Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2003:AK4534

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-09-2003
Datum publicatie
17-09-2003
Zaaknummer
98052 / KG ZA 03-491
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Studenten vorderen van de Hogeschool voor Criminologie door hen betaald collegeld en schadevergoeding wegens dwaling. De Hogeschool heeft de opleiding in haar studiegids gepresenteerd als een Hbo-opleiding waarmee een hbo-diploma, althans een bachelors- of masters-titel kan worden behaald. In kort geding is genoegzaam komen vast te staan dat de opleiding cirminologie geen erkende Hbo-opleiding betreft. De studenten hebben op grond van inlichtingen van de Hogeschool gedwaald. Toegewezen wordt de vordering tot terugbetaling van het collegeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 667
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

VONNIS IN KORT GEDING

Zaaknummer : 98052 / KG ZA 03-491

Datum uitspraak: 16 september 2003

Vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch in de zaak van:

1. [eiser sub 1], wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2], wonende te [woonplaats], gemeente [H],

3. [eiseres sub 3], wonende te [woonplaats],

4. [eiseres sub 4], wonende te [woonplaats],

5. [eiseres sub 5], wonende te [woonplaats],

6. [eiser sub 6], wonende te [woonplaats]

7. [eiser sub 7], wonende te [woonplaats], gemeente [D],

8. [eiseres sub 8], wonende te [woonplaats], gemeente [G],

9. [eiser sub 9], wonende te [woonplaats], gemeente [L],

10. [eiseres sub 10], wonende te [woonplaats],

11. [eiseres sub 11], wonende te [woonplaats], gemeente [S],

12. [eiseres sub 12], wonende te [woonplaats],

13. [eiseres sub 13], wonende te [woonplaats],

14. [eiseres sub 14], wonende te [woonplaats],

15. [eiseres sub 15], wonende te [woonplaats], gemeente [D],

16. [eiseres sub 16], wonende te [woonplaats],

17. [eiseres sub 17], wonende te [woonplaats],

eisers bij exploot van dagvaarding van 24 juli 2003,

procureur mr. C.W.M. Vergouwen,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BEST ALERT B.V., h.o.d.n. HOGESCHOOL VOOR CRIMINOLOGIE,

gevestigd te Best,

gedaagde bij gemeld exploot,

procureur mr. P.J.A. van de Laar,

advocaat mr. L.G.M. Delahaije te Breda.

Partijen zullen hierna "de studenten" en "de Hogeschool" worden genoemd.

1. De procedure

1.1. De studenten hebben in kort geding gesteld en gevorderd zoals hierna verkort is weergegeven.

1.2. Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak, heeft de voorzieningenrechter, na partijen daaromtrent te hebben gehoord, bepaald dat in het belang van de openbaarheid van de rechtspleging het de pers vrij staat desgewenst geluidsopnames van het verhandelde ter zitting te maken.

1.3. De procureur van de studenten heeft de vordering ter terechtzitting toegelicht, mede aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities met producties.

1.4. De advocaat van de Hogeschool heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities met producties.

1.5. Na gevoerd debat hebben partijen vonnis gevraagd.

2. De feiten

2.1. De studenten hebben met de Hogeschool een onderwijsovereenkomst gesloten voor een opleiding "criminologie". Voorafgaand hadden de studenten een studiegids van de Hogeschool ontvangen (eisers prod. 1; hierna: de studiegids), waarin werd uiteengezet dat het een driejarige opleiding criminologie betreft, die kan worden afgesloten met een bachelortitel, althans een HBO-diploma. Als toelatingseisen gelden o.a. een Havo-diploma, een Vwo-diploma, een Mbo-diploma niveau 4, een HBO-propedeuse of een diploma General Security Manager van het Best Alert College of vergelijkbare toelatingseisen. De studielast van de driejarige bachelorfase bestaat uit een propedeusejaar, een 2e jaar en een afstudeerjaar, waarna volgens de studiegids een bachelordiploma kan worden behaald. Optioneel is een vierde studiejaar waarin een masterdiploma criminologie zou kunnen worden behaald, aldus de studiegids. Een en ander heeft de directeur van de Hogeschool in zijn openingstoespraak bij aanvang van het eerste studiejaar bevestigd.

2.2. De opleiding is op 26 september 2002 gestart. Het collegegeld bedroeg € 5.400,00 per jaar. De studenten kwamen niet in aanmerking voor een OV-studentenkaart van het ministerie van OC&W. Gedurende het collegejaar bleek de Hogeschool geen erkenning als Hbo-opleiding van het ministerie van OC&W te genieten. Daarover hebben de studenten zich beklaagd bij de directie van de Hogeschool. De raadsman van de studenten heeft bij aangetekende brief van 1 juli 2003 de Hogeschool laten weten primair de onderwijsovereenkomst te vernietigen wegens dwaling, subsidiair de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden en meer subsidiair een schadevergoeding te vorderen wegens misleidende reclame.

2.3. Bij brief van 7 juli 2003 heeft de Hogeschool bij monde van haar raadsman laten weten dat wel degelijk sprake is van een Hbo-opleiding en dat een eventuele dwaling niet verschoonbaar is.

3. Het geschil

3.1. De studenten vorderen in dit kort geding, kort weergegeven, primair veroordeling van de Hogeschool om aan de studenten te voldoen een bedrag van € 93.616,-- en subsidiair:

-wegens onverschuldigd en/of te veel betaalde collegegelden € 75.990,--

en bij wege van voorschot op schadevergoeding:

-wegens de aanschaf van boeken € 3.767,--

-wegens reiskosten € 9.609,--

-wegens verblijf- en overige kosten € 4.250,--

tezamen eveneens € 93.616,--

althans een in goede justitie te bepalen bedrag.

3.2. De studenten leggen daaraan, naast bovengenoemde feiten, het navolgende ten grondslag. Anders dan de vooraf door de Hogeschool in de studiegids verschafte informatie deed vermoeden, blijkt thans de opleiding criminologie in het geheel geen erkende Hbo-opleiding te zijn en is gedaagde niet bevoegd examens af te nemen op grond waarvan een bachelors-titel of een masters-titel kan worden verkregen. Niet alleen de door de Hogeschool toegezegde erkenning van het ministerie van OC&W, die volgens de Hogeschool vóór augustus 2003 rond zou zijn, blijkt te ontbreken, ook de kwaliteit van het onderwijs valt tegen en kan niet als zijnde van Hbo-niveau worden gekwalificeerd.

Nu de studenten de onderwijsovereenkomst wegens dwaling op grond van misleidende reclame hebben vernietigd, althans (grotendeels) buitengerechtelijk hebben ontbonden, vorderen de studenten vergoeding van de door hun geleden schade, bestaande uit de betaalde collegegelden en de overige ten behoeve van de opleiding gemaakte kosten als voornoemd.

3.3. Het verweer van de Hogeschool tegen de vordering komt, voor zover relevant, op het volgende neer. De Hogeschool is de eerste school in Nederland die een onderwijsprogramma criminologie op Hbo-niveau biedt. Van het begin af aan heeft er intensief overleg met het ministerie van OC&W plaatsgevonden. Vanaf maart 2001 is de Hogeschool actief bezig om een aanwijzing in de zin van artikel 1.11 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw) door de overheid te krijgen, alsmede een accreditatie als bedoeld in artikel 1.12 van de Whw. Op dit moment is in Nederland nog geen enkele opleiding geaccrediteerd. Dit terwijl alle (al dan niet aangewezen) hogescholen en universiteiten in hun studiegids verwijzen naar de nieuwe bachelor-masterstructuur. De Hogeschool heeft er nimmer een geheim van gemaakt, dat zij nog niet erkend noch geaccrediteerd is. Tot de erkenning en accreditatie een feit zijn, kunnen de studenten staatsexamen doen en kunnen behaalde diploma's extern worden gelegitimeerd.

Van rechtens relevante dwaling kan geen sprake zijn geweest, noch van wanprestatie of misleidende reclame. De studenten hadden bovendien zelf een onderzoeksplicht.

Ten aanzien van de gevorderde collegegelden voert de Hogeschool aan dat [eiser sub 7] een betalingsachterstand van twee maanden heeft. Bovendien hadden hij en [eiser sub 9] zich al eerder om hun moverende redenen teruggetrokken. De opleiding van [eiseres sub 15] is door Randstad betaald. Niet is gebleken dat de vermeende vordering is gecedeerd, zodat [eiseres sub 15] niets te vorderen heeft.

Afgezien van de vraag of de onderhavige zaak zich leent voor behandeling in kort geding, betwist de Hogeschool het spoedeisend belang van de studenten. Daar komt bij dat het petitum onvoldoende is gespecificeerd, zodat de vorderingen niet afzonderlijk zijn te herleiden tot de studenten in kwestie.

Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat sprake is van nietigheid van de onderwijsovereenkomst, dienen de gevolgen daarvan in casu op grond van de redelijkheid en billijkheid, alsmede op grond van artikel 3:53 BW te worden beperkt. Voorts zal er bij een eventuele toewijzing van (een van) de vorderingen een restitutierisico ontstaan, zodat de Hogeschool in dat geval verzoekt om zekerheidstelling.

3.4. Op hetgeen partijen overigens over en weer hebben aangevoerd, zal voor zoveel nodig bij de beoordeling worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De studenten hebben gesteld zo snel mogelijk met en nieuwe studie te (hebben) willen starten en daarvoor de nodige kosten te (hebben) moeten maken. Daarmee is voldoende aannemelijk geworden dat de studenten een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorziening.

4.2. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is voorshands voldoende aannemelijk geworden dat de Hogeschool de opleiding criminologie als een bachelor-master-opleiding, althans als een Hbo-opleiding, heeft gepresenteerd, zulks mèt een bachelortitel dan wel een erkend Hbo-diploma in het verschiet. Genoegzaam staat vast dat de Hogeschool geen erkenning van het ministerie van OC&W geniet, geen accreditatie heeft, noch in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (de zogenoemde CROHO-lijst) voorkomt. De Hogeschool is niet bevoegd tot het verlenen van bachelor- of mastergraden. Weliswaar heeft de Hogeschool in dat verband aangevoerd, dat er nog geen enkele Hogeschool geaccrediteerd is en dat er intensief overleg plaatsvindt met voornoemd ministerie, maar dat doet niet af aan het feit dat zij de studenten thans geen in Nederland erkend Hbo-diploma of bachelors-titel in het vooruitzicht kan stellen. Het door de Hogeschool gestelde en door de studenten gemotiveerd betwiste overleg met het ministerie heeft de Hogeschool bovendien op geen enkele wijze weten te documenteren of onderbouwen, zodat haar stellingname dat erkenning en accreditatie er wel zullen komen, een slag in de lucht blijft die voor deze beoordeling irrelevant is.

4.3. Nu het tegendeel niet is gebleken, heeft in dit kort geding als uitgangspunt te gelden dat de litigieuze studie criminologie geen erkende Hbo-opleiding betreft. De studenten mochten op grond van de mededelingen daaromtrent in de studiegids er bij het aangaan van de onderwijsovereenkomst op vertrouwen dat zij hun opleiding aan de Hogeschool met een erkend Hbo-diploma of bachelors-titel zouden kunnen afsluiten. Het is zonneklaar dat de studenten, die met het oog daarop de studie aan de Hogeschool hebben gekozen, bij een juiste voorstelling van zaken de onderwijsovereenkomst niet zouden hebben gesloten. De Hogeschool had dat kunnen en moeten begrijpen. De enkele stelling van de Hogeschool dat zij de studenten er herhaaldelijk op heeft gewezen (nog) niet erkend te zijn, heeft zij tegenover de betwisting door de studenten niet aannemelijk gemaakt, dit nog afgezien van de vraag of de Hogeschool bij eventuele mededelingen van die strekking die zij in verhulde vorm zou kunnen hebben gedaan, duidelijk heeft aangegeven dat dat zowel op de Hbo-opleiding als zodanig betrekking had, alsook op haar onbevoegdheid om examens af te nemen die recht gaven op enige titel.

Nu de studenten zijn afgegaan op de onjuist gebleken mededelingen van de Hogeschool faalt ook het beroep van de Hogeschool op de onderzoeksplicht van de studenten. In de gegeven omstandigheden verzetten de redelijkheid en billijkheid zich er tegen dat het uitblijven van de accreditatie tot op heden én de omstandigheid dat daarop vooralsnog geen enkel concreet uitzicht is, voor rekening van de studenten zal komen. Het verweer van de Hogeschool, dat de uitgangspunten voor accreditatie pas in februari 2003 en de criteria pas in de zomer van 2003 bekend zijn geworden, kan evenmin voor rekening van de studenten komen.

4.4. Vorenstaande overwegingen brengen met zich dat de gevraagde voorziening voor wat betreft terugbetaling van de collegegelden kan worden toegewezen.

De omstandigheid dat [eiser sub 9] en [eiser sub 7] reeds hadden opgezegd, staat er niet aan in de weg dat zij zich eerst achteraf bewust werden van hun dwaling en daarop beroep deden. Het door hen vóór de opzegging betaalde deel van het collegegeld kunnen zij op die grond terugvorderen, nu op grond van de thans bekende feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk is geworden dat ook zij bij een juiste voorstelling van zaken de onderwijsovereenkomst niet zouden hebben gesloten.

Dat Randstad het collegegeld voor [eiseres sub 15] kennelijk heeft voorgeschoten door rechtstreekse voldoening aan de Hogeschool, betekent niet dat [eiseres sub 15] niet en Randstad wel partij is bij de onderwijsovereenkomst met de Hogeschool. In overeenstemming hiermee is ter zitting gebleken dat Randstad jegens [eiseres sub 15] aanspraak maakt op terugbetaling van deze voorgeschoten gelden. Ook [eiseres sub 15] kan als partij bij de onderwijsovereenkomst het collegegeld van de Hogeschool terugvorderen.

4.5. De door de studenten in het geding gebrachte betalingsoverzichten zijn door de Hogeschool niet voldoende gemotiveerd weersproken en zullen mitsdien als uitgangspunt hebben te gelden voor de door hen gedane betalingen ter zake collegegelden. De overgelegde bank- en betalingsoverzichten, gevoegd bij het per student uitgesplitste overzicht (prod. 3 bij dv), bieden voldoende inzicht om de individueel gedane betalingen tot ieder van de studenten te herleiden. Op deze gronden wordt het verweer van de Hogeschool dat de vordering ter zake het collegegeld onvoldoende gespecificeerd is, verworpen.

Toewijsbaar is aan eisers gezamenlijk, nu zij hebben verkozen hun vordering gezamenlijk in te stellen, het totaal bedrag van de specificatie, zijnde € 75.990,00.

4.6. Voor een beperking op grond van artikel 3:53 BW heeft de Hogeschool geen rechtens relevante grond aangevoerd. Weliswaar kan de plaatsgevonden hebbende kennisoverdracht niet worden teruggedraaid, maar de ernst van de misleiding van de studenten en het zeer beperkte rendement van het door hen gevolgde studiejaar, laten onvoldoende ruimte om aan de vernietiging wegens dwaling zelfs maar ten dele haar werking te ontzeggen.

4.7. Het door de Hogeschool gestelde restitutierisico bij toewijzing van de vordering acht de rechter bij deze gemotiveerde studenten die naar verwachting te zijner tijd een behoorlijke maatschappelijke positie zullen weten te bereiken, gering. In de gegeven omstandigheden en geplaatst tegenover het belang van de studenten om een nieuwe opleiding te kunnen starten, is dat risico onvoldoende om aan de veroordeling de gevraagde zekerheidstelling te verbinden.

4.8. De schade met betrekking tot studieboeken, reiskosten en overige kosten, acht de rechter onvoldoende door eisers onderbouwd om op de betwisting door de Hogeschool te kunnen toewijzen. Deze onderdelen van de vordering vergen dan een nader onderzoek, waarvoor een kort geding zich niet leent. Zij worden op die grond in kort geding afgewezen.

4.9. Waar de Hogeschool als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden, zal zij in de kosten van deze procedure worden verwezen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

veroordeelt de Hogeschool om tegen kwijting aan de studenten te betalen een bedrag van € 75.990,00 (zegge vijfenzeventig duizend negenhonderd negentig euro);

veroordeelt de Hogeschool in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de wederpartij begroot op € 3.261,16, waarvan € 1.400,00 salaris procureur en € 1.861,16 verschotten;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.W. Rullmann, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 september 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.