Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2003:AO0421

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-12-2003
Datum publicatie
18-12-2003
Zaaknummer
101871 / KG ZA 03-721
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Beslissing op ontruimingsvordering COA aangehouden teneinde COA in staat te stellen stukken betreffende door gedaagde gedane TBV/2001/31-aanvraag in het geding te brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 108

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

VONNIS IN KORT GEDING

Zaaknummer : 101871 / KG ZA 03-721

Datum uitspraak: 4 december 2003

Vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch in de zaak van:

het CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS (COA),

gevestigd te Rijswijk,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 29 oktober 2003,

procureur mr. J.E. Lenglet,

advocaat mr. W.H. Simonis te 's-Gravenhage,

advocaat mr. S. Sierksma te 's-Gravenhage,

tegen:

[gedaagde],

wonende, althans verblijvende in het OC te Eindhoven,

gedaagde bij gemeld exploot,

advocaat mr. T. Pondaag te Wageningen.

Partijen zullen hierna "Het COA" en "[gedaagde]" worden genoemd.

1.De procedure

1.1. Het COA heeft in kort geding gesteld en gevorderd zoals hierna verkort is weergegeven.

1.2. De advocaten van het COA hebben de vordering ter terechtzitting toegelicht, mede aan de hand van de door hen overgelegde pleitnotities met producties.

1.3. De advocaat van [gedaagde] heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van de door haar overgelegde pleitnotities met producties.

1.4. Na gevoerd debat hebben partijen vonnis gevraagd.

2. De feiten

2.1. Het COA draagt op grond van art. 3 van de Regeling Verstrekkingen Asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva) zorg voor de (centrale) opvang van asielzoekers.

2.2. [Gedaagde] is een asielzoekster en afkomstig uit Iran. Zij verblijft in het Opvangcentrum (OC) te Eindhoven.

2.3. Bij beschikking van 27 december 2000 heeft de Immigratie -en Naturalisatiedienst (IND) de aanvraag van [gedaagde] van 20 december 1998 tot toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens de kennelijke ongegrondheid ervan. Het bezwaar van [gedaagde] tegen deze beschikking is op 13 juni 2001 door de IND ongegrond verklaard. Deze beschikking is onherroepelijk geworden, nu [gedaagde] hiertegen geen rechtsmiddel heeft aangewend.

2.4. Omdat in onderhavige zaak na 11 februari 2000 - op bezwaar - is beslist, valt [gedaagde] onder het nieuwe terugkeerbeleid.

Op grond van artikel 8 lid 1 sub c Rva eindigt de opvang van asielzoekers na ommekomst van een finale vertrektermijn van 28 dagen, nadat op de asielaanvraag onherroepelijk niet inwilligend is beschikt dan wel nadat de asielzoeker rechtmatig verwijderbaar is.

Voor beëindiging van de opvang is uitsluitend van belang of de asielzoeker tot de categorie vreemdelingen behoort zoals genoemd in artikel 8 lid 1 sub c Rva. De wijze waarop aan dit artikel uitvoering moet worden gegeven is nader uitgewerkt in het zogenaamde stappenplan 2000 dat op 10 februari 2000 in de Staatscourant is gepubliceerd.

3. Het geschil

3.1. Het COA vordert in dit kort geding, kort weergegeven, [gedaagde] te veroordelen het Opvangcentrum te Eindhoven binnen drie dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden met al het hare en de haren, met machtiging van het COA om dit vonnis ten uitvoer te doen leggen met behulp van de sterke arm indien [gedaagde] aan deze veroordeling niet voldoet, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

3.2. Het COA legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] de opvanglocatie te [plaatsnaam], waar zij op dat moment verbleef, op 24 september 2001 zelfstandig heeft verlaten.

Ten gevolge hiervan is de opvang die aan [gedaagde] werd geboden in het kader van haar asielprocedure krachtens artikel 8 lid 1 Rva beëindigd.

[Gedaagde] heeft zich op 8 januari 2003 gemeld bij het Aanmeldcentrum te Rijsbergen en een beroep gedaan op uitstel van vertrek uit Nederland in verband met haar zwangerschap.

De IND heeft op 8 januari 2003 geoordeeld dat [gedaagde] thans illegaal in Nederland verblijft, maar dat ingevolge artikel 64 Vreemdelingenwet (hierna: VW) een uitstel van vertrek zou worden verleend tot 6 weken na de bevalling.

Op 1 maart 2003 is [gedaagde] bevallen van een zoon, Foad [naam gedaagde], zodat de termijn van het aan [gedaagde] door de IND verleende uitstel van vertrek is geëindigd op 12 april 2003.

3.3. Bij beschikking van 15 september 2003 heeft het COA besloten dat de voorzieningen die [gedaagde] ontvangt in het kader van de Rva 1997 jo artikel 64 VW stopgezet zouden worden en dat zij derhalve geen recht meer heeft op opvang.

3.4. Na afloop van de finale vertrektermijn heeft het COA moeten vaststellen dat [gedaagde] aan de finale vertrektermijn geen gehoor heeft gegeven en nog immer in het OC Eindhoven te Eindhoven verblijft. Dit verblijf is zonder recht of titel, aangezien [gedaagde] per 12 april 2003 geen aanspraak meer kan maken op de Rva-voorzieningen. Ook aan het schriftelijk verzoek van de advocaat van het COA van 17 oktober 2003 om het OC te Eindhoven te verlaten, heeft [gedaagde] geen gevolg gegeven.

De omstandigheid dat [gedaagde] op 20 augustus 2003 een aanvraag bij de IND heeft ingediend ter verlening van een reguliere verblijfsvergunning op medische gronden (ten behoeve van haar zoon Fuad) heeft geen invloed op het beëindigingsbesluit. [gedaagde] heeft geen aanvraag ingediend ex artikel 64 VW, althans is deze tot op heden niet door de IND ingewilligd, zodat zij thans geen recht heeft op (tijdelijke) opvang.

Het COA heeft een spoedeisend belang bij ontruiming op korte termijn, aangezien de door [gedaagde] gebruikte ruimte niet ter beschikking kan worden gesteld aan andere asielzoekers, die daarop ingevolge de Rva wél aanspraak hebben.

Daarnaast speelt een financieel belang. De kosten van de opvang lopen immers door tot het moment waarop de ontruiming in rechte is geëffectueerd. Voorts is het voor het COA - gelet op het politiek-maatschappelijke krachtenveld waarin zij opereert - zowel bestuurlijk als maatschappelijk onaanvaardbaar, indien gedurende een nog langere periode asielzoekers, die uitgeprocedeerd althans rechtmatig verwijderbaar zijn, en dus illegaal hier te lande verblijven, in de opvang moeten worden gelaten. Het voeren van een langdurige bodemprocedure is voor het COA in dat kader geen reëel alternatief.

Het is juist dat er sprake is van een verminderde instroom van asielzoekers, doch zulks leidt niet automatisch tot een verminderde druk op de opvang.

3.5. Het verweer van [gedaagde] tegen de vordering komt zakelijk weergegeven op het volgende neer. De zoon van [gedaagde], Foad lijdt aan een (thans nog onbekende vorm van) spierdystrofie, waarvoor hij onder behandeling is bij de afdeling kinderneurologie van het St. Radboud Ziekenhuis te Nijmegen.

Op 7 augustus 2003 heeft [gedaagde] een aanvraag ingediend tot het verkrijgen van een verblijfvergunning regulier op medische gronden, alsmede heeft zij op 17 september 2003 een nieuw verzoek ingediend ex artikel 64 VW. Op beide verzoeken heeft de IND tot op heden niet beslist.

Foad is op 17 november 2003 (opnieuw) in het St. Radboud Ziekenhuis te Nijmegen opgenomen voor nadere diagnostiek naar zijn onderliggend lijden voor een nog onbekende periode. Hierdoor is hij niet in staat om te reizen. Ingevolge de Vreemdelingencirculaire A4/7 is het verblijf van [gedaagde] en haar zoon in het Opvangcentrum te Eindhoven rechtmatig in de zin van artikel 8 onder j VW. Er doen zich thans bijzondere omstandigheden voor op grond waarvan de Rva- voorzieningen niet beëindigd kunnen worden. Een belangenafweging dient in het voordeel van [gedaagde] uit te vallen, nu er thans nog geen duidelijkheid bestaat omtrent de aard van de ziekte van Foad, alsook omtrent de prognose van de ziekte.

3.6. Op hetgeen partijen overigens over en weer hebben aangevoerd, zal voor zoveel nodig bij de beoordeling worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Tussen partijen is in confesso dat de aanspraak die [gedaagde] kon maken op de Rva-voorzieningen van rechtswege is geëindigd ingevolge artikel 8 lid 1 sub c Rva. Aldus is het voldoende aannemelijk dat [gedaagde] zich thans zonder recht of titel in het Opvangcentrum te Eindhoven bevindt.

4.2. De gevorderde ontruiming is zoals ook het COA aangeeft (pleitnota van mr. Simonis, punt 3.2.), bij wege van uitzondering alleen dan niet voor toewijzing vatbaar, indien zich bij effectuering een acute noodsituatie zal voordoen aan de zijde van [gedaagde], op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat er sprake is van schrijnende omstandigheden van humanitaire aard of dat het het COA misbruik van recht maakt door op ontruiming aan te dringen.

Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard dient aansluiting te worden gezocht bij de wettelijke regeling van "uitstel van vertrek" van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000 (VW). Die wet verbiedt uitzetting indien het, gelet op de gezondheidstoestand van betrokkene of van een van zijn/haar gezinsleden, niet verantwoord is om te reizen en er directe medische noodhulp geboden moet worden. Op zich is dat onderwerp in dit geding niet aan de orde, maar het "Tussentijds bericht Vreemdelingencirculaire"(TBV) 2001/31 regelt in een geval als dit een aanspraak op Rva-voorzieningen naar analogie van artikel 64 VW.

Dienaangaande wordt overwogen:

4.2.1. [Gedaagde] stelt op 17 september 2003 een verzoek om (analoge) toepassing van artikel 64 VW te hebben gedaan en zij heeft ter staving daarvan een aangetekende brief van haar advocaat d.d. 17 september 2003 aan het Hoofd van de Plaatselijke Politie (per adres: het OC waar [gedaagde] verblijft) met als bijlage een "Verzoek op grond van art. 64 Vw 2000" d.d. 15 september 2003 overgelegd. Bij het COA was dat verzoek, hoewel binnengekomen bij het politiekantoor ter plaatse van het betreffende OC, niet bekend (zie pleitnota mr. Simonis, punt 3.2).

De rechter stelt vast dat [gedaagde] dat verzoek niet heeft gedaan op het aanvraagformulier volgens het model dat is bijgevoegd bij TBV 2001/31. Ook overigens bevat haar verzoek niet alle informatie die in dat model-formulier wordt gevraagd. Belangrijker is dat het verzoek of de aanvraag niet vergezeld is gegaan van een medische verklaring die ondertekend is door een arts of specialist. Uit het model-formulier is kenbaar dat zonder een dergelijke verklaring de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Dat is dan ook kennelijk niet gebeurd.

4.2.2. Hoewel het Hoofd van de Plaatselijke Politie deze niet aan de wettelijke voorschriften voldaan hebbende aanvraag niet in behandeling behoefde te nemen, verplichtte artikel 4:5 van de Algemene Wet Bestuursrecht hem om behandeling niet achterwege te laten dan nadat ("mits") hij de aanvrager de gelegenheid had geboden om binnen een door hem te stellen termijn de aanvraag aan te vullen. Gesteld noch gebleken is dat aan [gedaagde] die gelegenheid is geboden.

De rechter verbindt daaraan de gevolgtrekking dat voorshands [gedaagde] en haar gezinsleden, waaronder Fuad de bescherming genieten die zij aan TBV 2001/31 ontlenen.

4.2.3. Vast staat dat Fuad behept is met een ernstige, aangeboren afwijking, te weten: een nog niet nader gediagnosticeerde vorm van spierdystrofie, en dat hij ten tijde van de behandeling van dit kort geding voor nadere diagnose is opgenomen in het St. Radboudziekenhuis te Nijmegen.

Deze aandoening sluit weliswaar niet uit dat hij kan reizen en in het land van herkomst van zijn ouders, Iran, redelijke behandelingsmogelijkheden kan krijgen, maar ingevolge het in de Vreemdelingencirculaire (Vc) A4/7 geformuleerde beleid ten aanzien van de toepassing van artikel 64 VW geldt, dat bewijs van een een ziekenhuisopname zonder nader onderzoek volstaat voor de aanname dat de vreemdeling niet verantwoord kan reizen. In dat opzicht staat de ziekenhuisopname van Fuad aan toewijzing van de ontruimingsvordering die ook hem treft, in de weg. Daaraan doet niet af dat die opname kennelijk is geschied met een diagnostisch doel. De rechter kan bezwaarlijk vooruitlopen op de resultaten van het middels deze ziekenhuisopname medisch noodzakelijk geachte diagnostisch onderzoek, dan wel meewerken aan maatregelen die onderbreking van dat onderzoek tot gevolg kunnen hebben.

4.2.4. Er kunnen zich gevallen voordoen waarin gelet op de aard en enrst van de aandoening waarop de vreemdeling zich beroept, ook de rechter zelf zich een oordeel kan vormen over de vraag of de vreemdeling kan reizen. Een zodanig eenvoudig geval doet zich hier echter niet voor. De rechter kan niet voorzien of op grond van de resultaten van het diagnostisch onderzoek van Fuad nog altijd aangenomen kan worden dat hij kan reizen en in Iran redelijkerwijs behandeld kan worden. Die beoordeling behoort binnen de daarvoor in TBV 2001/31 gegeven kaders plaats te vinden. De rechter zou zich daarom kunnen voorstellen dat het Hoofd van de Plaatselijke Politie aan [gedaagde] alsnog een termijn stelt om haar aanvrage op grond van TBV 2001/31 aan te vullen opdat die aanvrage alsnog aan de gestelde voorschriften voldoet. Daarna kan op de voorgeschreven wijze tot een beslissing daaromtrent worden gekomen.

4.2.5. Ingevolge Vc A4/7 mag de met uitzetting bedreigde vreemdeling de uitslag van het onderzoek door de geraadpleegde arts of het Bureau Medische Advisering in Nederland afwachten. Mutatis mutandis vertaalt die beleidsregel zich bij analoge toepassing op de beëindiging van Rva-verstrekkingen er in dat [gedaagde] hangende de uitslag van het onderzoek door de geraadpleegde arts of het Bureau Medische Advisering niet wordt uitgezet uit het OC waar zij thans nog verblijft.

4.2.6. Daarmee is ook het wonderlijke betoog van het COA dat zolang de IND niet positief heeft beslist op de TBV 2001/31-aanvraag, COA zich van het gedaan zijn van die aanvraag niets behoeft aan te trekken en desondanks de voorzieningen kan doen beëindigen, verworpen. Het ene bestuursorgaan behoort zich niet op een dergelijke wijze te kunnen verschuilen achter een onvoldoende voortvarendheid van een ander bestuursorgaan, en zeker niet als die geringe voortvarendheid veroorzaakt kan zijn door capaciteitsproblemen. In beginsel immers dient de overheid voor voldoende capaciteit te zorgen om de eigen regelingen te kunnen uitvoeren en de op zich dikwijls onvermijdelijke en daarom vaak begrijpelijke capaciteitsproblemen niet af te wentelen op de burger. Er behoort geen premie te staan op het niet of met grote vertraging behandelen door de IND van dergelijke aanvragen als legitimatie voor het COA om door de wetgever beoogde maar voor het COA lastige beslissingen te omzeilen en daardoor de regeling van TBV 2001/31 tot een dode letter maken. Juist de in die regeling voorziene eerste beoordeling door de politiearts op basis van de verstrekte gegevens en diens mogelijheid tot overleg met de behandelende sector, maken trouwens dat een snelle, het apparaat weinig belastende beoordeling mogelijk is.

4.3. Omdat aan het COA zelf geen verwijt gemaakt kan worden van zijn onbekendheid met de gebrekkige aanvraag d.d. 17 september 2003 en de naar het zich laat aanzien onvolkomen wijze waarop het Hoofd van de Plaatselijke Politie daarmee is omgegaan, zal de rechter zijn vordering niet afwijzen maar de zaak voor onbepaalde tijd, niet langer dan tot 1 juli 2004, aanhouden teneinde het COA in de gelegenheid te stellen om de beslissing op meerbedoelde aanvraag in het geding te brengen. Daartoe kan zij andermaal om een zittingsdatum vragen waarop deze zaak verder zal worden behandeld, waartoe zij gedaagden middels hun raadsman kan oproepen. Iedere verdere beslissing wordt gereserveerd.

Zo niet vóór 1 juli 2004 een dergelijk verzoek om dagbepaling of enig verder uitstel, dat laatste onder opgave van redenen, de griffier heeft bereikt, neemt de rechter aan dat eiser geen voldoende spoedeisend belang bij haar vordering meer heeft en zal deze als ingetrokken worden beschouwd.

Iedere verdere beslissing wordt gereserveerd.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

houdt de zaak voor onbepaalde tijd aan teneinde COA in de gelegenheid te stellen de beslissing op het verzoek van [gedaagde] ingevolge TBV 2001/31 in het geding te brengen;

bepaalt dat indien een dergelijk verzoek om voortzetting de griffier niet vóór 1 juli 2004 zal hebben bereikt, de vordering als ingetrokken zal worden beschouwd;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.W. Rullmann, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 december 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.

- 6 -