Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2003:AH9621

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-06-2003
Datum publicatie
25-07-2003
Zaaknummer
AWB 01/2924 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

het standpunt van verweerder ten grondslag dat in artikel 38a, derde lid van de Ziektewet dwingendrechtelijk is voorgeschreven dat het ziekengeld niet wordt uitbetaald tot de datum van melding bij verweerder. Nu volgens verweerder de ziekte van A te laat is gemeld, is besloten het ziekengeld over de te late periode niet uit te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

AWB 01/2924 ZW

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

A, wonende te B en

Warsco Units Nederland bv, gevestigd te Oss, eisers,

gemachtigde mr. M. de Goey, advocaat te ’s-Hertogenbosch,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), gevestigd te Amsterdam, verweerder,

gemachtigde mr. A.M. Tupker, werkzaam bij UWV-GAK te Helmond.

I. PROCESVERLOOP

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan het bestuur van het Lisv.

De heer A (A) is sedert 1 januari 2000 in dienst van Warsco Units Nederland bv (Warsco). Op 1 mei 2000 heeft A zich ziekgemeld. Bij schrijven van 23 april 2001 heeft Warsco een beroep gedaan op artikel 29b van de Ziektewet en verweerder verzocht haar met terugwerkende kracht per 1 mei 2000 een uitkering ingevolge de Ziektewet te doen toekomen voor A.

Bij besluit van 25 juni 2001 heeft verweerder aan A medegedeeld dat het ziekengeld tot 23 april 2001 niet wordt uitbetaald aan zijn werkgever, omdat de ziekmelding niet eerder dan op 23 april 2001 werd ontvangen, terwijl deze uiterlijk op 4 mei 2000 moest worden gedaan.

A en Warsco hebben ieder voor zich bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 juni 2001.

Bij besluit van 22 oktober 2001 heeft verweerder As bezwaar ongegrond verklaard.

A en Warsco hebben vervolgens, opnieuw ieder voor zich, beroep ingesteld tegen dit laatstgenoemde besluit.

Het geding is behandeld ter zitting van 3 juni 2003, waar A is verschenen in persoon. Warsco heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door de heer A.J.C.W. van Orsouw, directeur. Eisers werden bijgestaan door mr. A.F. de Koning, als vervangster van hun gemachtigde, die door de rechtbank ambtshalve was opgeroepen te verschijnen. Ook is, daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen, de gemachtigde van verweerder verschenen.

II. OVERWEGINGEN

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of verweerder terecht heeft volhard in zijn weigering over de periode tot 23 april 2001 ziekengeld uit te keren ten behoeve van A.

Blijkens de gedingstukken ligt aan het bestreden besluit het standpunt van verweerder ten grondslag dat in artikel 38a, derde lid van de Ziektewet dwingendrechtelijk is voorgeschreven dat het ziekengeld niet wordt uitbetaald tot de datum van melding bij verweerder. Nu volgens verweerder de ziekte van A te laat is gemeld, is besloten het ziekengeld over de te late periode niet uit te betalen.

A en Warsco kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eisers hebben aangegeven dat A zich op 1 mei 2000 heeft ziekgemeld bij Warsco. Warsco heeft vervolgens op 2 mei 2000 de ziekmelding doorgegeven aan de Arbo-dienst. Bij deze ziekmelding is niet aangetekend dat A aanspraak maakte op ziekengeld op grond van artikel 29b van de Ziektewet. De reden waarom Warsco dit feit niet heeft gemeld, is dat het haar niet bekend was dat A recht had op ziekengeld. De ziekmelding is naar stelling van eisers op 3 mei 2000 door de Arbo-dienst doorgegeven aan verweerder.

De rechtbank overweegt als volgt.

De eerste vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is de vraag of Warsco in haar beroep kan worden ontvangen. Daartoe dient allereerst de vraag te worden beantwoord of Warsco is aan te merken als belanghebbende bij het bestreden besluit van 22 oktober 2001, dat ziet op toepassing van artikel 38a, derde lid, van het Ziektewet. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Artikel 1:2 van de Awb bepaalt dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is.

Zoals de Centrale Raad van Beroep in haar uitspraak van 24 september 2002, gepubliceerd in USZ 2002, 292 heeft overwogen, dient een werkgever ten aanzien van een besluit omtrent aanspraken van een werknemer op ziekengeld, als belanghebbende te worden beschouwd in de zin van artikel 1:2 van de Awb. De rechtbank verwijst in dit verband naar de overwegingen van de Raad. De kernvraag die de Raad in haar voormelde uitspraak heeft beantwoord is of de werkgever uitsluitend middellijk - via de contractuele relatie met de werknemer - de gevolgen van het Ziektewetbesluit ondervindt, of dat het besluit rechtstreeks gevolgen heeft voor de belangen van de werkgever. De Raad komt tot de conclusie dat, gelet op het samenstel van wettelijke voorzieningen, per 1 maart 1996 in werking getreden in het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Ziektewet, een samenloopregeling is opgenomen voor de gevallen waarin de loondoorbetalingverplichting van de werkgever samengaat met het recht van de werknemer op ziekengeld.

In dit wettelijk stelsel van inkomensbescherming voor de zieke werknemer blijkt dat de regels in het BW en de Ziektewet een samenhangend stelsel vormen dat overeenkomstig het beschermingsdoel dwingendrechtelijk is vastgelegd. In dit stelsel is niet de contractsvrijheid van de werknemer en werkgever de bron van de loondoorbetalingverplichting van de werkgever, maar de wet zelf. De besluiten tot toekenning of weigering van ziekengeld werken overeenkomstig dit wettelijke stelsel rechtstreeks door in de loondoorbetalingverplichting van de werkgever. Diens belangen zijn daarom rechtstreeks bij de Ziektewetbesluiten aangaande werknemers betrokken.

Dit is slechts anders, indien de uitzondering van artikel 2a van de Ziektewet van toepassing is. Dit artikel bepaalde ten tijde van belang, in afwijking van artikel 1:2 van de Awb, dat bij een besluit ingevolge de Ziektewet dat betrekking heeft op het al dan niet bestaan of voortbestaan van de ongeschiktheid tot werken, belanghebbende is degene op wiens aanspraken het besluit betrekking heeft. In het onderhavige geval is artikel 2a van de Ziektewet niet van toepassing is. Het in geding zijnde besluit betreft immers niet het al dan niet bestaan of voortbestaan van de ongeschiktheid tot werken van de werknemer.

Uit het voorgaande volgt dat Warsco belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

Nu is vastgesteld dat Warsco belanghebbende is bij het bestreden besluit, dient de rechtbank vervolgens de vraag te beantwoorden of Warsco in haar beroep kan worden ontvangen, nu zij weliswaar bezwaar heeft gemaakt tegen het oorspronkelijk besluit, maar op dit bezwaar door verweerder geen besluit is genomen. De rechtbank beantwoordt ook deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een op bezwaar genomen besluit door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt tegen het oorspronkelijke besluit. Deze bepaling brengt tot uitdrukking dat het recht om door te procederen bij de rechter in beginsel slechts toekomt aan een belanghebbende die daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid een bezwaarschrift in te dienen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met deze bepaling is beoogd om, uit een oogpunt van een efficiënte geschillenbeslechting, te voorkomen dat belanghebbenden pas in een latere fase in de procedure met hun bezwaren naar voren komen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de feitelijke gang van zaken, Warsco redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt tegen het oorspronkelijke besluit van 25 juni 2001. Blijkens de stukken heeft Warsco bij brief van 20 juli 2001 ook voor zichzelf bezwaar gemaakt tegen het aan A gerichte besluit van 25 juni 2001. Uit een telefoonnotitie van 9 augustus 2001 blijkt dat verweerder Warsco heeft medegedeeld dat zij voorafgaand aan de hoorzitting een machtiging van A diende te overleggen, omdat Warsco anders niet tot de hoorzitting zou worden toegelaten. Warsco heeft vervolgens op 23 augustus 2001 een door A ondertekende machtiging naar verweerder gestuurd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, door te handelen zoals hiervoor is omschreven, Warsco in een positie gebracht, waarin zij niet langer haar eigen bezwaar handhaafde, maar namens A optrad. De rechtbank is van oordeel dat Warsco onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij het bezwaar niet ook voor zichzelf heeft doorgezet.

De rechtbank staat vervolgens voor de beantwoording van de vraag of verweerder terecht en op goede gronden heeft geweigerd over de periode van 1 mei 2000 tot 23 april 2001 ziekengeld uit te betalen ten aanzien van de op 1 mei 2000 aangevangen arbeidsongeschiktheid van A.

Ingevolge het bepaalde in artikel 29 van het Ziektewet wordt geen ziekengeld uitgekeerd, indien de verzekerde uit hoofde van de dienstbetrekking krachtens welke hij de arbeid behoort te verrichten, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het BW. Een uitzondering op deze regel geldt voor de werknemer die onmiddellijk voorafgaand aan zijn dienstbetrekking arbeidsgehandicapte is in de zin van de Wet REA. Deze werknemer heeft op grond van artikel 29b van de Ziektewet vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken recht op ziekengeld over perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte die aangevangen zijn in de vijf jaren na aanvang van de dienstbetrekking.

In artikel 38a van de Ziektewet is de ziek- en hersteldmelding geregeld.

Ingevolge artikel 38a, eerste lid van de Ziektewet is de werknemer die aanspraak maakt op ziekengeld in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte verplicht dit zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de tweede dag van die ongeschiktheid, te melden aan zijn werkgever. Artikel 38a, tweede lid, van de Ziektewet bepaalt vervolgens dat de werkgever, na ontvangst van de ziekmelding van zijn werknemer, aan verweerder zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de vierde dag van de ongeschiktheid tot werken melding doet van de eerste werkdag waarop de werknemer wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.

In artikel 38a, derde lid, van de Ziektewet is bepaald dat indien de werkgever jegens wie de verzekerde recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het BW, de melding, bedoeld in het tweede lid, later doet dan in dat lid is voorgeschreven, het ziekengeld niet uitbetaald wordt tot de datum van die melding.

In het onderhavige geval heeft A zich op 1 mei 2000 ziekgemeld bij Warsco. Warsco heeft de ziekmelding op 2 mei 2000 doorgegeven aan de Arbo-dienst. Van de zijde van eisers is gesteld dat de Arbo-dienst verweerder op 3 mei 2000 middels een computeroverdracht in kennis heeft gesteld van de ziekmelding. Verweerder heeft deze stelling van eisers niet weersproken. De rechtbank neemt dan ook als vaststaand aan dat de ziekte van A op 3 mei 2000 aan verweerder is gemeld.

Evenzeer onbetwist is de stelling van eisers dat Warsco pas in december 2000 op de hoogte raakte van het arbeidsongeschiktheidsverleden van A. De rechtbank neemt ook dit feit als vaststaand aan. Een en ander brengt met zich mee dat er voor Warsco ten tijde van de ziekmelding van A geen aanleiding bestond te veronderstellen dat A arbeidsgehandicapte was in de zin van de Wet REA en dat hij recht had op ziekengeld op grond van artikel 29b van de Ziektewet. Volgens het oordeel van de rechtbank kan Warsco terzake in redelijkheid geen verwijt worden gemaakt. Tijdens de hoorzitting op 19 september 2001 heeft A immers naar voren gebracht dat ook hij van dit feit niet op de hoogte was. De rechtbank overweegt in dit verband dat de Wet REA, waarbij het begrip arbeidsgehandicapte is geïntroduceerd, per 1 juli 1998 in werking is getreden. Met ingang van diezelfde datum is ook artikel 29b van de Ziektewet gewijzigd. A heeft ter zitting van de rechtbank verteld dat zijn uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering per 1 juli 1995 is ingetrokken, omdat hij toen weer aan het werk ging.A is kennelijk nimmer medegedeeld dat ook hij, na de inwerkingtreding van de Wet REA, nog gedurende een bepaalde tijd als arbeidsgehandicapte in de zin van die wet kon worden aangemerkt en dat hij en zijn werkgever onder bepaalde omstandigheden aanspraak konden maken op de voorzieningen van die wet.

De rechtbank begrijpt verweerders standpunt zo dat verweerder meent dat eerst de brief van Warsco van 23 april 2001 kan worden gezien als een ziekmelding zoals bedoeld in artikel 38a van de Ziektewet, nu pas in die brief is aangegeven dat A ziekengeld wenste op grond van artikel 29b van de Ziektewet. De rechtbank is echter van oordeel dat artikel 38a, tweede lid van de Ziektewet een dergelijke eis niet stelt. Vereist is slechts dat de ongeschiktheid tot werken binnen vier dagen na aanvang aan verweerder wordt gemeld. De rechtbank leest in artikel 38a van de Ziektewet niet dat tevens bedoeld is voor te schrijven dat bij de ziekmelding wordt aangegeven dat de werknemer de status van arbeidsgehandicapte heeft en aanspraak maakt op ziekengeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat Warsco met de ziekmelding aan verweerder van 3 mei 2000 heeft voldaan aan haar verplichtingen op grond van artikel 38a, tweede lid van de Ziektewet. Toen geruime tijd na deze ziekmelding bleek dat A, gelet op zijn arbeidsverleden, aanspraak kon maken op de betaling van ziekengeld op grond van artikel 29b van de Ziektewet, heeft verweerder ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 38a, derde lid van de Ziektewet. Ten onrechte is geweigerd A over de periode van 1 mei 2000 tot 23 april 2001 ziekengeld uit te betalen. De omstandigheid dat Warsco bij de aanvang van het dienstverband van A niet op de hoogte was van zijn status als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet REA en dat A kennelijk niet is aangenomen met het oog op diens reïntegratie als arbeidsgehandicapte, maakt dit niet anders. De Wet REA beoogt, door het verstrekken van subsidies en door het treffen van bepaalde bijzondere voorzieningen, mogelijk bestaande belemmeringen bij het in dienst nemen van werknemers met een arbeidsongeschiktheidsverleden weg te nemen. De wet is van toepassing zodra een arbeidsgehandicapte in dienst wordt genomen. Het is daarbij niet van belang om welke reden of met welke wetenschap het dienstverband wordt aangegaan.

Gelet op het bovenstaande komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De beroepen zijn gegrond.

Tussen partijen staat vast dat A voldoet aan alle vereisten genoemd in artikel 29b van de Ziektewet. Uit de bovenstaande overwegingen van de rechtbank kan daarom geen andere conclusie volgen dan dat A over de periode 1 mei 2000 tot 23 april 2001 recht heeft op uitkering ingevolge de Ziektewet. De rechtbank ziet hierin reden om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door A en Warsco gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht, met name ook artikel 3 van dit Besluit, en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644, - voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

· 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

· 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

· Waarde per punt € 322,-;

· wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan A en Warsco het door hen gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat A met ingang van 1 mei 2000 recht heeft op een uitkering krachtens de Ziektewet;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- gelast het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan A en Warsco te vergoeden het door hen gestorte griffierecht;

- veroordeelt verweerder in de door A en Warsco gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Aldus gedaan door mr. B.A.J. Zijlstra als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. M.T. Petersen als griffier op

26 juni 2003.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden: