Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2004:AO2841

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-01-2004
Datum publicatie
09-03-2004
Zaaknummer
AWB 03/2962
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verweerder het bezwaar van eisers tegen het op 30 januari 2003 door verweerder, op grond van artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), met betrekking tot het perceel […]straat 1 te C genomen voorbereidingsbesluit ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2004/5251

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

AWB 03/2962

Uitspraak van de rechtbank ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

A en A-B, wonende te C, eisers,

gemachtigde: mr. C.J. Driessen,

en

de raad van de gemeente Uden, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 18 september 2003, verzonden 25 september 2003, heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het op 30 januari 2003 door verweerder, op grond van artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), met betrekking tot het perceel […]straat 1 te C genomen voorbereidingsbesluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen dit besluit op 29 oktober 2003 beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Verweerder heeft bij brief van 20 november 2003 een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank doen toekomen.

De zaak is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2002, waar eisers zijn verschenen bij hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C.W.M. van Alphen, zelfstandig juridisch adviseur te Geffen, en J. van Liempd, werkzaam bij verweerders gemeente.

II. OVERWEGINGEN

Aan de orde is of het bestreden besluit, waarbij verweerders besluit van 30 januari 2003 - het voorbereidingsbesluit - onverkort is gehandhaafd, in rechte stand kan houden.

Alvorens te kunnen beoordelen of verweerder het bezwaar van eisers op inhoudelijke gronden terecht ongegrond heeft verklaard, ziet de rechtbank zich ambtshalve gesteld voor de vraag of verweerder eisers in de bezwaarprocedure terecht als belanghebbenden hebben aangemerkt. De rechtbank overweegt in dat verband als volgt.

Blijkens de gedingstukken houdt het voorbereidingsbesluit, waarbij is verklaard dat een herziening van het bestemmingsplan voor het betrokken perceel wordt voorbereid, verband met het voeren van een vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO om te komen tot de inrichting van het buitenterrein van en tot het verbouwen van de accommodatie van het openluchttheater Naat Piek.

De rechtbank overweegt dat, tegelijkertijd met de inwerkingtreding van de gewijzigde WRO met ingang van 3 april 2000 die in de zojuist bedoelde vrijstellingsmogelijkheid voorziet, de Awb onder meer in die zin is gewijzigd, dat het voorbereidingsbesluit van de zogenoemde negatieve lijst van de Awb is geschrapt. Dientengevolge kunnen tegen een voorbereidingsbesluit thans afzonderlijk rechtsmiddelen worden aangewend door belanghebbenden bij dat besluit.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de bedoelde wetswijzigingen houdt het schrappen van het voorbereidingsbesluit van de negatieve lijst verband met de omstandigheid dat het karakter van de artikel 19-procedure is veranderd (de zelfstandige projectprocedure). Een voorbereidingsbesluit is geen noodzakelijk vereiste meer om een dergelijke procedure te kunnen volgen. De wetgever achtte het daarom noodzakelijk om tegen het voorbereidingsbesluit zelfstandig rechtsmiddelen open te stellen.

Over de loskoppeling van de vrijstellingsprocedure en de procedure van het voorbereidingsbesluit valt in de Memorie van Antwoord bij de wijziging van de WRO (EK, vergaderjaar 1998-1999, 25 311, nr. 207b, pag. 10) het volgende te lezen:

"Het voorbereidingsbesluit herkrijgt hierdoor weer meer zijn van origine zelfstandige betekenis - bescherming van het plan in voorbereiding -, in plaats van hulpmiddel om vrijstelling van het bestaande plan te kunnen verlenen.

In dat kader past ook een eigen beroepsregeling, bijvoorbeeld voor hen die in hun belangen zijn geschaad worden door het achterwege laten van bescherming van een gebied tegen bedreigende ontwikkelingen indien de gemeenteraad geen ? bevriezend - voorbereidingsbesluit wil vaststellen."

De rechtbank leidt hieruit af dat, juist door deze loskoppeling, personen wiens of wier belang rechtstreeks bij het vrijstellingsbesluit in het kader van een zelfstandige projectprocedure is betrokken, niet zonder meer kunnen worden aangemerkt als belanghebbende bij een voorbereidingsbesluit. Omwonenden van een perceel ten aanzien waarvan een vrijstellingsprocedure wordt gevolgd, kunnen rechtstreeks in hun belang getroffen worden door activiteiten die op basis van het vrijstellingsbesluit op dat perceel mogen plaatsvinden. Zij zijn reeds hierdoor als belanghebbende in de vrijstellingsprocedure te beschouwen. Anders ligt dit naar het oordeel van de rechtbank bij een voorbereidingsbesluit. Gelet op het karakter van een voorbereidingsbesluit - planologische ontwikkelingen worden bevroren totdat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan (of van het project als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO) in werking treedt - heeft een dergelijk besluit naar het oordeel van de rechtbank, los bezien van de eventuele vrijstellingsprocedure, geen rechtsgevolgen voor anderen dan rechthebbenden op onroerende zaken gelegen in het gebied waarop het voorbereidingsbesluit betrekking heeft. In het kader van het voorbereidingsbesluit acht de rechtbank derhalve niet doorslaggevend of eisers in de nabijheid van dit gebied wonen of daarop zicht hebben.

Namens eisers is ter zitting verklaard dat zij een recht van overpad hebben op het perceel waarop het voorbereidingsbesluit ziet. Dit is van de zijde van verweerder niet weersproken. Eisers kunnen naar het oordeel van de rechtbank derhalve als belanghebbenden worden beschouwd. Verweerder heeft hen derhalve terecht als zodanig aangemerkt en het bezwaar ontvankelijk geacht.

Eisers hebben, voor wat de beroepsgronden betreft, allereerst verwezen naar de in het kader van de zelfstandige projectprocedure ingebrachte reactie. Verder hebben eisers aangevoerd dat er nog steeds geen wenselijk en zorgvuldig ruimtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden dat aan het provinciaal bestuur zou kunnen worden voorgelegd. Hieruit en uit de reactie van gemeentewege tijdens de hoorzitting op het bezwaar blijkt volgens eisers dat het voorbereidingsbesluit te vroeg is genomen.

De rechtbank overweegt dat deze grieven zich in hoofdzaak niet zozeer richten tegen het voorbereidingsbesluit, maar tegen de eventuele verlening van een vrijstelling in het kader van een zelfstandige projectprocedure. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gemeenteraad, gelet op de bewoordingen van artikel 21, eerste lid, van de WRO en de aard van de bevoegdheid die daarin aan hem is toegekend, een ruime mate van beleidsvrijheid toekomt.

Dit betekent dat, indien een voorbereidingsbesluit wordt genomen teneinde een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO ten behoeve van de realisering van een bouwplan mogelijk te maken, slechts dan aanleiding zal zijn voor de conclusie dat de gemeenteraad niet in redelijkheid tot het nemen van een voorbereidingsbesluit heeft kunnen overgaan, indien reeds bij een globale beschouwing aanstonds duidelijk had behoren te zijn dat het voorgenomen bouwplan in planologisch opzicht onaanvaardbaar is. Voor deze opvatting kan steun worden gevonden in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 januari 2003, nr. 200104563/1, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, waarnaar verweerder in zijn verweerschrift heeft verwezen.

De rechtbank is, met verweerder, van oordeel dat een geval waarin reeds bij een globale beschouwing aanstonds duidelijk had behoren te zijn dat de inrichting en de bouw ten behoeve van het openluchttheater in planologisch opzicht onaanvaardbaar is, zich hier niet voordoet. Dat verweerder in het kader van de zelfstandige projectprocedure is gebleken dat de planologische onderbouwing nog nader diende te worden aangevuld, acht de rechtbank in dat verband niet doorslaggevend.

De rechtbank acht evenmin doorslaggevend dat, zoals eisers het verwoorden, het voorbereidingsbesluit te vroeg is genomen. Gelet op de ruime mate van beleidsvrijheid die verweerder blijkens de hiervoor aangehaalde uitspraak toekomt bij het vaststellen van een voorbereidingsbesluit, kan niet worden gezegd dat die ruimte verweerder niet toekomt met betrekking tot het tijdstip van vaststelling van dit besluit. Bovendien is, sedert de ook reeds hiervoor genoemde wetswijziging, van een koppeling tussen het voorbereidingsbesluit en een vrijstellingsbesluit als bedoeld in onder meer het eerste lid van artikel 19 van de WRO geen sprake meer. De omstandigheid dat er nog geen voldoende ruimtelijke onderbouwing was om, met gebruikmaking van een daartoe door gedeputeerde staten te verlenen verklaring van geen bezwaar, een vrijstelling te kunnen verlenen, behoefde voor verweerder derhalve geen reden te vormen om van het nemen van het voorbereidingsbesluit af te zien.

Het beroep is, gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, ongegrond.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange als rechter en, in tegenwoordigheid van mr. H.J. van der Meiden als griffier uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2004.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschrift verzonden: