Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2003:AL8960

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-07-2003
Datum publicatie
14-10-2003
Zaaknummer
70448 FA RK 01-3359
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verrekening volgens Amsterdams Verrekenbeding,

gereserveerde winsten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

BESCHIKKING

Zaaknummer : [1]

Uitspraak : [x-x-2003]

Beschikking betreffende verdeling in de zaak van

[namen van de vrouw],

wonende te [woonplaats]

procureur mr. S.M.M. van Dooren,

advocaat mr. E.M.T. van Ruitenbeek- de Bekker,

tegen:

[namen van de man],

wonende te [woonplaats]

procureur mr. L.G.M. van Vugt-van Moorsel,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de vrouw en de man.

De procedure

Deze beschikking betreft het vervolg op de beschikking van deze rechtbank van [x-x] 2002. De inhoud van deze beschikking kan hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. In die beschikking heeft de rechtbank onder andere de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de beslissing ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen de rechtbank te informeren over de verschillende vermogensbestanddelen.

Nadien heeft de rechtbank kennisgenomen van de volgende stukken:

- de brieven van de procureur van de vrouw, gedateerd 5 september 2002 (met bijlagen) en 16 oktober 2002 (met bijlagen), en

- de brief van de procureur van de man, gedateerd 20 september 2002 (met bijlagen).

De vrouw verzoekt terzake de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk:

- partijen te veroordelen over te gaan tot verdeling van wat gemeenschappelijk is;

- partijen te veroordelen over te gaan tot afrekening van de huwelijkse voorwaarden en de omvang van de afrekening vast te stellen op grond van de aanspraken van de vrouw als geformuleerd in het zelfstandig verzoek. De vrouw becijfert haar aanspraken, na aftrek van een reeds betaald voorschot, op [€] 214.531,71.

De man heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw.

Beoordeling

Inboedel

Ingevolge het bepaalde in artikel 1 huwelijkse voorwaarden bestaat tussen partijen slechts een gemeenschap van inboedel. Overigens zal tussen hen generlei gemeenschap bestaan, ook geen gemeenschap van winst en verlies.

Volgens de inhoud van de brief van de procureur van de man van 20 september 2002 hebben partijen overeenstemming bereikt over de waarde van de inboedel en hebben zij nagenoeg overeenstemming bereikt over de verdeling en de effectuering van die verdeling.

Nu de procureur van de vrouw in de brief van 16 oktober 2002 niet meer ingaat op de verdeling van de inboedel, gaat de rechtbank ervan uit dat de inboedel inmiddels daadwerkelijk is verdeeld. Het verzoek van de vrouw om tot verdeling over te gaan zal derhalve bij gebrek aan belang worden afgewezen.

Vergoedingsrechten ex artikel 5

De vrouw stelt dat haar privé-vermogen van [€] 23.512,71 (fl. 51.815,20) door de man is aangewend voor de aanschaf van een stuk grond met zijn broer, de aankoop van een caravan en de aankoop van een Perzisch tapijt. Het stuk grond en de caravan zijn inmiddels verkocht. Het tapijt behoort volgens de vrouw tot de te verdelen inboedel.

De man erkent dat de vrouw van hetgeen zij ten huwelijk heeft aangebracht twee Perzische tapijten en een caravan heeft gekocht. De man voert verder aan dat hij zakelijk een stuk grond heeft gekocht en dat de verkoopprijs van die grond in het ondernemingsvermogen is opgenomen. De man gaat akkoord met de aanname dat het privé-vermogen van de vrouw heeft gestrekt ten bate van de gemeenschap, zodat zij aanspraak heeft op een nominale vergoeding ten laste van de gemeenschap. De man meent dat, gezien de verdeling van de gemeenschap, ieder van partijen de helft van de vergoeding voor zijn rekening dient te nemen, zodat de vrouw aanspraak kan maken op een bedrag van [€] 11.756,36.

Tussen partijen is niet in geschil dat de inbreng van de vrouw heeft gestrekt ten bate van partijen en dat de vrouw aanspraak kan maken op restitutie van het nominale bedrag van haar inbreng. Partijen zijn gehuwd in een gemeenschap van inboedel. Tot die inboedel behoren twee Perzische tapijten ter waarde van [€] 4.788,87. Partijen zijn het erover eens dat deze door de vrouw zijn betaald. Over de wijze van besteding van het overige verschillen partijen van mening.

Nu niet vaststaat of van de inbreng van de vrouw andere inboedelzaken zijn aangeschaft, dient op het bedrag van de inbreng van de vrouw in mindering te worden gebracht de helft van de kosten van de Perzische tapijten, zijnde [€] 2.394,44 (bijlage 5 bij de brief van

20 september 2002 van de man), waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat de inboedel bij helfte is verdeeld. Aan de vrouw komt derhalve toe [€] 21.118,--.

Verrekenbeding

Ingevolge het bepaalde in artikel 6a van de huwelijkse voorwaarden voegen de echtgenoten elk jaar ter verdeling bij helfte bijeen hetgeen over dat jaar onverteerd is gebleven. Tussen partijen is niet in geschil dat verrekening nooit heeft plaatsgevonden. De vrouw verzoekt daarom, kort gezegd, verrekening van bespaarde, niet verrekende inkomsten en verrekening van de waardevermeerdering van een aantal vermogensbestanddelen van de man.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende vaststaande feiten:

- partijen zijn op [in 1970 ] onder het maken van huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd;

- de samenwoning is omstreeks [september 2001 ] definitief verbroken;

- de echtscheidingsbeschikking is op [in 2002 ] ingeschreven in de registers van e burgerlijke stand;

- de man heeft als voorschot op de verrekening [€] 25.000,-- betaald.

De rechtbank zal, gelet het bovenstaande, de periode waarover verrekening dient plaats te vinden bepalen op [in 1970 ] tot [ein[eind X ]2001 ]

Woning [adres]

Als gesteld en onvoldoende weersproken staat het volgende vast:

a) de woning behoorde voor 5/10e gedeelte tot de nalatenschap van de op [x -x] 1948 overleden moeder van de man (het andere 5/10e gedeelte behoorde tot de gemeenschap van goederen waarin de moeder met de vader was gehuwd). Tot die nalatenschap waren gerechtigd de vader van de man en de vier kinderen, onder wie de man, ieder voor 1/10e gedeelte;

b) bij akte van [ eind] 1972 is de onverdeeldheid tussen de erfgenamen van de moeder van de man opgeheven;

c) aan de man is het woonhuis toegescheiden onder de verplichting om wegens overbedeling aan zijn vader een bedrag van fl. 9.000,-- uit te keren;

d) de waarde van het aandeel van de man in de woning in de nalatenschap bedroeg fl. 7.500,--;

e) de vader van de man heeft de man voor betaling van het bedrag van overbedeling kwijting verleend.

De vrouw stelt dat zij recht heeft op [€] 98.182,-- (zijnde 0,5 x 9000/16.500 X [€] 360.000,--). Zij voert aan dat de man tijdens het huwelijk de eigendom van de woning bij de verdeling van de nalatenschap van de moeder van de man heeft verworven.

De man betwist dat de waardevermeerdering van de woning verrekend moet worden. Hij voert aan dat hij de woning vóór het huwelijk heeft verworven als zijnde zijn onverdeeld aandeel in de nalatenschap van zijn moeder.

De rechtbank acht de stelling van de man dat hij de woning reeds voor het huwelijk in eigendom heeft verworven, in zoverre juist dat de man voor het huwelijk krachtens erfrecht voor 1/10e gedeelte de onverdeelde eigendom heeft verworven van (onder andere) de woning. De onverdeeldheid is echter ná het sluiten van het huwelijk, namelijk op

[ eind] 1972, opgeheven. Ten gevolge daarvan heeft de man de volledige eigendom van de woning van de overige erfgenamen verworven en is het bedrag van de overbedeling van fl. 9.000,-- door verrekening voldaan. De woning is dus (gedeeltelijk) in de periode waarover verrekend moet worden verworven.

De man, verwijzende naar HR 26 oktober 2001, NJ 2002, 93, stelt dat partijen bewust hebben gekozen voor het maken van huwelijkse voorwaarden met de bedoeling om aanbrengsten als afgescheiden vermogen buiten iedere gemeenschap te houden. Volgens de man ziet voormeld arrest op een andere situatie omdat de (tweede) woning in dat geval gemeenschappelijk door de echtelieden was verworven.

De man miskent daarbij evenwel dat, indien tijdens het huwelijk verrekening van bespaarde inkomsten achterwege is gebleven, de waarde van het vermogen dat een echtgenoot door belegging van de bespaarde, niet verteerde inkomsten heeft opgebouwd, in de verrekening moet worden betrokken (HR 7 april 1995, NJ 1996, 486).

Voorts gaat de man eraan voorbij dat het in het door hem aangehaalde arrest onder andere ging om de vraag of de overwaarde van de eerste woning die door de man in eigendom was verworven en waarmee de tweede woning gedeeltelijk was gefinancierd, verrekend diende te worden. In dat geval kwam de Hoge Raad tot een bevestigende beantwoording van die vraag.

De rechtbank oordeelt dat de waarde van de woning in de verrekening dient te worden betrokken voor dat deel dat tijdens het huwelijk is verworven. De rechtbank kent daarbij betekenis toe aan het feit dat de woning gedurende het gehele huwelijk van partijen als echtelijke woning heeft gefungeerd.

Tussen partijen is niet in geschil dat tot de waarde van de woning niet gerekend dient te worden de berging die in eigendo[naam] noch dat blijkens het door [ Y ] Makelaars opgestelde taxatierapport de onderhandse verkoopwaarde exclusief berging met cv-ketel per [eind X ] 2001 [€] 360.000,-- bedraagt. Ook de door de vrouw gehanteerde systematiek van verrekening is tussen partijen niet in geschil.

Gelet op het bovenstaande dient aan de vrouw derhalve uitgekeerd te worden een bedrag van [€] 98.182,--, zijnde 0,5 x 9000/16.500 X [€] 360.000,--.

Bungalow [adres]

Als gesteld en onvoldoende weersproken staat ten aanzien van de bungalow het volgende vast:

a) bij voormelde akte van scheiding en deling van [ eind] 1972 is de bungalow aan de vader van de man toegescheiden;

b) bij akte van economische eigendomsoverdracht van [ medio ] 1991 heeft de vader van de man aan de man en de halfbroer en (half)zussen van de man, ieder voor 1/7e, de economische eigendomsrechten van voormeld pand verkocht. De vader van de man had, tot zijn overlijden op [ eind ] 1993, het recht van gebruik en bewoning;

c) in december 2000 hebben de halfbroer en (half)zussen van de man de bungalow aan de man verkocht. De koopprijs bedraagt (totaal) fl. 407.142,86, zijnde 6/7e van

fl. 475.000 ([€] 215.545,60);

d) de koopprijs is in september 1999 aan de halfbroer en (half)zussen voldaan via de rekening-courant van de [ A BV] van de man. In verband met deze transactie is ten behoeve van de Rabobank hypotheek op de echtelijke woning gevestigd tot een bedrag van fl. 500.000,--, tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de Rabobank van partijen en de BV's van de man te vorderen heeft. De vrouw heeft de hypotheekakte meeondertekend.

e) de onderhandse verkoopwaarde van de woning in onverhuurde staat is getaxeerd op [€] 250.000,--. De onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat bedraagt [€] 245.000,--;

f) de bungalow is verhuurd tot 1 november 2002. De huurpenningen worden gestort op de rekening-courant van de man met de [ A BV];

g) de bungalow is nog niet aan de man geleverd.

De vrouw meent dat zij recht heeft op verrekening van de vermogensvermeerdering van de bungalow naar evenredigheid, nu de bungalow tijdens het huwelijk is aangekocht en niet kan worden vastgesteld dat naar de bedoeling van partijen of een derde, zonder enig recht op verrekening de bungalow tot het vermogen van de man zou gaan behoren. De vrouw gaat uit van de waardevermeerdering in onverhuurde staat nu de huurder van de bungalow de huur per 1 november 2002 heeft opgezegd. Deze waardevermeerdering bedraagt

[€] 34.454,--. De vrouw stelt derhalve dat zij recht heeft op [€] 14.766,-- (zijnde 0,5 x 6/7 x

[€] 34.454,--).

De man stelt dat ter financiering van de bungalow geen overgespaard inkomen is aangewend maar uitsluitend het privé-vermogen van de man in de vorm van een schuld in rekening-courant aan de BV. Verder heeft de man aangevoerd dat de huuropbrengst van de bungalow van fl. 2.000,-- per maand onvoldoende is om daaruit de renteverplichtingen uit de rekening-courantschuld te voldoen. De rentebaten door de man te voldoen aan de BV komen volgens de man als winst c.q. onverteerd inkomen ten goede aan de vrouw.

De rechtbank stelt voorop dat aan de omstandigheid dat partijen staande huwelijk nimmer uitvoering hebben gegeven aan het verrekenbeding, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid mede in verband met de aard van het verrekenbeding, het gevolg moet worden verbonden dat partijen gehouden zijn de vermogensbestanddelen die zij tijdens hun huwelijk hebben verworven en waarvan niet kan worden vastgesteld dat zij naar de bedoeling van partijen of van een derde zonder enig recht op verrekening behoren tot het vermogen van één der partijen, alsnog dienen te verdelen alsof deze vermogensbestanddelen aan hen gemeenschappelijk toebehoren.

De rechtbank oordeelt dat de man, gezien voormeld uitgangspunt, onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan de waardevermeerdering van de bungalow buiten de verrekening dient te blijven. De rechtbank kent daarbij betekenis toe aan het feit dat in verband met de financiering van de bungalow met gelden die van de rekening-courant zijn opgenomen, een hypotheek op de voormalige echtelijke woning is gevestigd, waarvoor de vrouw mede aansprakelijk is danwel het risico heeft gelopen voor terugbetaling van al hetgeen de Rabobank van partijen en van de BV's van de man te vorderen heeft. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat de waardestijging verrekend dient te worden.

Wat betreft de waardering van de bungalow gaat de rechtbank uit van de onderhandse verkoopwaarde in bewoonde staat, nu tijdens de verrekenperiode de bungalow was bewoond en de huur nog niet was opgezegd. De waarde in bewoonde staat bedraagt

  245.000,--. De waardestijging van het pand bedraagt derhalve   29.455,--.

Nu de man de door de vrouw gehanteerde systematiek van verrekenen niet heeft betwist, komt aan de vrouw toe   12.624,--, zijnde 0,5 x 6/7 x   29.455,--.

Gereserveerde winst

Als gesteld en onvoldoende weersproken staat het volgende vast:

a) de man heeft bij het huwelijk aangebracht het onverdeelde aandeel in de [ vennootschap] met zijn vader;

b) de man en zijn vader hebben op [ begin] 1973 de besloten vennootschap [ Z ] [naam] (de latere [ A BV]) opgericht. Bij de oprichting zijn 30 aandelen bij de vader en 20 aandelen bij de man geplaatst. Ter voldoening aan zijn volstortverplichting heeft de man zijn aandeel in voormelde [ vennootschap] ingebracht;

c) in 1976 heeft de vader van de man aan de man 5 aandelen overgedragen. Op dat moment bezat de man derhalve 50% van het geplaatste aandelenkapitaal;

d) op [ begin] 1988 heeft de vader vervolgens de overige 25 aandelen aan de man overgedragen;

e) de [ A BV] bezit 100% van de aandelen in [ Q BV].

De vrouw stelt, na wijziging van haar verzoek, dat zij recht heeft op [€] 103.071,-- (zijnde 0,5 x 30/50 x [€] 343.570,--). Volgens de vrouw blijkt uit de brief van de accountant van de man van 17 april 2002 dat de waarde van de onderneming [€] 343.570,-- bedraagt. De vrouw betwist dat de continuïteit van de BV in gevaar komt omdat de man aangegeven heeft de onderneming te willen staken.

De man meent dat uitsluitend de waardestijging van het aandeel voor zover deze niet het gevolg is van de waardestijging van de onroerende zaak van de BV, voor verrekening in aanmerking komt. De waarde exclusief de onroerende zaak bedraagt [€] 154.069,--. Hij stelt dat aan de vrouw toekomt [€] 20.719,62 (pro rato 13/29 van 0,5 x 30/50 x [€] 154.069,--). Het bedrag dient volgens de man niet verrekend te worden omdat daardoor de continuïteit van de BV in gevaar komt.

De rechtbank onderscheidt de volgende geschilpunten:

1) vermeerdering van het vermogen van de man ontstaan in de periode [in 1970 ] tot en met [eind X ] 2001 door belegging van hetgeen uit de inkomsten van de man bespaard en ongedeeld is gebleven, moet in de verrekening worden betrokken, en

2) een waardestijging van vermogensbestanddelen van de man die op andere wijze zijn verkregen en die geen inkomsten hebben opgeleverd, valt in beginsel buiten de verrekening, tenzij een zodanige waardestijging als inkomen behoort te worden gekwalificeerd. Dat geval zal zich voordoen ten aanzien van de aandelen van de man waarop geen winst is uitgekeerd, mits blijkt dat uitkeerbare winst naar normen die in het maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd, wel geacht moet worden te zijn gemaakt, en mits bovendien de man in overwegende mate bij machte was te bepalen dat die winst hem rechtstreeks of middellijk ten goede zou komen (HR 2 maart 2001, RvdW 2002, 63).

Partijen strijden in de eerste plaats over de vraag op welke wijze de man de aankoop van de 30 aandelen heeft gefinancierd. De vrouw stelt dat de aankoop van de aandelen van de vader betaald had kunnen worden van de vordering in rekening-courant van de man op de BV, aangezien het saldo van de rekening-courant zodanig was dat na aankoop nog een positief saldo resteerde. Zij betwist derhalve dat de aankoop van de aandelen is gefinancierd door de vennootschap. Bovendien blijkt volgens de vrouw dat de rekening-courant hoofdzakelijk is ontstaan/afgelost met overgespaard inkomen.

De man stelt dat betaling van de aandelen is verwerkt in de rekening-courant, dat de man een "lening" met de BV is aangegaan en dat de aandelen derhalve door de BV zijn gefinancierd.

Beoordeeld dient te worden in hoeverre de aandelen met bespaarde inkomsten zijn verkregen.

Uit de door de man overgelegde specificatie van het verloop van de rekening-courant blijkt dat de man op [ begin] 1976 en 1988 een vordering op de BV had van fl. 71.105,-- respectievelijk fl. 223.687,--. Verder blijkt uit die specificatie dat op het vorderingsrecht van de man op de BV in mindering is gebracht de koopprijs van de aandelen van, in 1976, fl. 10.000,--, en, in 1988, fl. 150.262,--. De rechtbank leidt hieruit af dat de BV, waarvan de man en zijn vader de enige aandeelhouders waren, de koopprijs voor de aandelen heeft voldaan en dat de koopsom is verrekend met de schuld van de BV aan de man. De stelling van de man dat hij een lening met zijn BV is aangegaan ter financiering van de aandelen danwel dat de BV de koopprijs heeft voldaan, snijdt derhalve geen hout.

De rechtbank is verder van oordeel dat voormeld vorderingsrecht van de man op de BV, gelet op de verhouding tussen partijen, als bespaard en te verrekenen inkomen van de man heeft te gelden. Het feit dat de man ten tijde van de koop nog niet de volledige zeggenschap had over de BV en de winstbestemming doet hieraan niet af.

Nu de man de aandelen door middel van bespaarde inkomsten heeft verkregen, komt tevens voor verrekening in aanmerking belegging van hetgeen uit die inkomsten van de man bespaard en ongedeeld is gebleven. De rechtbank behoeft derhalve niet in te gaan op de vraag of de man al dan niet terecht winst in de onderneming heeft gereserveerd.

Partijen zijn het erover eens dat de waardering van de aandelen dient te geschieden overeenkomstig de methode (bepaling van de intrinsieke waarde) zoals die is gehanteerd door [ naam], accountant van de man, in zijn brief van 17 april 2002. Partijen verschillen van mening over de vraag of bij die waardering de waarde van de onroerende zaken dient te worden betrokken. De vrouw heeft in dit verband overigens afgezien van hertaxatie van die onroerende zaken.

Uit voormelde brief van de accountant van de man blijkt dat de intrinsieke waarde van de onderneming per 31 december 2000 als volgt is samengesteld:

a) aandelenkapitaal [€] 22.689,--

b) gereserveerde/uitkeerbare winst [€] 154.069,--

c) herwaardering onroerende zaken [€] 244.941,--

d) latente belastingclaim -/- [€] 78.129,--

e) goodwill nihil

Totale intrinsieke waarde [€] 343.570,--

Anders dan de man stelt, dient bij de bepaling van de waarde rekening gehouden te worden met de waardestijging van de onroerende zaken en de daarop rustende latente belastingclaim. Het gaat immers om de situatie waarbij de man door middel van bespaarde inkomsten aandelen heeft verworven, waarvan de waarde door voormelde activa wordt bepaald.

Nu de man geen bezwaar heeft gemaakt tegen de door de vrouw gehanteerde systematiek van verrekenen, heeft de vrouw derhalve recht op [€] 103.071,-- (zijnde 0,5 x 30/50 x

[€] 343.570,--).

De man stelt dat, wanneer hij terzake de verrekening aan de vrouw een bedrag dient te voldoen, de continuïteit van de onderneming in gevaar komt.

De rechtbank oordeelt dat de man deze stelling onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, gelet op de financiële positie van de onderneming zoals die blijkt uit de overgelegde jaarstukken. Uit die stukken valt onder andere op te maken dat zowel de omzet als de winst in 2000, in vergelijking tot 1999, is toegenomen, dat er een positief werkkapitaal aanwezig is en dat er mogelijkheden zijn om zowel op korte als op lange termijn schulden af te lossen.

Gelet op het bovenstaande dient de man in het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk aan de vrouw te voldoen een bedrag van [€] 209.995--, waarbij reeds rekening is gehouden met het reeds door de man betaalde voorschot van [€] 25.000,--.

Pensioen

De man dient volgens de vrouw een berekening te overleggen van de pensioenrechten van de vrouw per [in 2002 ], zijnde de datum waarop de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven. De man heeft zowel in eigen beheer als bij [ naam levensverzekeringsmaatschappij] [ P] pensioenrechten opgebouwd. De vrouw wenst dat de man de in eigen beheer opgebouwde pensioenrechten stort op een door de vrouw aan te wijzen pensioenverzekering op haar naam.

De man erkent dat de vrouw aanspraak heeft op een gedeelte van de door de man opgebouwde pensioenrechten tijdens het huwelijk. De man stelt dat dotatie ten behoeve van pensioenen geen onverteerd inkomen is maar besteed inkomen.

De man heeft onbetwist aangevoerd dat uit hoofde van de wet Verevening Pensioenrechten (hierna: wet VP) de vrouw te zijner tijd haar aandeel ontvangt. De rechtbank begrijpt hieruit dat de man ervan uitgaat dat de door hem opgebouwde pensioenrechten onder de wet VP vallen. Nu de wet VP voorziet in een regeling voor verevening van pensioenrechten, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw, bij gebrek aan belang, afwijzen.

Proceskosten

De proceskosten zullen worden gecompenseerd als na te melden.

De beslissing

De rechtbank:

veroordeelt partijen over te gaan tot afrekening van de huwelijkse voorwaarden en bepaalt dat de man terzake die afwikkeling aan de vrouw dient te voldoen [€] 209.995,-- (tweehonderdnegenduizend negenhonderdvijfennegentig euro);

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.W.J. de Ruiter-Phaff, voorzitter, mr. C.W.P. van Gelder en mr. M.J.J. Bogaerts-Tholen, leden, en in het openbaar uitgesproken op [x-x-2003] in aanwezigheid van de griffier.