Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2003:AH9470

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-06-2003
Datum publicatie
25-07-2003
Zaaknummer
AWB 02/933
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2005:AT5537
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of verweerder de overname van de loonbetalingsverplichting over de opzegtermijn terecht heeft beperkt tot zes weken.

Art. XXI Flexwet werkt door in opzegtermijn a.b.i. art. 64, aanhef en onder b WW.

Uitspraak in hoger beroep bevestigd; LJN AT5537.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

AWB 02/933

Uitspraak in het geding tussen

A wonende te B,

gemachtigde mr. M.F.M. van Wezel, werkzaam bij FNV Ledenservice te Weert

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

gevestigd te Amsterdam, verweerder,

gemachtigde L. den Hartog, werkzaam bij UWV Gak te Eindhoven.

I. PROCESVERLOOP

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoe-ringsorganisatie werk en inkomen treedt het Uitvoeringsinstituut werknemersver-zekeringen (UWV) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan het bestuur van het Lisv.

Bij besluit van 23 oktober 2001 heeft verweerder aan eiser een voorschot toege-kend op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidwet (WW). Hierbij is ver-weerder uitgegaan van een opzegtermijn van zes weken.

Bij besluit van 26 maart 2002 heeft verweerder het hiertegen ingediende bezwaar ten dele ongegrond en ten dele niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft op 18 april 2002 beroep ingesteld tegen laatstgenoemd besluit.

Het beroep is behandeld ter zitting van 18 maart 2003, waar eiser niet is versche-nen. Verweerder is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

Vaststaande feiten

Eiser is geboren op […] juni 1944. Hij was vanaf 1 oktober 1995 werkzaam bij X BV te Y. Op 28 september 2001 is hem ontslag aangezegd tegen de datum van 8 november 2001. Eiser heeft verweerder gevraagd de loonbetalingsverplichtingen met ingang van 1 september 2001 over te nemen in verband met het faillissement van zijn werkgever.

Bij besluit van 23 oktober 2001 heeft verweerder hem een voorschot toegekend op zijn salaris. Tevens is meegedeeld dat verweerder uitgaat van een opzegtermijn van 28 september 2001 tot en met 8 november 2001.

Bij brief van 8 november 2001 heeft de curator eiser meegedeeld dat de voor hem geldende opzegtermijn is verlengd en dat de arbeidsovereenkomst eindigt op

1 december 2001.

Standpunten partijen

In geschil is of verweerder de overname van de loonbetalingsverplichting over de opzegtermijn terecht heeft beperkt tot zes weken.

Verweerder heeft aangevoerd dat artikel 64, aanhef en sub b, van de WW de op-zegtermijn maximeert op de krachtens artikel 40 van de Faillissementwet (Fw) ten aanzien van de werknemer geldende termijn. Dat is een termijn van zes weken. Verweerder erkent dat eiser als oudere werknemer op grond van een overgangs-bepaling recht heeft op een langere opzegtermijn. Dit betreft echter de arbeids-rechtelijke opzegtermijn en niet de fictieve opzegtermijn in de WW. Onder ver-wijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 maart 2001 (RSV 2001/122), past verweerder deze overgangsbepaling niet toe. Voor de toe-passing van de WW eindigde de dienstbetrekking volgens verweerder op 8 no-vember 2001.

Eiser is van mening dat verweerder de betalingsverplichtingen tot 1 december 2001 moet overnemen. Hij beroept zich op de overgangbepalingen bij de wijzi-ging van artikel 40 van de Fw en wijst erop dat oudere werknemers niet mogen worden benadeeld.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 64, aanhef en onder b, van de WW omvat het recht op uitkering bij betalingsonmacht van de werkgever het loon over ten hoogste – voor zover hier van belang - de voor de werkgever geldende termijn van opzegging, met dien verstande dat de krachtens artikel 40 van de Fw ten aanzien van de werknemer geldende termijn, zowel in als buiten faillissement, niet wordt overschreden.

Tot 1 januari 1999 bepaalde artikel 40, derde lid, van de Fw dat de curator de arbeidsovereenkomst in elk geval kan beëindigen door opzegging op een termijn van zes weken, welke termijn overeenkomstig artikel 7:672, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek werd verlengd met betrekking tot werknemers die de leeftijd van 45 jaren, doch nog niet die van 65 jaren hadden bereikt. Laatstgenoemde be-paling regelde destijds een verlenging met een week voor elk vol jaar dat de werknemer na het bereiken van de leeftijd van 45 jaren bij de werkgever in dienst is geweest, met een maximale verlenging van 13 weken.

Artikel 40 van de Fw is gewijzigd bij de Wet Flexibiliteit en zekerheid (Stb. 1998, 300, hierna: de Flexwet). Hierbij is de verlenging voor werknemers die ouder zijn dan 45 jaar vervallen. De Flexwet is op 1 januari 1999 in werking getreden. Op grond van artikel XXI van deze wet blijft voor de werknemer die op het tijdstip van het in werking treden van deze wet 45 jaar of ouder was en voor wie op dat tijdstip een langere termijn voor opzegging gold dan volgens deze wet, de oude termijn gelden zo lang hij bij dezelfde werkgever in dienst blijft.

Oordeel rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat eiser op 1 januari 1999 in dienst was van de betrok-ken werkgever en toen ouder was dan 45 jaar. Hieruit volgt dat het bepaalde in artikel XXI van de Flexwet op hem van toepassing is. Dit brengt mee dat de door de curator in acht te nemen opzegtermijn is gefixeerd op de verlengde opzegter-mijn zoals die van toepassing was volgens het tot 1 januari 1999 geldende artikel 40, derde lid, van de Fw.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of deze verlengde opzegtermijn doorwerkt in de opzegtermijn, bedoeld in artikel 64, aanhef en onder b, van de WW. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

De verwijzing naar artikel 40 van de Fw is al sinds decennia opgenomen in de overnemingsbepalingen van de WW. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze verwijzing een dynamisch karakter. Dat wil zeggen dat een wijziging van artikel 40 van de Fw rechtstreeks doorwerkt in de opzegtermijn, bedoeld in artikel 64, aanhef en onder b, van de WW. Daarbij is van belang te weten vanaf welk moment die wijziging geldt. De gelding van het huidige artikel 40 van de Fw wordt niet alleen bepaald door de datum van inwerkingtreding van de Flexwet, maar ook door de in de Flexwet opgenomen overgangsbepalingen. In verband hiermee is de rechtbank van oordeel dat artikel XXI van de Flexwet doorwerkt in de in artikel 64, aanhef en onder b, van de WW bedoelde opzegtermijn.

Het beroep van verweerder op de eerder genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 maart 2001 treft geen doel. Deze uitspraak ziet op de verwijzing in artikel 16, derde lid, van de WW naar artikel 7:672 van het BW. Die verwijzing is ingevoerd bij de Flexwet. Bij diezelfde wet is ook artikel 7:672 van het BW gewijzigd. De Raad heeft aangenomen dat de verwijzing uitsluitend be-trekking heeft op de nieuwe tekst van de laatstgenoemde bepaling. De verwijzing in artikel 64 van de WW naar artikel 40 van de Fw bestond echter reeds vóór de inwerkingtreding van de Flexwet. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat artikel 64 van de WW uitsluitend verwijst naar de nieuwe tekst van artikel 40 van de Fw.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de in artikel 64, aanhef en onder b, van de WW bedoelde opzegtermijn niet juist heeft berekend. Hij had rekening moeten houden met verlenging van de opzegtermijn op grond van artikel 40, derde lid, van de Fw (oud). Nu verweerder dit heeft nagelaten dient het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op de duur van de fictieve opzegtermijn, te worden vernietigd wegens strijd met de wet. De rechtbank zal verweerder opdragen in zoverre een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 322,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

· 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

· waarde per punt € 322,00

· wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat het UWV het door eiser gestorte griffierecht vergoedt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar tegen de duur van de fictieve opzegtermijn ongegrond is verklaard;

- bepaalt dat verweerder in zoverre een nieuw besluit dient te nemen met in-achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast het UWV het door eiser gestorte griffierecht aan hem te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 322,00;

- wijst het UWV aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan door mr. D.J. Hutten als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. F.M.S. Broekmeulen-Requisizione als griffier op

10 juni 2003.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden: