Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2003:AH9912

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-06-2003
Datum publicatie
19-01-2004
Zaaknummer
AWB 02/3149
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

eiser verwijtbaar werkloos is geworden door zelf ontslag te nemen, terwijl redelijkerwijs van hem kon worden gevergd dat hij de dienstbetrekking zou voortzetten. Aangezien het ontslag eiser niet in overwegende mate is aan te rekenen is de blijvend gehele weigering omgezet in een tijdelijk gedeeltelijke weigering van 35% gedurende 26 weken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

AWB 02/3149

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde mr. S. Bakker, werkzaam bij de Stichting Achmea Rechtsbijstand te Leeuwarden,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam, verweerder,

gemachtigde H. B. Verhappen, werkzaam bij het UWV te Eindhoven.

I. PROCESVERLOOP

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 oktober 2002 waarbij verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 5 juni 2002 gedeeltelijk ongegrond heeft verklaard. Bij het besluit van 5 juni 2002 heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Werkloosheidswet (WW) per 16 april 2002 blijvend geheel geweigerd.

Bij besluit van 8 oktober 2002 heeft verweerder de blijvend gehele weigering omgezet in een tijdelijk gedeeltelijke weigering van 35% gedurende 26 weken aangezien het ontslag eiser niet in overwegende mate is aan te rekenen.

Het geding is behandeld ter zitting van 19 mei 2003 waar eiser niet is verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

In geding is de vraag of het bestreden besluit van 8 oktober 2002 in rechte in stand kan blijven.

Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van verweerder ten grondslag dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden door zelf ontslag te nemen, terwijl redelijkerwijs van hem kon worden gevergd dat hij de dienstbetrekking zou voortzetten. Aangezien het ontslag eiser niet in overwegende mate is aan te rekenen is de blijvend gehele weigering omgezet in een tijdelijk gedeeltelijke weigering van 35% gedurende 26 weken.

Eiser is van mening dat redelijkerwijs van hem niet gevergd kan worden dat hij de dienstbetrekking diende voort te zetten. Hij is van mening dat hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt en dat de gedeeltelijke weigering niet op zijn plaats is.

Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de rechtbank partijen verzocht om de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 13 september 2000, gepubliceerd in Rechtspraak Sociale Verzekeringen (RSV) 2001/5, bij hun standpuntbepaling te betrekken.

Eiser is niet ter zitting verschenen en heeft zich ook overigens niet uitgelaten over deze uitspraak.

Verweerder is van mening dat de uitspraak geen gevolgen voor dit geding dient te hebben nu hij eiser blijft verwijten dat deze zich te weinig heeft ingespannen om zijn werk te behouden.

De rechtbank gaat in haar oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, met ingang van 1 maart 2002 in dienst getreden van X BV, (hierna: de werkgever). In de overeenkomst is een proeftijd van twee maanden opgenomen. Op initiatief van eiser heeft tijdens de proeftijd een bespreking plaatsgevonden op grond waarvan eiser bij brief van 11 april 2002 de dienstbetrekking per 16 april 2002 heeft beëindigd. De brief bevat de volgende zinsnede: “Zoals persoonlijk met je besproken bevestig ik dat in onderling overleg is besloten de samenwerking te beëindigen en hierbij (binnen de geldende proeftijd) het dienstverband opzeg.” Aan de beëindiging van de dienstbetrekking lag volgens eiser ten grondslag dat partijen van mening verschilden over de vraag hoe de functie van directeur zou moeten worden uitgeoefend. Bovendien botsten de karakters van betrokkenen en voelde eiser zich meerdere malen gekleineerd. Namens de werkgever is blijkens het buitendienstrapport van 18 september 2002 verklaard dat eiser niet capabel genoeg was voor de taken die hem waren toebedeeld. Door de heer Y, werkzaam bij de werkgever is daartoe o.m. verklaard: “Het is mogelijk dat dhr. A deze gang van zaken - zoals onder andere een wekelijks overleg t.a.v. de door hem gemaakte vorderingen - als vervelend of kleinerend heeft ervaren maar dat was uiteraard niet de opzet! Voor wat betreft de beëindiging van het dienstverband was hij ons een stap voor; het gesprek waarin hij zelf aan gaf zich bij ons niet happy te voelen zou namelijk ook plaats hebben gevonden als hij dit niet zelf had aangezwengeld. (….) Het initiatief tot de beëindiging zou dus ook van ons zijn uitgegaan, zij het dat ik er voor had gekozen om daarmee te wachten tot het einde van de proeftijd.” Desgevraagd heeft de werkgever verklaard dat eiser niet op de hoogte was van het feit dat de dienstbetrekking door haar zou worden beëindigd aan het einde van de proeftijd. In de namens eiser ingevulde aanvraag voor een WW-uitkering van 24 april 2002 staat vermeld: “In de proeftijd ontslag genomen (in overleg). Verschil in inzicht, omgangsvormen en werkwijze. Meneer ervaarde de omgang met zijn meerdere als onprettig/voelde zich gekleineerd”. De reactie van de werkgever op de vraag naar de reden van het ontslag, houdt volgens de “aanvraag WW-werkgever” van 6 mei 2002, het volgende in: “Samenwerking verliep niet zoals verwacht, het klikte niet.”

Het wettelijk kader is als volgt.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, onder a, van de WW voorkomt de werknemer dat hij verwijtbaar werkloos wordt.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, onder b, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden, indien de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.

Ingevolge artikel 24, zesde lid, van de WW is de werknemer verplicht zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het wachtgeldfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid niet benadeelt of zou kunnen benadelen.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WW is verweerder verplicht, indien de werknemer een verplichting op grond van onder meer artikel 24, eerste lid, onder a, van de WW niet is nagekomen, de uitkering blijvend geheel te weigeren, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert verweerder de uitkering over de periode van 26 weken gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35%.

Ingevolge artikel 27, derde lid, van de WW weigert verweerder de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk indien de werknemer een verplichting als bedoeld in artikel 24, zesde lid, van de WW niet of niet behoorlijk nakomt.

Ingevolge artikel 27, vierde lid, van de WW wordt een maatregel als bedoeld in het derde lid afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Ingevolge artikel 27, achtste lid, van de WW stelt verweerder nadere regels met betrekking tot het derde en het vierde lid. Deze nadere regels zijn neergelegd in het Maatregelenbesluit Tica (hierna: het Maatregelenbesluit).

Artikel 2 van het Maatregelenbesluit bepaalt dat de verplichtingen waarop een maatregel van toepassing is per wet worden onderscheiden in verschillende categorieën. Ingevolge onderdeel C van de bijlage bij het Maatregelenbesluit wordt het door de verzekerde door de wijze van beëindigen van de dienstbetrekking prijs geven van zijn aanspraken op loon gerekend onder de vijfde categorie.

In artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van het Maatregelenbesluit wordt aan een gedraging van de vijfde categorie een maatregel gekoppeld, bestaande uit de weigering van de gehele uitkering voor de duur dat de verzekerde aanspraak op loon zou hebben kunnen doen gelden dan wel de dienstbetrekking zou hebben kunnen voortduren.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van de hierboven geciteerde verklaringen van eiser en werkgever, alsmede hetgeen hierover in bezwaarschrift en beroepschrift naar voren komt, stelt de rechtbank vast dat beide partijen geen perspectief meer hebben gezien in voortzetting van de dienstbetrekking. De rechtbank leidt dit met name af uit hetgeen namens de werkgever is verklaard in het buitendienstrapport van 18 september 2002. De rechtbank wijst in het bijzonder op de volgende zinsnede in het rapport: “Voor wat betreft de beëindiging van het dienstverband was hij ons een stap voor; het gesprek waarin hij aangaf zich bij ons niet happy te voelen zou namelijk ook plaats hebben gevonden als hij dit niet zelf had aangezwengeld. (….) Het initiatief tot de beëindiging zou dus ook van ons zijn uitgegaan, zij het dat ik er voor had gekozen om daarmee te wachten tot het einde van de proeftijd.” Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de dienstbetrekking in ieder geval uiterlijk op 1 mei 2002 zou zijn beëindigd.

De rechtbank acht het, gelet op voornoemde verklaringen en het bezwaar- en beroepschrift, bovendien buiten twijfel dat het niet voortzetten van de dienstbetrekking per 1 mei 2002 op zich zelf niet aan eiser is te verwijten.

Uit deze verklaringen blijkt dat de samenwerking tussen eiser en werkgever moeizaam verliep en dat de werkgever de capaciteiten van eiser onvoldoende vond. De rechtbank ziet in de verklaringen geen aanknopingspunten voor het oordeel dat aan eiser valt te verwijten dat de dienstbetrekking na het einde van de proeftijd niet zou zijn voortgezet.

In dat verband acht de rechtbank mede van belang dat namens de werkgever is verklaard dat deze het dienstverband aan het einde van de proeftijd zou hebben opgezegd, als eiser hem niet een stap voor was geweest. Blijkbaar zagen zowel eiser als werkgever reeds ten tijde van de opzegging van het dienstverband door eiser op 11 april 2002 geen perspectief meer in voortzetting van het dienstverband na afloop van de proeftijd. De rechtbank acht het in die situatie niet reëel van eiser nog te verwachten dat hij “alles in het werk had gesteld om deze situatie te verbeteren”, zoals verweerder heeft gesteld bij het bestreden besluit.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser niet kan worden verweten dat hij op en na 1 mei 2002 werkloos was uit de onderhavige dienstbetrekking.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of van eiser gevergd kon worden om de dienstbetrekking van 16 april 2002 tot 1 mei 2002 voort te zetten. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.

De rechtbank is van oordeel dat van eiser in de onderhavige omstandigheden kon worden gevergd de dienstbetrekking nog een betrekkelijk korte periode vol te houden, te weten vanaf 16 april 2002 tot aan het einde van de proeftijd op 1 mei 2002. Het is de rechtbank niet gebleken dat de spanningen zo hoog waren opgelopen dat eiser geen andere keus had dan de dienstbetrekking reeds per 16 april 2002 en niet per 1 mei 2002 te beëindigen. Ook is gesteld, noch gebleken dat het voortzetten van de dienstbetrekking om medische redenen niet van eiser kon worden gevergd. Eiser had dan ook kunnen wachten op een initiatief van de werkgever om de dienstbetrekking aan het einde van de proeftijd te beëindigen. In de tussenliggende periode had eiser dan gelegenheid gehad om te pogen elders werk te vinden.

Uit het voorgaande volgt dat op zich zelf is voldaan aan de omschrijving van de in artikel 24, tweede lid, onder b, van de WW neergelegde variant van verwijtbare werkloosheid, nu immers niet kan worden gezegd dat de voortzetting van de dienstbetrekking tot 1 mei 2002 redelijkerwijs niet van eiser was te vergen. Tevens moet echter worden vastgesteld dat er sprake is van overtreding van de in artikel 24, zesde lid, van de WW opgenomen verplichting om te voorkomen dat de werkloosheidsfondsen worden benadeeld (de benadelingshandeling), in zoverre dat over de periode 16 april 2002 tot 1 mei 2002 onnodig een beroep op die fondsen is gedaan.

Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB dient ter beantwoording van de vraag of aan één van beide vorenomschreven (mogelijke) maatregelen in dit geval voorrang toekomt, en zo ja, aan welke, de Raad voorop stelt dat in zijn algemeenheid een aan overtreding van de in artikel 24 van de WW specifiek omschreven verplichtingen verbonden maatregel het primaat heeft ten opzichte van een maatregel welke het gevolg is van het plegen van de in die bepaling in algemene termen aangeduide benadelingshandeling.

De Raad ziet dit uitgangspunt evenwel niet absoluut en ziet onder omstandigheden ruimte om daarvan af te wijken (zie CRvB 13 september 2000, RSV 2001/5).

De rechtbank ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of in de onderhavige zaak eveneens sprake is van zodanige omstandigheden om af te wijken van de hierboven geformuleerde hoofdregel.

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval zich zodanige omstandigheden hebben voorgedaan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser, als hij per 16 april 2002 niet zelf ontslag had genomen, uiterlijk op 31 april 2002 was ontslagen. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser - zoals hierboven is aangegeven - niet verwijtbaar werkloos is uit de onderhavige dienstbetrekking op en na 1 mei 2002. De bij het bestreden besluit opgelegde maatregel overstijgt dan ook aanzienlijk de omvang van de aan eiser toe te rekenen werkloosheid.

In de lijn van de vermelde jurisprudentie van de CRvB is de rechtbank dan ook van oordeel dat in deze omstandigheden een maatregel wegens het plegen van een benadelingshandeling voorrang dient te krijgen boven de bij het bestreden besluit opgelegde maatregel.

Verweerder heeft derhalve ten onrechte niet besloten tot een maatregel op grond van artikel 24, zesde lid, van de WW, maar op grond van artikel 24, eerste lid, onder a, van de WW. Om die reden komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank ziet aanleiding, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf te voorzien in de zaak door te bepalen dat eiser niet in aanmerking wordt gebracht voor een WW-uitkering over de periode van 16 april 2002 tot en met 31 april 2002, en voorts te bepalen dat hij per 1 mei 2002 in aanmerking wordt gebracht voor een volledige WW-uitkering.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 322,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

· 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

· waarde per punt € 322,00

· wegingsfactor 1.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig het verzoek van eiser om vergoeding van wettelijke rente over achterstallige uitkeringstermijnen toe te wijzen. Die rente moet worden berekend over het bruto bedrag van de uitkering waarop eiser alsnog vanaf 1 mei 2002 recht heeft gekregen, nadat daarop in mindering is gebracht het bruto bedrag van de (eventuele) uitkering die eiser over dezelfde periode is verstrekt uit hoofde van enige sociale verzekeringswet, zulks ten aanzien van de eerste uitkeringstermijn vanaf 1 juni 2002, zijnde de eerste dag van de maand na die waarin de datum valt met ingang waarvan de uitkering ten onrechte op een te laag bedrag is vastgesteld, en vervolgens ten aanzien van de nadien verschijnende termijnen telkens met ingang van een maand later, tot aan de dag der voldoening toe. Daarbij dient telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente aldus is berekend, te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

Tenslotte zal de rechtbank bepalen dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) aan eiser het door hem gestorte griffierecht dient te vergoeden.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-bepaalt dat eiser een WW-uitkering wordt geweigerd over de periode van 16 april 2002 tot en met 30 april 2002;

-bepaalt dat eiser vanaf 1 mei 2002 in aanmerking wordt gebracht voor een volledige WW-uitkering;

-bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;

-veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 322,00;

-wijst het UWV aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden;

-veroordeelt het UWV tot vergoeding van wettelijke rente zoals hierboven is aangegeven;

-gelast het UWV aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht.

Aldus gedaan door mr. N. Th. Vink als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.K. Hahn als griffier op 30 juni 2003.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep,

Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden: