Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2004:AO2913

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-01-2004
Datum publicatie
03-02-2004
Zaaknummer
35557 HA ZA 99-456
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zeerecht. Ingevolge artikel 4, vierde lid juncto artikel 8, eerste lid EVO is Belgisch recht van toepassing. Artikel 120, vierde lid van de Belgische Zeewet vereist niet dat de vervoerder aantoont dat hij schade heeft geleden, noch is een ingebrekestelling noodzakelijk. Het terugtreden van de opdrachtgever van gedaagde is een omstandigheid die voor haar rekening komt. Volgt toewijzing van de vordering van eiseres..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2004, 84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

VONNIS

Zaaknummer : 35557 HA ZA 99-456

Datum uitspraak: 21 januari 2004

Vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:

de hoofdzaak met zaaknummer 35557 HA ZA 99-456 van:

de rechtspersoon naar Belgisch recht

B.V.B.A. Flamar,

gevestigd te Zeebrugge (Belgie),

eiseres,

verweerster in het vrijwaringsincident

procureur mr. G.D. Noordijk,

advocaat mr. M.E.J. Kerkmeijer,

advocaat mr. F. Roosendaal,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GTC Global Logistics BV,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde,

eiseres in het vrijwaringsincident

procureur mr. A.J. Keizers,

als vervolg op het in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak gewezen tussenvonnis d.d. 7 april 2000. De rechtbank heeft er ambtshalve kennis van genomen dat partijen in de vrijwaringszaak met zaaknummer 43330 / HA ZA 99-1840 het nemen van een conclusie van dupliek hebben uitgesteld tot na de uitspraak in deze hoofdzaak. De vrijwaringszaak zal hier verder niet aan de orde komen.

Partijen zullen hierna "Flamar", en "GTC " worden genoemd.

1. De verdere procedure

Het verdere verloop van het geding blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- het proces-verbaal van comparitie d.d. 2 juni 2000

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

Partijen hebben hun standpunt ter zitting doen bepleiten. Bij die gelegenheid zijn de volgende stukken in het geding gebracht:

- de pleitnotities van Flamar;

- de pleitnotities van GTC.

Partijen hebben vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten

2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de door partijen overgelegde stukken, voor zover de inhoud daarvan niet is betwist, staat tussen partijen het volgende vast.

2.2. Partijen hebben beiden middels tussenpersonen, Belfor Logistics NV (verder te noemen: Belfor) voor Flamar en [O.] voor GTC, onderhandeld over het in opdracht van GTC verschepen van bussen naar een afnemer van GTC in Kingston in Jamaica.

2.3. Op 13 mei 1998 heeft [O.] een fax gestuurd naar GTC waarin ondermeer een boeking bevestigd wordt van een vracht van 20 bussen in 2 keer voor USD 10.250 per stuk van Antwerpen naar Kingston met afvaart tussen 15 augustus en 15 september 1998.

en voor rekening van GTC. De heer [M.], directeur van GTC, heeft ter comparitie de ontvangst van deze fax bevestigd.

2.4. Op dezelfde dag maar dan drie minuten later heeft [O.] een fax van gelijke strekking gestuurd naar Belfor waarin enkel de prijs van de vracht per bus verschilt; die wordt daarin namelijk gesteld op USD 10.000,- per stuk.

2.5. Op 6 juli 1998 heeft GTC aan [O.] bij brief laten weten dat de verscheping niet samen uitgevoerd kan worden met de volgende reden: "Onze klant moest niettegenstaande C&F, doch onder druk van de ontvanger een andere expediteur en andere rederij aangeduid".

2.6. [O.] heeft Belfor op dezelfde dag per fax hierover ingelicht.

3. Het geschil

3.1. Flamar vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat, GTC veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Flamar te voldoen de tegenwaarde in Nederlandse courant tegen de hoogste koers van de dag van betaling van het bedrag ad USD 100.000,- (zege: honderdduizend Amerikaanse dollars), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 juli 1998, althans 17 augustus 1998 tot aan de dag der algehele voldoening alsmede tot betaling van het bedrag ad NLG 1.250,- te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf de dag dezer dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, zulks met veroordeling van GTC in de kosten van dit geding.

3.2. Flamar legt naast de genoemde vaststaande feiten (voor zover door haar aangedragen) aan deze vorderingen het volgende ten grondslag.

3.2.1. Op of omstreeks 14 mei 1998 is tussen Flamar en GTC een vervoersovereenkomst (boeking) tot stand gekomen, waarbij Flamar zich jegens GTC verbond tot het vervoer overzee van twee deelladingen van telkens 10 autobussen per zeeschip van Antwerpen, naar Kingston in Jamaica, welke boeking is vastgelegd in een schriftelijke bevestiging van [O.] namens GTC aan Belfor namens Flamar tegen een zeevracht van USD 10.000,- per autobus. Op of omstreeks 6 juli 1998 heeft GTC de overeengekomen boeking eenzijdig verbroken, ten gevolge waarvan het overeengekomen vervoer geen doorgang heeft gevonden.

3.2.2. Ingevolge artikel 4 lid 4 van het EVO verdrag is op de overeenkomst Belgisch recht van toepassing. Op grond van artikel 120 van de Belgische Zeewet is GTC op grond van het eenzijdig en zonder rechtsgrond annuleren van bovengenoemde vervoersovereenkomst een forfaitair bedrag aan foutvracht verschuldigd ten belope van 50% van de oorspronkelijke zeevracht en mitsdien USD 100.000,-.

3.2.3. Flamar heeft GTC diverse malen gesommeerd te betalen zodat GTC buiten het bedrag van USD 100.000,- wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is geworden, die Flamar in redelijkheid begroot op NLG 1.250,--.

3.3. GTC voert het volgende verweer.

3.3.1. GTC kreeg van een klant het verzoek om te inventariseren welke mogelijkheden er waren voor het transport van twee maal 10 stadsbussen naar Kingston in Jamaica en heeft daarop een oriënterende vraag naar afvaartmogelijkheden bij [O.] neergelegd. Uit de overgelegde correspondentie blijkt ook van het oriënterende karakter. Mocht al sprake zijn van een vervoersovereenkomst, dan is deze tijdig geannuleerd bij brief van 6 juli 1998. GTC heeft geen overeenkomst gesloten danwel opdracht gegeven voor haar een overeenkomst te sluiten. Dat kan ook niet omdat niet voldaan is aan de essentialia van een vervoersovereenkomst.

3.3.2. Belgisch recht is niet van toepassing omdat GTC slechts aan de Nederlandse rederijagent, [O.], heeft verzocht een onderzoek in te stellen naar afvaartmogelijkheden. De toepasselijkheid van eventuele algemene voorwaarden waarin de toepassing van Belgisch recht eventueel geregeld is wordt betwist omdat GTC hiervan geen kennis heeft genomen. En het EVO-verdrag is niet van toepassing omdat er geen sprake is van een verbintenis uit overeenkomst. Nu geen Belgisch recht van toepassing is, is artikel 120 van de Zeewet evenmin van toepassing. Bovendien betreft dit een artikel van aanvullend recht en wordt hiervan in de praktijk veelvuldig afgeweken. Dit blijkt ook uit een brief van [O.] aan Belfor van 24 februari 1999.

Subsidiair betwist GTC dat er enig schip beschikbaar is geweest dat ruimte gereserveerd had voor enige vracht van GTC met als bestemming Jamaica, zodat niet voldaan is aan de strekking van de bepaling dat de reder bij een annulering kort voor de afvaart toch betaald moet worden omdat anders het schip gedeeltelijk leeg zou vertrekken en de reder aldus inkomsten zou derven. Voorts betwist GTC dat dit (virtuele) schip leeg is vertrokken en dat de reder daardoor schade heeft geleden. En overigens is tijdig geannuleerd.

3.3.3. GTC betwist voorts het bedrag van USD 100.000,- verschuldigd te zijn omdat het om een eerst tranche van 10 stadsbussen ging zoals [O.] in haar brief van 2 april 1998 stelt, zodat hoogstens USD 50.000,- verschuldigd zou zijn.

GTC betwist overigens in verzuim te zijn, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd te zijn. Het bedrag van fl.1.250,- aan buitengerechtelijke incassokosten is buitensporig hoog voor slechts twee of drie sommatiebrieven. GTC verzoekt dit bedrag bij toewijzing te matigen.

3.4. Hetgeen partijen overigens nog hebben aangevoerd, zal indien relevant, worden besproken onder de beoordeling.

4. De verdere beoordeling

4.1. De rechtbank dient in de onderhavige zaak allereerst te beoordelen of er tussen Flamar en GTC een overeenkomst tot stand is gekomen en welk recht van toepassing is. Voorts dient beoordeeld te worden of de vordering van Flamar toewijsbaar is.

4.2. Bij gebreke van een rechtskeuze is op de vraag of tussen GTC en Flamar een overeenkomst tot stand is gekomen en hoe deze dient te worden gekwalificeerd, ingevolge artikel 4, vierde lid juncto artikel 8, eerste lid van het EEG Verbintenissenverdrag 1980 (EVO) Belgisch recht van toepassing. De (beoogde) vervoerder heeft immers zijn hoofdvestiging in België en dit is tevens het land van inlading. Dat GTC niet wist dat de (beoogde) vervoerder haar hoofdvestiging in België had, doet daar niet aan af.

4.3. Uit de faxen van 13 mei 1998 leidt de rechtbank af dat er een overeenkomst is gesloten. Het verweer dat niet voldaan is aan de essentialia van de overeenkomst gaat niet op. Uit de faxen blijkt toch duidelijk dat een zending van 20 bussen in 2 keer voor USD 10.250 per stuk van Antwerpen naar Kingston met afvaart tussen 15 augustus en 15 september 1998 en voor rekening van GTC zou worden uitgevoerd. Het feit dat op 13 mei 1998 de reder nog niet bekend was is hierbij niet van doorslaggevende betekenis, nu gesteld noch gebleken is dat dat voor GTC van belang was. Niet tot een ander oordeel leidt dat op 13 mei 1998 geen bepaald schip is aangewezen waarmee de zendingen zouden worden vervoerd, nu (ook) naar Belgisch recht de naam van het schip geen essentieel element van de bevrachtingsovereenkomst is (aldus Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, 14 januari 1998, JPA/RHA 1998, 429).

[O.] heeft GTC op 13 mei 1998 bericht dat zij namens en "for account" van GTC een "booking" had verricht. GTC heeft niet tegen deze handelwijze van [O.] geprotesteerd. GTC heeft bovendien "de verscheping" pas bij brief van 6 juli 1998 afgeblazen met als reden niet dat GTC niet bevoegd zou zijn, maar dat haar opdrachtgever liever met een andere expediteur/rederij in zee ging.

Gelet op de omstandigheden waaronder het stilzwijgen van GTC plaatsvond kan dit niet anders dan als een toestemming worden opgevat en mocht Flamar er gerechtvaardigd op vertrouwen dat [O.] bevoegd was de overeenkomst namens GTC te sluiten.

4.4. Ingevolge het feit dat op deze overeenkomst Belgisch recht van toepassing is, komt de rechtbank vervolgens toe aan de beoordeling van de toepassing van artikel 120, vierde lid van de Belgische Zeewet. Niet van belang is dat dit artikel van aanvullend recht is en dat daar in de praktijk veelvuldig van af wordt geweken, nu partijen hieromtrent niets naders zijn overeengekomen. Het artikel luidt - voor zover van belang - als volgt: Wanneer hij (de bevrachter) zonder iets te hebben ingeladen, de reis opzegt voor het vertrek, betaalt hij aan de kapitein als vergoeding de helft van de vracht die bij de charter-partij voor de gehele door hem te verrichten lading bedongen was; hij kan de reis niet meer opzeggen zodra het schip een gedeelte van zijn lading ontvangen heeft; indien het schip vertrekt zonder ten volle geladen te zijn, is de gehele vracht aan de kapitein verschuldigd, tenzij de lading geschied is met stukgoederen. Dit betekent dat de vervoerder niet hoeft aan te tonen dat hij door de opzegging schade heeft geleden. Een ingebrekestelling is in een situatie als hier aan de orde evenmin nodig, omdat er sprake is van een opzegging door de bevrachter die aankondigt dat hij in het geheel geen lading ten vervoer zal aanbieden. Het terugtreden van de opdrachtgever van GTC is voorts een omstandigheid die voor haar rekening komt. Nu geen andere feiten en/of omstandigheden dan bovenstaande zijn gesteld, komt de rechtbank tot het oordeel dat de vordering van Flamar voor wat betreft de hoofdsom van USD 100.000,- in zijn geheel zal worden toegewezen.

4.5. De overgelegde declaraties van de raadsman van Flamar dateren van na de indiening van de dagvaarding zodat deze zonder twijfel behoren tot de kosten waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te houden. Nu van andere schade ter zake van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden evenmin is gebleken, zal het hierop betrekking hebbende gedeelte van de vordering als kennelijk ongegrond worden afgewezen.

4.6. GTC zal als de meest in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4.7. Het door de rechtbank toewijsbaar geachte bedrag zal in de beslissing in Euro's worden vermeld.

5. De beslissing

De rechtbank:

veroordeelt GTC om tegen kwijting aan Flamar te betalen een bedrag van € 92.230,83 (zegge tweeënnegentigduizend tweehonderd dertig euro en drieëntachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag der dagvaarding, zijnde 24 februari 1999, tot aan de dag van de voldoening;

veroordeelt GTC in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de wederpartij begroot op € 6.404,28, waarvan € 4.626,00 salaris procureur en € 1.778,28 verschotten;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.H.W. Rullmann, M.A. van de Laarschot, en M.G.P.A. Burghoorn, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.