van [verzoekster] een vergoeding toe van 45.000,00 euro bruto;

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op 450,00 euro als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met BTW belast);

Aldus gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2004 door mr. P.G.Th. Lindeman-Verhaar, kantonrechter te 's-Hertogenbosch, in tegenwoordigheid van de griffier.