Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2004:AO3274

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-01-2004
Datum publicatie
18-02-2004
Zaaknummer
AWB 02/2673 REA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiser een vergoeding van € 618,66 toegekend als bijdrage in de kosten van een chauffeursstoel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

AWB 02/2673 REA

Uitspraak van de rechtbank ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde mr. M.H.G. in de Braekt, werkzaam bij de stichting Rechtsbijstand te Tilburg,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), gevestigd te Amsterdam, verweerder,

gemachtigde mr. M.A.L. Hermans-de Jong, werkzaam bij UWV-Gak te Helmond.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 22 februari 2002 heeft verweerder eiser een vergoeding van € 618,66 toegekend als bijdrage in de kosten van een chauffeursstoel.

Het namens eiser tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 30 augustus 2002 ongegrond verklaard.

Namens eiser is tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 januari 2004, waar eiser niet is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit van 30 augustus 2002 in rechte stand kan houden.

De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser, werkzaam als zelfstandige in een bedrijf in sierbestrating en tuindecoraties, ontvangt sedert 1 januari 1998 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In het verleden heeft eiser reeds om verschillende vergoedingen in het kader van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA) verzocht. Zo is eiser tweemaal een vergoeding voor werkschoenen toegekend, waarbij hij een eigen bijdrage moet betalen. Ook heeft hij verweerder verzocht om aanpassing van een vrachtauto en een bestelbus. Verweerder heeft beide keren de inbouw van een zogenaamde clutchmate (een soort automaat) volledig vergoed.

Op 21 februari 2001 heeft eiser verweerder verzocht in aanmerking te worden gebracht voor de vergoeding van een ISRI chauffeursstoel, type 6000.517, kosten € 1.980,00, bestemd voor een Opel Movano bestelbus. Deze bestelbus heeft eiser in gebruik als bedrijfsauto. Blijkens de rapportage van 21 januari 2001 van arbeidsdeskundige P. Baaiens kan eiser zijn linker been niet buigen. Daardoor zit hij ergonomisch verkeerd in de auto en komt hij met zijn linker been tegen de onderkant van het dashbord, waardoor een wond ontstaat op zijn scheenbeen. Eiser rijdt beperkt in de bedrijfsauto. Daarnaast maakt een vaste chauffeur van deze auto gebruik, zodat er een oplossing wordt gezocht waarbij beide personen op de juiste manier achter het stuur kunnen plaatsnemen.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Ingevolge artikel 22, derde lid, van de Wet REA kan verweerder op aanvraag van de arbeidsgehandicapte, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, andere voorzieningen, dan de voorzieningen bedoeld in het tweede lid, toekennen die strekken tot behoud of herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid, indien zij noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de werkzaamheden op grond waarvan de arbeidsgehandicapte verzekerd is voor de WAZ.

Voor de uitoefening van de in artikel 22 Wet REA opgenomen bevoegdheid heeft verweerder beleid vastgesteld. Het besluit van 30 augustus 2002 is genomen mede op basis van dat beleid.

Verweerder heeft in zijn beleid ten aanzien van de vergoeding van speciale autostoelen onderscheid gemaakt tussen autostoelen voor personenauto’s en autostoelen voor vracht- en bestelauto’s en taxi’s. Bij de bedrijfswagens wordt van de werkgever verwacht dat deze voor een adequate stoel zorgt. Aanpassingen van een dergelijke stoelen of individueel gefabriceerde autostoelen kunnen voor vergoeding in aanmerking worden gebracht. De werkgever moet voor een adequate stoel in een bedrijfswagen in beginsel € 1.361,34 betalen. Indien sprake is van een individueel aangepaste maatstoel worden de meerkosten van de stoel vergoed. In sprake is van een individueel geproduceerde stoel worden de kosten geheel vergoed.

De rechtbank acht het hiervoor weergeven beleid van verweerder ten aanzien van de vergoeding van autostoelen als uitgangspunt aanvaardbaar en binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling.

De rechtbank stelt voorts vast dat tussen partijen niet in geschil is dat in dit geval sprake is van een individueel aangepaste maatstoel. Daarmee heeft eiser recht op vergoeding van de meerkosten die deze autostoel met zich meebrengen. Nu eiser overeenkomstig voornoemd beleid in aanmerking is gebracht voor een vergoeding ter hoogte van (€ 1.980,00 minus € 1.361,34 is) € 618,66, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit van 30 augustus 2002 in rechte stand kan houden.

Het beroep van eiser zal ongegrond verklaard worden.

De rechtbank ziet geen aanleiding één van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van E.H.J.M.T. van der Steen als griffier op 26 januari 2004.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden: