Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2003:AI1472

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-08-2003
Datum publicatie
11-09-2003
Zaaknummer
AWB 02/255 WAO, AWB 02/2122 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft met ingang van 10 augustus 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend aan een voormalige werknemer van eiseres (hierna: de werknemer).

Bij besluit van 28 december 2001 is deze WAO-uitkering met ingang van 10 februari 2002 voortgezet op basis van het zogenaamde vervolgdagloon

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

AWB 02/255 WAO

AWB 02/2122 WAO

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de geschillen tussen

A Autoschade B.V., gevestigd te B, eiseres,

gemachtigde G.H.M. van Asseldonk, werkzaam bij Bekkers Adviesbureau te Sint-Oedenrode,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam, verweerder,

vertegenwoordigd door UWV Gak te Helmond

I. PROCESVERLOOP

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan het bestuur van het Lisv.

Bij besluit van 20 juli 2001 heeft verweerder met ingang van 10 augustus 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend aan een voormalige werknemer van eiseres (hierna: de werknemer).

Bij besluit van 28 december 2001 is deze WAO-uitkering met ingang van 10 februari 2002 voortgezet op basis van het zogenaamde vervolgdagloon.

Verweerder heeft de door eiseres tegen deze besluiten ingediende bezwaren ongegrond verklaard bij besluiten van respectievelijk 19 december 2001 en 10 juli 2002.

Eiseres heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen zijn bij de rechtbank bekend onder respectievelijk nummer AWB 02/255 WAO en nummer AWB 02/2122 WAO.

De werknemer heeft geen gebruik gemaakt van de hem door de rechtbank geboden gelegenheid als partij deel te nemen aan de gedingen.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb besloten de kennisneming van stukken die medische gegevens bevatten uitsluitend toe te staan aan de gemachtigde van eiseres.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 18 februari 2003, waar eiseres is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is niet verschenen. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank besloten het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Awb te heropenen. Vervolgens zijn de zaken verwezen naar een meervoudige kamer.

De beroepen zijn gevoegd aan de orde gesteld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 14 juli 2003. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De rechtbank stelt voorop dat eiseres een kleine werkgever is in de zin van artikel 1, aanhef en onder e, van het Besluit premiedifferentiatie WAO (hierna: het Besluit). De bestreden besluiten hebben betrekking op een WAO-uitkering die in het jaar 2001 aan de werknemer is toegekend en in het jaar 2002 is voortgezet. Eiseres heeft hiertegen beroepen ingesteld om te bewerkstelligen dat haar een lagere gedifferentieerde premie wordt opgelegd.

De rechtbank overweegt voorts dat op 1 januari 2003 een besluit tot wijziging van het Besluit premiedifferentiatie WAO in verband met het afschaffen van de geïndividualiseerde opslag of korting voor kleine werkgevers in werking is getreden (Koninklijk Besluit van 19 november 2002, Stb. 2002, 585, hierna het KB). Vanaf die datum wordt de in artikel 78, derde lid, van de WAO bedoelde opslag of korting voor een kleine werkgever ingevolge artikel 4a van het Besluit op nihil bepaald. Het KB bevat geen overgangsbepalingen.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verweerder vanaf het jaar 2003 geen geïndividualiseerde gedifferentieerde premie meer mag vaststellen voor eiseres. Gezien het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van het Besluit zou de betrokken WAO-uitkering eerst vanaf 2003 kunnen doorwerken in de opslag of korting op de gedifferentieerde premie. Nu de opslag of korting vanaf 1 januari 2003 op nihil is gesteld, is deze doorwerking doorbroken. De bestreden besluiten kunnen derhalve geen gevolgen hebben voor de gedifferentieerde premie van eiseres. Dit brengt met zich dat eiseres thans niet meer kan bewerkstelligen wat zij met het instellen van haar beroepen heeft beoogd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de bestreden besluiten. De omstandigheid dat eiseres procedeert tegen een recent premiebesluit omdat het KB naar haar mening onverbindend is, maakt dit niet anders. De ex ante beoordeling van de vraag of die procedure er uiteindelijk toe zal leiden dat de betrokken WAO-uitkering wel doorwerkt in de premievaststelling, draagt een sterk speculatief karakter. Reeds hierom ziet de rechtbank in deze omstandigheid onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van de bestreden besluiten over te gaan.

Ook overigens is niet gebleken dat eiseres nog enig procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de bestreden besluiten. De beroepen moeten derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

Nu de beroepen niet-ontvankelijk worden verklaard ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan door mr. A.A.H. Schifferstein als voorzitter en mr. D.J. Hutten en mr. P.J.H. van Dellen als leden en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van N. ‘t Lam als griffier op 14 augustus 2003.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht

Afschrift verzonden: