Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2003:AO1816

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-11-2003
Datum publicatie
16-01-2004
Zaaknummer
Awb 02/3036 WRB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het betreft de weigering een toevoeging te verlenen t.b.v. het maken van bezwaar tegen een besluit van het bestuur van de Stichting rechtsherstel Sinti en Roma houdende weigering hem een uitkering te verstrekken in het kader van het rechtsherstel voor Sinti en Roma.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

AWB 02/3036

Uitspraak van de rechtbank ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

1. [eiser], wonende te [woonplaats], en

2. mr. [gemachtigde], advocaat in dienst van Stichting Rechtshulp Zuid-Oost Nederland te Heerlen, tevens optredende als gemachtigde van eiser 1,

en

de Raad voor Rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Op 12 augustus 2002 heeft eiser 1 het aan verweerder verbonden Bureau rechtsbijstandvoorziening (het Bureau) verzocht hem een toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) te verlenen, ten behoeve van het maken van bezwaar tegen een besluit van het bestuur van de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma houdende weigering hem een uitkering te verstrekken in het kader van het rechtsherstel voor Sinti en Roma.

Het Bureau heeft bij besluit van 14 augustus 2002 een voorwaardelijke toevoeging afgegeven, onder oplegging aan eiser van een eigen bijdrage van € 61,--.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 16 augustus 2002 administratief beroep ingesteld.

Eisers zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld zich te doen horen door de Commissie voor bezwaar en beroep (de Commissie).

Bij besluit van 2 oktober 2002 heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Commissie van 11 september 2002, het administratief beroep ongegrond verklaard en het besluit van 14 augustus 2002 onverkort gehandhaafd.

Eisers hebben tegen dit besluit bij brief van 5 november 2002, op dezelfde datum ter griffie van de rechtbank ontvangen, bij de rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende gedingstukken en een verweerschrift aan de rechtbank doen toekomen.

Naar aanleiding van het verweerschrift heeft eiser 2 nog een reactie en een aantal stukken aan de rechtbank toegezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van 14 november 2003, waar eisers niet zijn verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. [gemachtigde]

II. OVERWEGINGEN

Aan de orde is of verweerders besluit van 2 oktober 2002, waarbij het administratief beroep tegen het besluit van het Bureau tot afgifte van een voorwaardelijke toevoeging ongegrond is verklaard en dat besluit onverkort is gehandhaafd, in rechte stand kan houden.

De rechtbank ziet zich, alvorens aan een inhoudelijke behandeling van de zaak toe te kunnen komen, gesteld voor de vraag of verweerder eiser 2 terecht in zijn administratief beroep heeft ontvangen.

De rechtbank leidt uit de bewoordingen "mede namens [eiser]" in het administratief beroepschrift af dat eiser 2 niet alleen namens eiser 1, maar ook voor zichzelf administratief beroep heeft ingesteld. Ook de Commissie is er, blijkens haar aan het bestreden besluit ten grondslag liggende advies, vanuit gegaan dat het beroep door eisers beiden is ingesteld.

Het bestreden besluit rept weliswaar uitsluitend van het beroepschrift van eiser 2, maar de rechtbank houdt het er, gelet op het advies van de Commissie, voor dat verweerder met dit besluit op het administratief beroep van zowel eiser 1 als eiser 2 heeft beslist.

Op grond van artikel 45, eerste lid, van de Wrb kan een belanghebbende tegen een besluit van het Bureau administratief beroep instellen bij verweerder.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het begrip belanghebbende in het kader van de Wrb, is - samengevat - een rechtsbijstandverlener slechts belanghebbende bij besluiten omtrent toevoeging, indien sprake is van de intrekking van een voorwaardelijke toevoeging, indien het gaat om een toestemming voor het besteden van meer uren aan een zaak en in het geval van afwijzing van een verzoek om rechtsbijstand op het bereik van een reeds eerder verstrekte toevoeging. De ratio van het aanmerken van de rechtsbijstandverlener als belanghebbende in dergelijke gevallen is gelegen in de omstandigheid dat deze er, bij hem onwelgevallige nadere besluitvorming betreffende een verleende toevoeging, voor kan kiezen om geen rechtsbijstand meer te verlenen. Het aanmerken van de rechtsbijstandverlener als belanghebbende bij een besluit tot verlening van een voorwaardelijke toevoeging ontbeert deze ratio. Het besluit raakt eiser 2 niet rechtstreeks in zijn belang.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder eiser 2 ten onrechte als belanghebbende heeft aangemerkt. Het beroep is in zoverre gegrond.

Aan de orde is vervolgens of het bestreden besluit ook overigens de rechterlijke toets kan doorstaan.

Het wettelijk kader luidt, voor zover relevant, als volgt.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Wrb geeft het Bureau een voorwaardelijke toevoeging af, indien het verzoek om rechtsbijstand betrekking heeft op een aanmerkelijk financieel belang of aannemelijk is dat de kosten van rechtsbijstand verhaald kunnen worden op een derde.

Ingevolge artikel 31, derde lid, van de Wrb geeft het Bureau geen definitieve toevoeging af, onder meer indien na beëindiging van de rechtsbijstand blijkt dat de financiële draagkracht van de verzoeker zodanig is toegenomen dat deze de in artikel 34 genoemde bedragen overschrijdt.

Op grond van artikel 34, tweede lid, van de Wrb wordt geen rechtsbijstand verleend, indien de rechtzoekende beschikt over een eigen vermogen van ten minste ƒ 14.000, indien hij alleenstaande is, dan wel van ten minste ƒ 20.000 in overige gevallen.

In artikel 9, eerste lid, van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand, is bepaald dat voor de vaststelling van het vermogen onder meer in aanmerking worden genomen: giro-, bank- en spaartegoeden, hypothecaire en andere vorderingen, alsmede overige bezittingen, ter beoordeling van het bureau, voorzover zij een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen.

Het Bureau heeft in dit geval een voorwaardelijke toevoeging verleend, omdat eiser 1 op grond van het Uitkeringsreglement individuele uitkeringen

Stichting rechtsherstel Sinti en Roma aanspraak kan maken op een uitkering van maximaal ( 25.000,-- (€ 11.344,50), zodat van een aanmerkelijk financieel belang als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wrb sprake is. Verweerder heeft in het in administratief beroep aangevoerde geen aanleiding gezien om het besluit tot verstrekking van een voorwaardelijke toevoeging te vernietigen.

In beroep wordt aangevoerd dat de toevoeging niet voorwaardelijk had mogen worden verstrekt. De regering heeft met betrekking tot de uitkeringen in het kader van het rechtsherstel van Sinti en Roma bepaald dat deze bij de vermogenstoets in het kader van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, de Algemene bijstandswet en de Huursubsidiewet buiten beschouwing zullen worden gelaten. Dit uitgangspunt zou geweld worden aangedaan, als de kosten van rechtsbijstand, ten gevolge van het niet omzetten van een voorwaardelijke in een definitieve toevoeging, uiteindelijk zouden moeten worden bestreden uit de toegekende uitkering. Bovendien is in een aantal gelijke gevallen wel een definitieve toevoeging verstrekt.

In de Wrb is het begrip "aanmerkelijk financieel belang", zoals gebruikt in artikel 31, eerste lid, van de wet niet gedefinieerd. Er is geen directe relatie gelegd met het begrip "financiële draagkracht" in het derde lid van dit wetsartikel. Gelet op de strekking en de systematiek van de wet, ligt het evenwel voor de hand om reeds bij de bepaling van de omvang van het financiële belang in de zin van het eerste lid te bezien of dit belang - voor zover hier relevant - als vermogen in de zin van het derde lid moet worden aangemerkt. In het geval dat reeds op voorhand vaststaat dat vermogensbestanddelen, na een succesvolle procedure, niet bij de bepaling van de draagkracht in het vermogen in aanmerking mogen worden genomen en het vermogen zonder dat bestanddeel op zichzelf toevoeging rechtvaardigt, heeft een voorwaardelijke toevoeging, waarbij wordt vooruitgelopen op het verkrijgen van die vermogensbestanddelen, geen zin. De rechtbank acht het dan ook niet juist om in een dergelijk geval eerst bij de beslissing omtrent het al dan niet omzetten van een voorwaardelijke in een definitieve toevoeging te bezien of de uitkering tot het vermogen van eiser 1 kan worden gerekend.

De minister van Financiën heeft, zoals in beroep is betoogd, bij brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 1 december 2000 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 25 839, nr. 20), te kennen gegeven dat is besloten om de uitkeringen aan oorlogsgetroffenen in het kader van drie belangrijke regelingen (de regelingen zoals in beroep genoemd) afwijkend toe te passen. De uitkeringen zullen bij de vaststelling van het vermogen buiten beschouwing worden gelaten.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de opsomming in de brief een limitatieve betreft.

Onder de gedingstukken bevindt zich een, naar aanleiding van het verweerschrift aan de rechtbank toegezonden, brief van de projectcoördinator Tegoeden Tweede Wereldoorlog van verweerders ministerie aan eiser 2 van 7 november 2002, waarin het volgende is vermeld:

"Het is ondoenlijk om voor alle mogelijke situaties te regelen dat de uitkering buiten de vaststelling van het vermogen blijft. Gekozen is voor de regelingen waarvan het aannemelijk is dat rechthebbenden daarmee te maken kunnen hebben en waar het schrijnend te noemen is als door de uitkering een tegemoetkoming of uitkering ten nadele van betrokkene wordt aangepast. Voor andere regelingen is een dergelijke uitzondering niet gemaakt. Bij de opsomming waar de Raad voor Rechtsbijstand naar verwijst is dus inderdaad sprake van een limitatieve opsomming inzake de vermogenstoets. Dit laat onverlet dat de Raad voor Rechtsbijstand, indien de Wet op de rechtsbijstand daartoe de mogelijkheid zou bieden, haar eigen afwegingen kan maken."

De rechtbank is van oordeel dat deze brief, anders dan in beroep is aangevoerd, een ondersteuning vormt van verweerders opvatting dat de minister heeft beoogd om met zijn brief een limitatieve opsomming te geven. Niet is derhalve aannemelijk gemaakt dat de minister heeft beoogd om ook bij andere dan de genoemde regelingen de uitkering in mindering te brengen bij de vaststelling van het vermogen en de genoemde regelingen slechts als voorbeeld heeft gehanteerd. Ook de bewoordingen van de hiervoor genoemde brief van de minister van Financiën aan de Voorzitter van de Tweede Kamer geven geen aanleiding voor het oordeel dat van een limitatieve opsomming geen sprake is.

De rechtbank overweegt verder dat het niet aanmerken van de mogelijke uitkering aan eiser 1 als een vermogensbestanddeel ook niet past in artikel 9 van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand. Na betaling van een eventuele uitkering aan eiser 1 behoort die uitkering, als bank-, giro- of spaartegoed, tot diens vermogen. De uitkering valt niet te brengen onder de overige bezittingen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de mogelijke uitkering aan [eiser] dan ook terecht aangemerkt als een bestanddeel van diens - toekomstige - vermogen en daarmee als een aanmerkelijk financieel belang in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Wrb.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk gemaakt dat de toevoeging in een aantal met de onderhavige zaak vergelijkbare gevallen berust op een fout. De rechtbank deelt verweerders visie dat niet van het Bureau en van verweerder mag worden verwacht dat deze fouten worden herhaald.

Het beroep is, gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, voorzover het niet op formele gronden gegrond dient te worden verklaard, ongegrond.

De rechtbank komt tot het oordeel dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voorzover verweerder eiser 2 als belanghebbende heeft aangemerkt. De rechtbank ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, het administratief beroep van eiser 2 alsnog niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

De rechtbank acht, gelet op de omstandigheid dat de gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit niet zijn grondslag vindt in de aangevoerde grieven, geen aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de door eiser 1 gemaakte proceskosten. Vergoeding van de proceskosten van eiser 2 is alleen al niet aan de orde omdat hij geen gebruik heeft gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Wel zal de rechtbank bepalen dat eisers het door hen gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond, voorzover verweerder het administratief beroep van eiser 2 ontvankelijk heeft geacht;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- verklaart het administratief beroep van eiser 2 alsnog niet-ontvankelijk en bepaalt dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- draagt verweerder op eisers het door hen gestorte griffierecht ten bedrage van € 29,-- te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange als rechter en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2003 in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hooghuis als griffier.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschrift verzonden:

6

AWB 02/3036