Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2003:AN9152

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-11-2003
Datum publicatie
08-12-2003
Zaaknummer
AWB 03/2725 VV, AWB 03/2726
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2004:AQ6033
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Betreft verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 406 van het Bouwbesluit en verlening van een bouwvergunning voor het vergroten van woningen.

Uitspraak in hoger beroep bevestigd; LJN AQ6033

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

UITSPRAAK

AWB 03/2725 VV

AWB 03/2726

Uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tevens uitspraak als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb, in het geschil tussen:

[eiser]

gemachtig[belanghebbende]jen ingevolge artikel 8:26 van de Awb:

[belanghebbende]

[gemachtigde]

I. PROCESVERLOOP

Bij afzonderlijke besluiten van 22 november 2002 heeft verweerder aan vergunninghouders, gezien hun aanvragen van 25 september 2002, onder verlening van vrijstelling als bedoeld i[adres]06 van het Bouwbe[adres]vergunning verleend voor het vergroten van hun woningen op de percelen [adres] onder de in die besluiten genoemde voorwaarden.

Tegen deze besluiten is namens eisers op 23 december 2002 bezwaar gemaakt bij verweerder. Het bezwaarschrift is bij schrijven van 29 januari 2003 aangevuld.

Bij schrijven van 6 februari 2003 is de voorzieningenrechter van deze rechtbank namens eisers verzocht een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, inhoudende schorsing van de besluiten van 22 november 2002. De verzoeken zijn geregistreerd onder de nummers AWB 03/369 VV, AWB 03/384 VV en AWB 03/385 VV.

Tijdens een op 17 maart 2003 gehouden hoorzitting hebben eisers hun bezwaren mondeling toegelicht.

Bij afzonderlijke uitspraken van 27 maart 2003 heeft de voorzieningenrechter de verzoeken om een voorlopige voorziening toegewezen en de bestreden besluiten van 22 november 2002 geschorst tot zes weken na de datum van de beslissing op het bezwaar.

Bij besluit van 18 september 2003 heeft verweerder de bezwaren van eisers gegrond verklaard voor zover die bouwvergunningen geen overwegingen bevatten over de bevoegdheid om op grond van artikel 4, lid 4.3 van de voorschriften van het bestemmingsplan "De Kelen" een nadere eis te stellen ten aanzien van de bebouwingshoogte en de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eisers bij schrijven van 6 oktober 2003, ter griffie ingekomen op 7 oktober 2003, beroep ingesteld bij deze rechtbank. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 03/2726 BOUWB.

Bij schrijven van gelijke datum is de voorzieningenrechter namens eisers verzocht een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 03/2725 VV.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 30 oktober 2003, waar eisers [eiser] in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door [gemachtigde] werkzaam bij verweerders gemeente.

Voorts zijn ter zitting verschenen vergunninghouders [belanghebbende] alsmede hun gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep is ingesteld bij de rechtbank en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek niet meer kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak doen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat zich in het onderhavige geval een situatie voordoet als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Daarbij wordt opgemerkt dat partijen in de uitnodiging voor de zitting op de bevoegdheid van de voorzieningenrechter zijn gewezen om tevens uitspraak te doen in de aan het verzoek om een voorlopige voorziening ten grondslag liggende hoofdzaak.

In geding is verweerders besluit van 18 september 2003, waarbij de bezwaren van eisers, gericht tegen de op 22 november 2002 verleende bouwvergunningen voor het vergroten van de woningen op de percelen [adres], [adres] gegrond zijn verklaard voor zover die bouwvergunningen geen overwegingen bevatten over de bevoegdheid om op grond van artikel 4, lid 4.3 van de voorschriften van het bestemmingsplan "De Kelen" een nadere eis te stellen ten aanzien van de bebouwingshoogte en de bezwaren voor het overige ongegrond zijn verklaard.

Voor wat betreft de feitelijke situatie en het toetsingskader in de onderhavige zaak verwijst de voorzieningenrechter naar hetgeen hieromtrent reeds is overwogen in de hiervoor genoemde uitspraken van de voorzieningenrechter van 27 maart 2003, welke overwegingen de voorzieningenrechter tot de hare maakt.

Bji uitspraken van 27 maart 2003 heeft de voorzieningenrechter voorts overwogen dat naar zijn voorlopig oordeel de in de op 12 mei 1992 verleende bouwvergunning opgenomen nadere eis niet enkel met een beroep op het niet in het dictum van de vergunning neergelegd zijn, kan worden afgedaan, zoals ter zitting zijdens verweerder is geschied. Dit te meer niet daar de nadere eis wordt vermeld in de brief van 14 december 2001 en in deze brief wordt aangegeven onder welke voorwaarde(n) kapopbouw voor de [adres] [adres] mogelijk is. De enkele - niet nader onderbouwde - verklaring die verweerder heeft gegeven voor het terzijde stellen van de brief, namelijk dat deze onjuiste informatie bevat, achtte de voorzieningenrechter gelet op de gedetailleerdheid hiervan vooralsnog niet afdoende. De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerders standpunt dat in deze ondanks de vergunning uit 1992 en de brief uit 2001 kan worden teruggevallen op het bestemmingsplan een nadere onderbouwing behoeft.

Gelet hierop, alsmede op het belang van verzoekers, heeft de voorzieningenrechter verweerders primaire besluiten van 22 november 2002 geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Bij het in casu ter beoordeling voorliggende besluit op bezwaar heeft verweerder de primaire besluiten gehandhaafd en nader onderbouwd waarom hij geen nadere eis met betrekking tot de bebouwingshoogte in de bestreden bouwvergunningen heeft opgenomen.

Eisers stellen zich primair op het standpunt dat het bestreden besluit in rechte niet kan worden gehandhaafd omdat zowel de woning aan de [adres], als de in geding zijnde uitbreiding van die woning in strijd is met het vigerende bestemmingsplan "De Kelen". De betreffende woning is immers noch op de plankaart noch in het bij het bestemmingsplan behorende register opgenomen. Dit betekent volgens eisers dat de woning niet in één van de aangegeven bebouwingsklassen valt, terwijl in artikel 4, eerste lid, onder e van de planvoorschriften is bepaald dat woningen uitsluitend mogen worden gebouwd in één van de aangegeven bebouwingsklassen.

De voorzieningenrechter kan dit standpunt van eisers niet volgen. Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de woning [adres] gesitueerd op gronden die blijkens de bestemmingsplankaart zijn bestemd voor woondoeleinden. Deze gronden zijn op de kaart "Huisnummering" en in het register van het bestemmingsplan weliswaar aangeduid als [[adres] maar gebleken is dat de betreffende percelen naar aanleiding van een nadien ingediend bouwplan zijn versmald en ver[adres] [adres]]

Voor dit bouwplan is op 12 mei 1992 bouwvergunning verleend. De bouwvergunning is verleend ten behoeve van het oprichten van 9 woningen in de bebouwingsklasse C2. Blijkens de bebouwingsregeling behorende bij het bestemmingsplan "De Kelen" geldt voor deze klasse een goothoogte van maximaal 6 meter en een bebouwingshoogte van maximaal 10 meter.

Voorts kan het bestreden besluit volgens eisers niet in stand blijven omdat de aan de op 12 mei 1992 verleende bouwvergunning verbonden nadere eis, inhoudende dat de hoogte van de hoofdbouwmassa maximaal 6 meter mag bedragen, mede gelet op de inhoud van de brief van 14 december 2001, nog steeds geldt.

Ook dit standpunt van eisers wordt door de voorzieningenrechter niet gedeeld.

Zoals van de zijde van verweerder terecht is opgemerkt, houdt een aan een bouwvergunning verbonden nadere eis op te gelden, zodra het vergunde bouwplan is uitgevoerd. De voorzieningenrechter vindt voor deze opvatting steun in de literatuur (vgl. p. 52 e.v. van "Hoofdlijnen ruimtelijk bestuursrecht", Van Buuren, Backes en De Gier, Kluwer Deventer, vierde druk 2002).

Het vigerende bestemmingsplan "De Kelen" staat ter plaatse blijkens de bebouwingsregeling klasse C2 maximaal 2 bouwlagen toe. Ter zitting is de vraag aan de orde geweest of het onderhavige bouwplan al of niet voorziet in een derde bouwlaag. Onder "bouwlaag" wordt blijkens artikel 1, aanhef en onder k van de planvoorschriften verstaan: een begane grond of een hoger gelegen verdieping waarbij ruimten in de kap niet worden meegerekend. Het onderhavige bouwplan voorziet in de oprichting van een kap, met daarin twee slaapkamers en een vliering. Bedoelde ruimten vallen in de kap en vormen naar het oordeel van de voorzieningenrechter derhalve geen bouwlaag als bedoeld in voormeld planvoorschrift, hetgeen tussen partijen overigens ook niet in geschil is.

Op grond van het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het onderhavige bouwplan in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan. Dat één van de overige in artikel 44 van de Ww genoemde weigeringsgronden zich in casu voordoet, is gesteld noch gebleken.

Uit het bepaalde in artikel 44 van de Ww volgt dat een bouwvergunning moet worden geweigerd als zich één of meer van de in dat artikel omschreven weigeringsgronden voordoen, doch dat de vergunning moet worden verleend indien zo'n weigeringsgrond ontbreekt. Afweging van de betrokken belangen komt echter wel aan de orde indien, zoals in casu, bij het vigerende bestemmingsplan op de voet van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de WRO aan burgemeester en wethouders een discretionaire bevoegdheid is toegekend tot het stellen van nadere eisen. In zo'n situatie gaat beantwoording van de vraag of al dan niet van de bestaande bevoegdheid gebruik zal worden gemaakt vooraf aan de - op zichzelf gebonden - beslissing op de aanvraag om bouwvergunning.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich in het kader van de besluitvorming naar aanleiding van de ingediende bezwaren de vraag gesteld of er, gelet op de door eisers aangevoerde belangen, in redelijkheid kon worden afgezien van het stellen van een nadere eis. Verweerder heeft deze vraag positief beantwoord. Verweerder heeft hierbij in aanmerking genomen dat de op te richten kapconstructies slechts een beperkte vermindering van het uitzicht vanuit de woningen van eisers zullen veroorzaken. Van een onaanvaardbare beperking van zonlichttoetreding is volgens verweerder evenmin sprake, gelet op het feit dat de te realiseren kapconstructies pas aan het einde van de dag schaduw zullen veroorzaken. Ook de privacy van eisers zal ten gevolge van de realisering van het bouwplan, gelet op de afstand tot de perceelsgrens, niet (onaanvaardbaar) worden geschonden, aldus verweerder.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de door verweerder gemaakte belangenafweging, mede gelet op het belang van de vergunninghouders bij vergroting van hun woongenot en gelet op het feit dat het bestemmingsplan de mogelijkheid biedt om te bouwen tot een hoogte van 10 meter, niet onredelijk worden geacht.

Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verweerder de primaire besluiten terecht en op goede gronden bij het besluit op bezwaar heeft gehandhaafd. Het beroep is derhalve ongegrond.

Gegeven deze beslissing in de hoofdzaak bestaat er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening als door eisers gevraagd.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter,

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. A.H.N. Kruijer als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.P.C. Anssems als griffier op 13 november 2003.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak - voor zover daarbij op het beroep is beslist - binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA

's-Gravenhage.

Afschrift verzonden:

5

AWB 03/2725 VV

AWB 03/2726