Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2003:AO2616

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-12-2003
Datum publicatie
06-02-2004
Zaaknummer
AWB 03/3364 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft op grond van artikel 9b, lid 1, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) een indicatie afgegeven, inhoudende dat verzoeker over de periode van 1 juli 2003 tot (en met) 3 juli 2004 (nog slechts) zou zijn aangewezen op 5,3 uur verpleging en 3 uur persoonlijke verzorging per week. Uit coulance-overwegingen heeft het desbetreffende zorgkantoor kennelijk bepaald dat het pgb nog tot 1 januari 2004 op de oude voet (dus ter hoogte van een vergoeding voor 15 uur ondersteunende begeleiding en 9,5 uur verpleging per week) aan verzoeker ter beschikking wordt gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

Voorzieningenrechter

UITSPRAAK

AWB 03/3364 AWBZ

Uitspraak van de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

A, wonende te B, verzoeker

en

het Regionaal Indicatie-Orgaan Eindhoven, verweerder,

gemachtigde C.H.B. Weijs, directeur van verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker, geboren […] 1958, heeft sedert december 1975 een dwarslaesie vanaf het niveau C3-C4. Hij is nagenoeg volledig verlamd en voor bijna alle dagelijkse levensverrichtingen aangewezen op hulp. Tevens dient hij dagelijks te worden verpleegd in verband met (onder meer) long-, blaas- en defaecatieproblemen. Verzoeker woont samen met zijn vriendin C, die 24 uur per week buitenshuis werkt. Verzoeker is buitenshuis actief door het vervullen van (bestuurs)functies bij diverse maatschappelijke organisaties en door het regelmatig bezoeken van culturele evenementen. Tot 1 juli 2003 ontving verzoeker uit hoofde van de (op artikel 1p van de Ziekenfondswet berustende) Regeling Subsidies AWBZ en Ziekenfondswet een persoonsgebonden budget (pgb) voor 15 uur ondersteunende begeleiding en 9,5 uur verpleging per week. Bij besluit van 3 juli 2003 heeft verweerder op grond van artikel 9b, lid 1, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) een indicatie afgegeven, inhoudende dat verzoeker over de periode van 1 juli 2003 tot (en met) 3 juli 2004 (nog slechts) zou zijn aangewezen op 5,3 uur verpleging en 3 uur persoonlijke verzorging per week. Uit coulance-overwegingen heeft het desbetreffende zorgkantoor kennelijk bepaald dat het pgb nog tot 1 januari 2004 op de oude voet (dus ter hoogte van een vergoeding voor 15 uur ondersteunende begeleiding en 9,5 uur verpleging per week) aan verzoeker ter beschikking wordt gesteld.

Tegen genoemd besluit van verweerder van 3 juli 2003 heeft verzoeker op 22 juli 2003 bezwaar gemaakt. Bij brief van 7 december 2003 heeft verzoeker aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, er toe strekkende dat zijn pgb op en na 1 januari 2004 ongewijzigd wordt voortgezet totdat op het bezwaar is beslist.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 december 2003, waar verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn partner C. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter acht in casu voldoende spoedeisend belang aanwezig om het verzoek om een voorlopige voorziening inhoudelijk te beoordelen. Met het oog op dit laatste zal thans een voorlopig oordeel worden gegeven over de rechtmatigheid van verweerders besluit van 3 juli 2003. Dat voorlopig oordeel is niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

De voorzieningenrechter is er vooralsnog niet van overtuigd dat 5,3 uur verpleging per week voor verzoeker voldoende zou zijn. Hierbij is van belang dat volgens de verklaring van verzoekers huisarts d.d. 11 juli 2003 alleen al voor de dagelijkse defaecatie-procedure ongeveer 70 tot 75 minuten nodig is, terwijl daarnaast nog in een bepaalde mate verpleegkundige hulp noodzakelijk is (op dagen dat verzoekers vriendin buitenshuis werkt) in verband met long- en blaasproblemen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dient de indicatie voor verpleging daarom op en na 1 juli 2003 (respectievelijk op en na 1 januari 2004) tenminste te worden gehandhaafd op 9,5 uur per week.

Wat betreft de (niet gehandhaafde indicatie voor) ondersteunende begeleiding voor activiteiten buitenshuis heeft verweerder kennelijk beoogd daarvoor in de plaats per 1 juli 2003 een indicatie te verlenen voor 3 uur persoonlijke verzorging per week. Dienaangaande wordt er op gewezen dat krachtens artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ ondersteunende begeleiding ook ondersteunende activiteiten omvat in verband met een somatische aandoening of beperking, gericht op bevordering of behoud van zelfredzaamheid of bevordering van de integratie van de verzekerde in de samenleving. De hierboven genoemde maatschappelijke en culturele bezigheden zijn in het geval van verzoeker, die weliswaar lichamelijk zwaar gehandicapt, doch geestelijk actief en slagvaardig is, verbonden met zijn (zelfredzaamheid en zijn) integratie in de samenleving. Ondersteunende activiteiten om die bezigheden in een bepaalde omvang fysiek mogelijk te maken vallen dan ook onder het begrip ondersteunende begeleiding in de zin van genoemd artikel 6. Deze conclusie strookt tevens met het bepaalde in artikel 6, lid 1, van de AWBZ, krachtens welke bepaling onder zorg zijn begrepen voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid of strekkende tot verbetering van levensomstandigheden, alsmede maatschappelijke dienstverlening.

Verweerder heeft een beroep gedaan op door de Landelijke Vereniging van Indicatieorganen opgestelde criteria voor ondersteunende begeleiding en wel met name op de tot die criteria behorende eis dat er sprake zou moeten zijn van maatschappelijke participatie belemmerende beperkingen (van de betrokken gehandicapte) met name ten aanzien van punten als regelvermogen, regie, leervermogen, communicatie en organisatievermogen. De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat deze eis ten onrechte voorbij ziet aan gevallen - zoals het onderhavige - waarin de betrokken gehandicapte op die punten en qua verstandelijke vermogens geen enkele beperking heeft, maar waarin hij of zij fysiek in de onmogelijkheid verkeert om zelfstandig in de maatschappij te participeren en de (eventuele) partner in onvoldoende mate in staat is om de fysieke belemmeringen voor die participatie op te heffen. Het gaat de voorzieningenrechter te ver om een dergelijke gehandicapte voor zijn maatschappelijke participatie geheel afhankelijk te doen zijn van vrijwilligers of om slechts dan een uitzondering op genoemde eis aanwezig te achten indien gebrek aan maatschappelijke participatie dreigt te leiden tot vereenzaming en/of psychische decompensatie. Een dergelijke restrictieve benadering staat op gespannen voet met inhoud en strekking van het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de AWBZ en artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ .

Gezien het vorenstaande dient naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter (ook) de indicatie voor ondersteunende begeleiding op en na 1 juli 2003 (respectievelijk op en na 1 januari 2004) te worden gehandhaafd en wel onveranderd op 15 uur per week.

Nu verweerders besluit van 3 juli 2003 naar voorlopig oordeel in bezwaar geen stand zal kunnen houden zal de voorzieningenrechter de gevraagde voorlopige voorziening in deze zin toewijzen dat verweerder wordt opgedragen om uiterlijk op dinsdag 6 januari 2004 een besluit bekend te maken waarbij voor verzoeker over de periode van 1 januari 2004 tot de datum gelegen zes weken na de dag van verzending van het nog te nemen besluit op bezwaar een indicatie wordt gegeven voor 9,5 uur verpleging per week en 15 uur ondersteunende begeleiding per week. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat het desbetreffende zorgkantoor het daarbij passende pgb met voortvarendheid aan verzoeker ter beschikking zal (blijven) stellen.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter,

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe in dier voege dat verweerder wordt opgedragen uiterlijk op dinsdag 6 januari 2004 een besluit bekend te maken waarbij voor verzoeker over de periode van 1 januari 2004 tot de datum gelegen zes weken na de dag van verzending van het nog te nemen besluit op bezwaar een indicatie wordt gegeven voor 9,5 uur verpleging per week en 15 uur ondersteunende begeleiding per week;

- gelast verweerder aan verzoeker te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ad € 31,-.

Aldus gedaan door mr. A.W. Govers als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van R.G. van der Korput als griffier op 24 december 2003.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.