Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2003:AI1469

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-07-2003
Datum publicatie
29-01-2004
Zaaknummer
AWB 01/1590 CSV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiseres op grond van artikel 16b van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor onbetaald gebleven premies ter zake van werkzaamheden die door het bedrijf [aannemer] in de jaren 1989 en 1990 voor eiseres zijn verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

AWB 01/1590 CSV

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

V.o.f. [VOF] (in liquidatie), gevestigd te [plaats], eiseres,

gemachtigde mr. R.B.H. Beune, advocaat te Nijmegen

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam, verweerder,

gemachtigde mr. A.W.G. Determan, werkzaam bij UWV GUO te Gouda.

I. PROCESVERLOOP

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan het bestuur van het Lisv, alsmede het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en agrarische bedrijven, rechtsvoorganger van het Lisv.

Bij besluit van 18 november 1992 heeft verweerder eiseres op grond van artikel 16b van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor onbetaald gebleven premies ten bedrage van f 35.928,83 en f 27.256,83 ter zake van werkzaamheden die door het bedrijf [aannemer] in de jaren 1989 en 1990 voor eiseres zijn verricht.

Op 17 januari 1996 is het beroep tegen deze aansprakelijkstelling door de rechtbank gegrond verklaard en is het besluit vernietigd.

Op 8 juli 1999 heeft de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het bestreden besluit vernietigd voor zover dit betreft het bedrag van de aansprakelijkstelling en het beroep in eerste aanleg voor het overige ongegrond verklaard.

Op 6 september 2000 heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de CRvB verworpen.

Bij besluit van verweerder van 23 oktober 2000 is het bedrag van de aansprakelijkheid wederom vastgesteld op f 35.928,83 voor 1989 en f 27.256,83 voor 1990.

Een door eiseres tegen dit besluit op 1 december 2000 ingesteld beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 19 februari 2001 niet-ontvankelijk verklaard. Het hiertegen gedane verzet is op 18 september 2001 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het besluit van 23 oktober 2000 ook bezwaar gemaakt bij verweerder. Dit bezwaar is door verweerder bij besluit van 21 mei 2001 gegrond verklaard voor wat betreft de hoogte van de aansprakelijkstelling. Verweerder heeft de aansprakelijkstelling voor het jaar 1989 herzien naar een bedrag van f 24.844,10 en die voor het jaar 1990 naar een bedrag van f 14.224,32. Voor het overige is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen het besluit van 21 mei 2001 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is behandeld ter zitting van 5 november 2002. Namens eiseres zijn ter zitting verschenen de heer P.J.W. Daamen, alsmede de gemachtigde van eiseres. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst met toepassing van artikel 8:64 van de Awb en bij brief van 12 november 2002 nadere vragen gesteld aan verweerder. Verweerder heeft deze vragen schriftelijk beantwoord, waarna eiseres schriftelijk heeft gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven een nadere zitting achterwege te laten. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en doet uitspraak op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 5 november 2002.

II. OVERWEGINGEN

II.1. Ontvankelijkheid van het beroep

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is. Daartoe heeft zij aangevoerd dat op grond van het overgangsrecht behorend bij de invoering van de Awb het oude procesrecht van toepassing is. Hieruit volgt dat tegen het besluit van 23 oktober 2000, dat is genomen nadat de CRvB het primaire besluit van 18 november 1992 had vernietigd, rechtstreeks beroep bij de rechtbank openstond. Daarom dient het oude beroep van 1 december 2000 in behandeling genomen te worden en niet het onderhavige beroep, aldus eiseres.

De rechtbank stelt vast dat zij bij uitspraak van 19 februari 2001 reeds heeft beslist op het beroep van 1 december 2000. Daarbij is dat beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet gericht was tegen een besluit op bezwaar, maar tegen een primair besluit. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb diende naar het oordeel van de rechtbank eerst bezwaar te worden gemaakt tegen het primaire besluit van 23 oktober 2000. Bij uitspraak van 18 september 2000 is het verzet tegen de uitspraak van 19 februari 2001 ongegrond verklaard en is deze uitspraak onherroepelijk geworden. De ontvankelijkheid van het beroep van 1 december 2000 kan derhalve niet opnieuw worden beoordeeld.

Het onderhavige beroep is gericht tegen het besluit van 21 mei 2001, waarbij verweerder een besluit heeft genomen op eiseresses bezwaar tegen het primaire besluit van 23 oktober 2000. Gezien de uitspraak van 19 februari 2001 treft de stelling dat dit beroep niet-ontvankelijk is geen doel.

II.2 Bevoegdheid tot het nemen van het bestreden besluit

Vervolgens is de vraag aan de orde of er een mandaatgebrek kleeft aan het besluit van 21 mei 2001. In dit kader stelt eiseres dat sprake is van schending van artikel 10:3 van de Awb, omdat het primaire besluit feitelijk is genomen door A.W.G. Determan en ook het bezwaarschrift door Determan is behandeld.

Verweerder heeft in zijn brief van 21 november 2002 over dit punt het volgende naar voren gebracht. De beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het primaire besluit rustte bij M.M. Hoogstraten, Directeur Divisie Ondernemingen. Determan, medewerker beroepszaken, was bevoegd dit besluit te ondertekenen. Het bestreden besluit is genomen door de medewerker wetstechnische ondersteuning van verweerders hoofdkantoor, die daartoe op grond van het destijds geldende mandaatbesluit bevoegd was. Het bestreden besluit is eveneens bevoegdelijk en conform het destijds geldende mandaatbesluit ondertekend door Determan, namens de Directeur Divisie Ondernemingen. Verweerder heeft zijn brief van 21 november 2002 vergezeld doen gaan van afschriften van de verschillende mandaatbesluiten, alsmede van een concept van het bestreden besluit, waaruit blijkt dat dit is geaccordeerd door de medewerker wetstechnische ondersteuning van verweerders hoofdkantoor.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 10:3, derde lid, van de Awb mag geen mandaat tot het beslissen op bezwaar worden verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen.

Vaststaat dat zowel op het primaire besluit van 23 oktober 2000 als op het bestreden besluit van 21 mei 2001 staat vermeld dat het besluit is genomen namens verweerder door Hoogstraten, Directeur Divisie Ondernemingen. De ondertekening van beide besluiten is geschied door Determan, medewerker beroepszaken. Dit wekt de indruk dat sprake is van strijd met genoemde bepaling.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aangetoond dat het bestreden besluit niet is genomen door de Directeur Divisie Ondernemingen, die het primaire besluit heeft genomen, maar door de medewerker wetstechnische ondersteuning van verweerders hoofdkantoor. Laatstgenoemde was daartoe bevoegd op grond van het destijds geldende mandaatbesluit. De ondertekening van het bestreden besluit is blijkens ditzelfde mandaatbesluit bevoegdelijk geschied door Determan. Hieruit volgt dat niet in strijd is gehandeld met het bepaalde in artikel 10:3, derde lid, van de Awb.

De rechtbank wijst er wel op dat de wijze waarop het bestreden besluit is ondertekend tot onduidelijkheid heeft geleid ten aanzien van de vraag wie dit besluit heeft genomen. Verweerder is hieromtrent dan ook meerdere malen bevraagd en heeft deze onduidelijkheid eerst kunnen wegnemen in zijn brief van 21 november 2002. Nu het bestreden besluit bevoegdelijk is genomen behoeft deze onduidelijkheid echter niet tot vernietiging van dit besluit te leiden.

II.3 Invorderingstermijn

Eiseres stelt dat het recht om de premie in te vorderen op grond van het bepaalde in artikel 13, tweede lid, van de CSV tien jaren na de premievaststelling is verjaard, te weten op 25 mei 2000. Volgens eiseres geldt dit ook wanneer de invordering bij een aansprakelijk gestelde derde plaatsvindt. Hierbij wijst eiseres erop dat artikel 13, tweede lid, van de CSV van overeenkomstige toepassing is bij hoofdelijke aansprakelijkstelling.

Verweerder is van mening dat de van overeenkomstige toepassing verklaring van artikel 13, tweede lid, van de CSV inhoudt dat premie, welke niet is ingevorderd binnen tien jaren na de hoofdelijke aansprakelijkstelling, niet meer wordt ingevorderd. Aangezien eiseres op 18 november 1992 hoofdelijk aansprakelijk is gesteld, was ten tijde van het bestreden besluit van 21 mei 2001 de invorderingstermijn nog niet verlopen, aldus verweerder.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

In artikel 16b, achtste lid, van de CSV is bepaald dat de artikelen 10 tot en met 16 van overeenkomstige toepassing zijn ten aanzien van de aannemer.

In artikel 13, tweede lid, van de CSV is bepaald dat premie, welke niet is ingevorderd binnen tien jaren na de vaststelling, niet meer wordt ingevorderd.

De rechtbank stelt voorop dat de in artikel 13, tweede lid, van de CSV bedoelde termijn een vervaltermijn is. De tekst van de wet biedt geen antwoord op de vraag naar het beginpunt van deze vervaltermijn bij een aansprakelijkstelling van de aannemer. Gezien de woorden “van overeenkomstige toepassing” in artikel 16b, achtste lid, van de CSV is niet duidelijk of moet worden uitgegaan van het moment van vaststelling van de premieschuld van de oorspronkelijke schuldenaar of het moment van aansprakelijkstelling van de aannemer.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de aard en strekking van de wettelijke regeling dat degene die de premieschuld is aangegaan de hoofdschuldenaar is. De hoofdelijke aansprakelijkstelling van de aannemer heeft een accessoir karakter. Dit brengt met zich dat het lot van de vordering tegen de aannemer afhangt van het lot van de vordering tegen de hoofdschuldenaar. Voor de aannemer en de hoofdschuldenaar geldt derhalve één invorderingstermijn. Ter ondersteuning van deze redenering wijst de rechtbank op een passage uit de wetsgeschiedenis waarin de mogelijkheid om een andere termijn in te voeren voor de aannemer is verworpen:

“Inderdaad is het bezwaarlijk voor een hoofdaannemer om na jaren nog verrast te worden met een aansprakelijkheid uit hoofde van de onderhavige wet. Toch lijkt het ons niet juist om voor de aansprakelijke (hoofd)aannemers andere termijnen te laten gelden dan voor de hoofdschuldenaar” (TK 1980-1981, 15 697 nr. 7, blz. 24).

Uit het voorgaande vloeit voort dat de in artikel 13, tweede lid, van de CSV bedoelde invorderingstermijn zowel voor de hoofdschuldenaar als voor de aannemer begint te lopen op het moment van vaststelling van de premieschuld van de hoofdschuldenaar.

Gelet op de uitspraak van de CRvB van 8 juli 1999 moet worden aangenomen dat verweerder de door [aanemer] te betalen premies uiterlijk op 24 mei 1990 heeft vastgesteld. Deze datum dient als beginpunt van de vervaltermijn te worden aangemerkt. Die termijn was op 24 mei 2000 verstreken. Verweerder was derhalve ten tijde van het primaire besluit van 23 oktober 2000 al niet meer bevoegd om tot invordering over te gaan. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat verweerder toen geen belang meer had bij het nemen van een nieuw besluit over de aansprakelijkstelling. Nu het een belastend besluit betreft, had verweerder ervan moeten afzien dit besluit te nemen. Door de hoogte van de aansprakelijkstelling zowel bij het primaire besluit als bij het bestreden besluit opnieuw vast te stellen, heeft verweerder het verstrijken van de meerbedoelde invorderingstermijn miskend. Het bestreden besluit moet daarom, onder gegrondverklaring van het beroep, worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit van 23 oktober 2000 alsnog gegrond te verklaren en ook dit besluit te vernietigen.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank hier niet toe aan hetgeen overigens door eiseres is aangevoerd.

II.4 Kosten van rechtsbijstand

Naar aanleiding van het verzoek van eiseres om verweerder te veroordelen in de kosten van rechtsbijstand die zij in de bezwaar- en de beroepsfase heeft gemaakt, overweegt de rechtbank als volgt.

Bij wet van 24 januari 2002 (Stb. 55) is de Awb aangevuld met een regeling voor de vergoeding van kosten die een belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken voor de behandeling van een bezwaar. Deze regeling is op 12 maart 2002 in werking getreden. Gelet op het in deze wet neergelegde overgangsrecht, is deze regeling niet van toepassing op het bezwaar tegen besluiten die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn genomen. De door eiseres gevorderde vergoeding voor de in bezwaar gemaakte kosten moet dan ook naar het destijds geldende recht worden beoordeeld.

Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB hield dit recht in dat de in de bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten in beginsel voor rekening van de betrokkene moesten blijven en slechts in bijzondere gevallen voor vergoeding in aanmerking dienden te komen. Van een bijzonder geval als hier bedoeld moest worden gesproken indien de primaire besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoonde, dat gezegd moest worden dat het bestuursorgaan tegen beter weten in een onrechtmatig besluit had genomen (zie bijv. CRvB 29 mei 1998, AB 1998/418).

Het verzoek om vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure heeft betrekking op het besluit van 23 oktober 2000, waarbij verweerder de hoogte van de aansprakelijkstelling opnieuw heeft vastgesteld. Hierbij is verweerder er kennelijk van uit gegaan dat de termijn voor de invordering van dit bedrag nog niet was verstreken. Dit uitgangspunt is blijkens de voorgaande overwegingen onjuist. Deze onjuistheid acht de rechtbank echter niet zo evident dat om die reden moet worden gezegd dat verweerder de hoogte van de aansprakelijkstelling tegen beter weten in opnieuw heeft vastgesteld.

De rechtbank constateert wel dat verweerder eiseres bij besluit van 23 oktober 2000 voor dezelfde bedragen aansprakelijk heeft gesteld als bij de oorspronkelijke aansprakelijkstelling. Ter zitting van de CRvB van 5 februari 1998 heeft verweerder echter al aangegeven dat deze bedragen onjuist waren. Dit vormde (mede) aanleiding voor de CRvB om tot vernietiging van de oorspronkelijke aansprakelijkstelling over te gaan. De rechtbank beschouwt het wederom vaststellen van dezelfde bedragen als een evident gebrek in de primaire besluitvorming. In verband hiermee is zij van oordeel dat verweerder tegen beter weten in tot het primaire besluit van 23 oktober 2000 is gekomen. Daarom veroordeelt de rechtbank het UWV met toepassing van artikel 8:73, eerste lid, van de Awb tot vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten voor rechtsbijstand. Voor het bepalen van de hoogte van de te vergoeden kosten zoekt de rechtbank aansluiting bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten worden begroot op € 483,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, waarde per punt € 322,00 en wegingsfactor 1,5 voor een zware zaak.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres voor de behandeling van het beroep heeft gemaakt. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op in totaal € 1.207,50 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand: 1 punt voor het indienen van een beroepschrift; 0,5 punt voor het dienen van repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,00; wegingsfactor 1,5 voor een zware zaak.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat het UWV het door eiseres gestorte griffierecht ad € 204,20 aan haar vergoedt.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart eiseresses bezwaar tegen het besluit van 23 oktober 2000 alsnog gegrond en vernietigt ook dit besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt het UWV tot vergoeding van € 483,00 aan eiseres;

- gelast het UWV het door eiseres gestorte griffierecht ad € 204,20 aan haar te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op € 1.207,50;

- wijst het UWV aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. D.J. Hutten als voorzitter en mr. H.M.H. de Koning en

mr. Y.S. Klerk als leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Hofman als griffier op 31 juli 2003.

De griffier is buiten staat

de uitspraak te ondertekenen.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden: