Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2003:AN9890

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-12-2003
Datum publicatie
12-12-2003
Zaaknummer
01/025206.02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Beëindiging maatregel tot plaatsing in een inrichting voor de opvang van verslaafden op verzoek van veroordeelde, nu niet de vereiste intensieve, persoonlijke behandeling kan worden geboden die veroordeelde behoeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2004, 68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/025206-02

Uitspraakdatum: 11 december 2003 (bij vervroeging)

BESLISSING EX ARTIKEL 38s lid 2 WETBOEK VAN STRAFRECHT

(beëindiging SOV-maatregel)

Beslissing in de zaak van:

[veroordeelde],

geboren te (geboorteplaats) op (geboortedatum) 1967,

verblijvende in de PI Vught - Nieuw Vosseveld 2 IBA/BZA, te Vught.

Het onderzoek van de zaak.

Bij vonnis van de rechtbank van 5 november 2002 is aan betrokkene de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor de opvang van verslaafden voor de duur van twee jaren opgelegd.

Bij beslissing van de rechtbank van 27 mei 2003 is de tenuitvoerlegging van voornoemde maatregel voortgezet.

Veroordeelde heeft bij brief van 29 juli 2003 verzocht om de maatregel te beëindigen.

Op 21 november 2003 heeft F. Langeraar, directeur van de PI Utrecht, locatie Wolvenplein, gerapporteerd omtrent veroordeelde.

Het verzoek is behandeld ter openbare raadkamer van deze rechtbank van 2 december 2003.

Hierbij zijn de officier van justitie, de getuige-deskundige (naam getuige-deskundige), de veroordeelde en zijn raadsman gehoord.

De bevoegdheid van de rechtbank

In het vonnis van 5 november 2002 is niet voorzien in een tussentijdse rechterlijke toetsing als bedoeld in art. 38s, eerste lid, Wetboek van Strafrecht. De beslissing van 27 mei 2003 vond zijn grondslag in een ambtshalve beoordeling door de rechtbank, naar aanleiding van een brief van de Penitentiaire Inrichtingen Utrecht d.d. 26 april 2003, naar de wenselijkheid en noodzakelijkheid van de voortzetting van de SOV-maatregel.

De officier van justitie stelt dat de rechtbank niet bevoegd is te oordelen over het verzoek van veroordeelde. Zulks omdat op 27 mei 2003 reeds een beoordeling van de maatregel heeft plaatsgevonden en uit de tekst en de wetsgeschiedenis van art. 38s Wetboek van Strafrecht volgt dat slechts één tussentijdse rechterlijke beoordeling van de maatregel mogelijk is.

Art. 38s Wetboek van Strafrecht luidt voorzover van belang als volgt:

1. "De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie, op verzoek van de verdachte of diens raadsman dan wel ambtshalve, bij het opleggen van de maatregel en nadien eenmaal op vordering van het openbaar ministerie, op verzoek van de veroordeelde of zijn raadsman of ambtshalve, bepalen dat het openbaar ministerie hem binnen een bepaalde termijn bericht over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel. (...)

2. Indien de rechter naar aanleiding van de in het eerste lid bedoelde inlichtingen van oordeel is dat de verdere tenuitvoerlegging van de maatregel niet langer is vereist, beëindigt hij deze."

De rechtbank is anders dan de officier van justitie van oordeel dat de tekst van art. 38s niet dwingt tot de conclusie dat in totaliteit slechts één tussentijdse rechterlijke beoordeling kan plaatsvinden. De tekst laat evenzeer de mogelijkheid open dat zowel het openbaar ministerie, als de veroordeelde en diens raadsman, als de rechtbank ambtshalve, eenmaal een tussentijdse rechterlijke beoordeling kan verzoeken respectievelijk bewerkstelligen.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de wetsgeschiedenis van art. 38s voor zover het betreft de behandeling in de Tweede Kamer (TK 19997-1998, 26023, nrs. 1-2, p. 4; TK 1999-2000, 26023, nr. 8, nota naar aanleiding van het nader verslag, p. 4; TK 1999-2000, 26023, nr. 9, tweede nota van wijziging, p. 1) er op wijst dat de wetgever in totaliteit slechts één tussentijdse rechterlijke beoordeling mogelijk heeft willen maken. De Eerste Kamer echter, heeft door middel van het aannemen van een motie (motie Van de Beeten, EK 2000-2001, 26203, nr. 16c) tot uitdrukking gebracht dat de veroordeelde in ruimere mate dan voorzien in het voorstel van wet toegang diende te krijgen tot de rechter. De regering heeft de Kamer toegezegd deze motie uit te zullen voeren en inmiddels is een voorstel van wet (TK 2002-2003, 28980, nrs. 1-2) dat onder meer strekt tot wijziging van art. 38s Wetboek van Strafrecht bij de Tweede Kamer aanhangig. Het voorgestelde nieuwe art. 38s, lid 1, luidt voorzover van belang als volgt:

"De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie, op verzoek van de verdachte of diens raadsman dan wel ambtshalve, bij of na het opleggen van de maatregel beslissen tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel."

Tegen deze achtergrond en mede gelet op art. 5 lid 4 EVRM, dat voorzover van belang bepaalt dat een ieder die van zijn vrijheid is beroofd "by arrest or detention shall be entitled to take proceedings by which the lawfulness of his detention shall be decided speedily by a court", is de rechtbank van oordeel dat art. 38s Wetboek van Strafrecht aldus dient te worden uitgelegd dat de eerdere ambtshalve beoordeling van de wenselijkheid en noodzaak van de voortzetting van de SOV-maatregel niet in de weg staat aan een nieuwe beoordeling naar aanleiding van een eerste daartoe strekkend verzoek van veroordeelde.

De rechtbank is derhalve bevoegd van het verzoek kennis te nemen.

De beoordeling.

De maatregel van plaatsing in een inrichting voor de opvang van verslaafden voor de duur van twee jaren is opgelegd terzake "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd" en "het in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen".

In voornoemd rapport heeft F. Langeraar, zakelijk weergegeven, onder meer het navolgende gesteld:

Betrokkene is begin december 2002 in de inrichting voor Strafrechtelijke Opvang Verslaafden in Utrecht geplaatst. Na een suïcidepoging is betrokkene begin februari 2003 overgeplaatst naar de Forensische Observatie- en Begeleidingsafdeling te Amsterdam. Op 21 juli 2003 is betrokkene vanuit Amsterdam overgebracht naar de Forensische Schakel Unit te Vught.

Na de zitting van 27 mei 2003 zijn door de SOV-Utrecht vele pogingen ondernomen om betrokkene in een meer geëigende setting te plaatsen, maar de resultaten zijn tot een minimum beperkt gebleven.

In oktober 2003 is betrokkene aangemeld bij de afdeling dubbeldiagnose van Novadic te Den Bosch. Medio november 2003 hebben twee intakegesprekken plaatsgevonden. De kans dat hij in deze kliniek kan worden opgenomen wordt niet onaanzienlijk geacht, maar enige zekerheid is niet te geven.

De deskundige (naam deskundige) voornoemd heeft bij de behandeling in raadkamer het navolgende, zakelijk weergegeven, verklaard:

Het is nog onzeker of betrokkene kan worden opgenomen in de kliniek van Novadic. Ik hoor dat over een dag of tien. Er zijn meer aanmeldingen dan plaatsen. Er is dus een wachtlijst en de termijn waarop iemand kan worden geplaatst kan oplopen tot 6 maanden.

De veroordeelde heeft verklaard:

Ik blijf bij mijn verzoek, ik wil dat de maatregel wordt beëindigd. Ik ga wel naar het Leger des Heils en ik zoek zelf wel hulp. Ik heb er nu een jaar opzitten. Stel dat ik kan worden opgenomen bij Novadic dan duurt het nog 3 tot 6 maanden voordat ik geplaatst word. Straks kom ik boven de einddatum van de SOV-maatregel uit. Ik wil de straat op en werk zoeken.

De raadsman van veroordeelde heeft ondermeer aangevoerd:

Er is geprobeerd om een goede plek voor cliënt te vinden maar dat is niet gelukt. Het liefst wil cliënt een behandeling en dan een goede terugkeer in de maatschappij. Omdat cliënt nergens terecht kan wil hij het nu zelf proberen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit het onderzoek in raadkamer is gebleken dat er thans, 13 maanden na oplegging van de maatregel, nog steeds geen behandelmogelijkheden voor veroordeelde zijn. Ook plaatsing in Novadic is onzeker en de vraag is of een eventuele opname tot een goed behandelresultaat zal leiden.

Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat één van de conclusies uit het rapport van 11 april 2003, uitgebracht ten behoeve van de behandeling in raadkamer van 27 mei 2003, nog steeds actueel is: de SOV-maatregel lijkt veroordeelde niet te kunnen helpen, omdat binnen deze maatregel niet de vereiste intensieve, persoonlijke behandeling kan worden geboden die veroordeelde behoeft.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdere tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor de opvang van verslaafden dient te worden beëindigd.

Gezien artikel 38s van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING.

Beëindigt met ingang van heden de aan (naam veroordeelde) opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor de opvang van verslaafden.

Deze beslissing is gegeven door:

mr. M.H. Kobussen, voorzitter,

mr. C.N.M. Goyaerts-Antens en mr. M.L.W.M. Viering, leden,

in tegenwoordigheid van mw. L.M.E. de Roo, griffier,

en is bij vervroeging uitgesproken ter openbare raadkamer van deze rechtbank van 11 december 2003.