Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2003:AF9459

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-05-2003
Datum publicatie
23-06-2003
Zaaknummer
AWB 02/648 ANW
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2004:AO8054
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

dat eisers uitkering ingevolge de Anw wegens sinds 1 januari 1999 opgetreden wijzingen in de hem tevens toekomende uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), alsnog per die datum dient te worden herzien.

Mededeling voornemen terugvordering teveel ontvangen Anw-uitkering is besluit in de zin van art. 1:3 Awb.

Uitspraak vernietigd door Centrale Raad van Beroep; LJN AO8054

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

AWB 02/648 ANW

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

A, wonende te B, eiser,

en

De Sociale Verzekeringsbank, gevestigd te Amstelveen, verweerder,

gemachtigde J.A.J. Groenendaal.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 9 november 2001 heeft verweerder aan eiser laten weten dat zijn uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) wegens opgetreden wijzigingen in het overig inkomen van eiser, alsnog met ingang van 1 januari 1999 wordt herzien. Bij een brief van dezelfde datum heeft verweerder eiser bovendien bericht dat hij een bedrag van f 10.830,12 teveel aan Anw-uitkering heeft ontvangen. In deze brief deelt verweerder eiser tevens mede dat zij van plan is dit bedrag van hem terug te vorderen.

Namens eiser is op 26 november 2001 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend, dat is gericht tegen het besluit tot herziening van zijn uitkering en dat ook bezwaren bevat tegen de mededeling van verweerder met betrekking tot de terugvordering. Bij besluit van 4 februari 2002 heeft verweerder eisers bezwaren ongegrond verklaard voor zover ze waren gericht tegen de beslissing tot herziening van de uitkering van eiser. De bezwaren tegen de mededeling van verweerder aangaande de terugvordering, gedaan in de brief van 9 november 2001, zijn niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 april 2003, waar eiser is verschenen in persoon. Verweerder heeft zich, daartoe ambtshalve opgeroepen, ter zitting doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

In dit geding zijn twee vragen aan de orde. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of verweerder bij het bestreden besluit terecht heeft gehandhaafd haar beslissing eisers Anw-uitkering te herzien. Voorts ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of het namens eiser ingediende bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, voor zover het is gericht tegen verweerders mededelingen omtrent de terugvordering.

1. De herziening van eisers uitkering

Aan dit deel van het bestreden besluit ligt verweerders opvatting ten grondslag dat eisers uitkering ingevolge de Anw wegens sinds 1 januari 1999 opgetreden wijzingen in de hem tevens toekomende uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), alsnog per die datum dient te worden herzien.

De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

Op 1 juli 1996 is de Anw in werking getreden. Ingevolge artikel 67 van die wet heeft de persoon die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding, recht had op een uitkering op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, recht op een uitkering overeenkomstig de bepalingen van de Anw. Op de nabestaandenuitkering van de persoon die op grond van deze overgangsregeling recht heeft op een uitkering op grond van de Anw, wordt met ingang van 1 januari 1998 diens overig inkomen uit of in verband met arbeid, in mindering gebracht. Van de Anw-uitkering blijft daarbij op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, een bedrag gelijk aan 30% van het bruto-minimumloon buiten aanmerking. Van het op de uitkering in mindering te brengen inkomen uit of in verband met arbeid wordt ingevolge artikel 67, tweede lid, een bedrag gelijk aan 70% van het bruto-minimumloon buiten beschouwing gelaten.

Artikel 19 van de Anw bepaalt dat de nabestaandenuitkering wordt herzien, indien wijzigingen optreden in het overig inkomen van de uitkeringsgerechtigde. De herziening gaat in op de eerste dag van de maand waarin de wijziging zich voordoet. Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Anw wordt de Anw-uitkering steeds herzien indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Naast een uitkering op grond van de Anw ontvangt eiser ook een uitkering ingevolge de WAO. Bij een brief van 6 januari 1998 heeft verweerder eiser gewezen op het feit dat de hoogte van zijn Anw-uitkering voor een deel steeds afhankelijk zal zijn van de hoogte van zijn overig inkomen. Wijzigingen in dat inkomen dienen daarom steeds aan verweerder te worden doorgegeven, zo werd eiser tevens medegedeeld. Uit de stukken maakt de rechtbank verder op dat de Anw-uitkering van eiser reeds twee maal eerder, op 5 juli 1999 en op 13 juli 2000, is gewijzigd als gevolg van wijzigingen in de hoogte van zijn WAO-uitkering. In mei 2000 werden namens eiser inkomensgegevens over het jaar 1998 verstrekt aan verweerder.

In maart 2001 vulde eiser een inkomensopgaveformulier in. In november 2001 werden vervolgens, opnieuw naar aanleiding van een verzoek van verweerder, door het Sociaal Fonds Bouwnijverheid inkomensgegevens over de jaren 1999 en 2000 verstrekt. Op grond van deze laatste gegevens heeft verweerder, onder toepassing van het bepaalde in de artikelen 67, 19 en 34 van de Anw, besloten tot herziening van eisers Anw-uitkering met ingang van 1 januari 1999.

Deze herziening van eisers uitkering kan de rechterlijke toets doorstaan. Eiser heeft bezwaar gemaakt vanwege het feit dat herziening plaatsvindt met terugwerkende kracht, terwijl naar zijn zeggen wijzigingen in zijn inkomen steeds aan verweerder zijn doorgegeven. In verband met deze laatste stelling van eiser overweegt de rechtbank dat uit de gedingstukken blijkt dat gegevens met betrekking tot de hoogte van eisers WAO-uitkering in de jaren 1999 en 2000 pas in november 2001 bij verweerder bekend zijn geworden. Verweerder heeft daarna bij besluit van 9 november 2001 prompt beslist tot herziening van eisers uitkering op grond van de Anw. Eiser kon weten dat wijzigingen in de hoogte van zijn WAO-uitkering herziening van de uitkering op grond van de Anw tot gevolg zouden hebben en dat hij verplicht was iedere wijziging in zijn overig inkomen ook spontaan direct aan verweerder te melden. Verweerder heeft eiser daarop in het verleden voldoende gewezen. Bovendien heeft verweerder eisers Anw-uitkering ook reeds was herzien in 1999 en 2000 naar aanleiding van wijzigingen in zijn WAO-uitkering. Van enig handelen van verweerder in strijd met de rechtszekerheid is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 67, 19 en 34 van de Anw was verweerder verplicht tot herziening van eisers uitkering over te gaan. De omstandigheid dat deze herziening plaatsvindt met terugwerkende kracht maakt dit niet anders.

De rechtbank concludeert dat eisers beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit tot herziening van zijn uitkering met terugwerkende kracht, geen doel treft. Eisers beroep zal in zoverre ongegrond worden verklaard.

2. Besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren tegen verweerders mededeling over de terugvordering van hetgeen teveel werd betaald

Aan dit deel van het bestreden besluit ligt verweerders opvatting ten grondslag dat de betreffende mededelingen in de, tegelijk met het herzieningsbesluit aan eiser toegezonden, brief van 9 november 2001, niet kunnen worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Eiser heeft overigens geen bezwaarschrift ingediend tegen de brieven van verweerder van 22 oktober 2002 en 30 oktober 2002 met als onderwerp ”terugvordering en invordering”.

Verweerder heeft als gedragslijn dat, nog voor de afgifte van een herzieningsbesluit, wordt vastgesteld of er onverschuldigd uitkering is betaald en zo ja, hoeveel. Aan de betrokkene wordt vervolgens een mededeling toegezonden over de terugvordering, zoals is gedaan in de brief aan eiser van 9 november 2001. Na afloop van de in de brief genoemde termijn, of na ontvangst van een reactie op het betalingsvoorstel van verweerder, wordt vervolgens een gecombineerde mededeling over de terug- en invordering aan de betrokkene bekendgemaakt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de brief van 9 november 2001 geen besluit is opgenomen en is van mening dat eerst tegen het gecombineerde terug- en

invorderingsbesluit bezwaar en beroep kunnen worden ingesteld, een en ander in overeenstemming met het bepaalde in de artikelen 24, vijfde lid, en 24a van de AOW.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 1:3 van de Awb bepaalt dat onder een besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, dat wil zeggen een handeling gericht op rechtsgevolg. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb kan de belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Voordat een dergelijk beroep kan worden ingesteld, dient op grond van artikel 7:1 van de Awb de belanghebbende bezwaar te maken bij het bestuursorgaan.

De brief van 9 november 2001 bevat geen bezwaarclausule. De brief luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"In de bijgevoegde brief kunt u lezen dat uw recht op Anw-uitkering is gewijzigd. Hierdoor heeft u f 10.830,12 (€ 4.914,49) te veel Anw-uitkering ontvangen. Wij zijn van plan het teveel ontvangen bedrag van u terug te vorderen.

In deze brief doen wij een voorstel over hoe u het teveel ontvangen bedrag kunt betalen. U krijgt eerst de gelegenheid om te reageren op het betalingsvoorstel. Daarna ontvangt u een beslissing over de terugvordering. Bovendien nemen wij een beslissing over de wijze van betaling van het teveel betaalde.

HOE U KUNT BETALEN

In principe moet u de vordering binnen een jaar hebben betaald. Wij verzoeken u ons binnen zes weken mee te delen hoe u de vordering wilt betalen. Als u niet in staat bent de vordering binnen een jaar af te lossen, moet u een goed gemotiveerd voorstel voor een betalingsregeling indienen.

(….)

Als wij uw reactie niet binnen 6 weken na dagtekening van deze brief hebben ontvangen, nemen wij aan dat u akkoord gaat met ons voorstel. U ontvangt dan een beschikking over de terugvordering en de wijze van betalen. Tegen die beschikking kunt u een bezwaarschrift indienen.”

De rechtbank constateert dat verweerders brief van 9 november 2001 onmiskenbaar een ondubbelzinnige mededeling bevat met betrekking tot de beslissing van verweerder omtrent de hoogte van de terugvordering van de vanaf 1 januari 1999 ten onrechte betaalde uitkering. De brief is op dat punt zonder enig voorbehoud geformuleerd. Het bedrag van de terugvordering staat vast en is in de brief vermeld. Ter zitting van de rechtbank op 7 april 2003 heeft de gemachtigde van verweerder ook aangegeven dat (nadere) besluitvorming vervolgens wat dit betreft niet heeft plaatsgevonden. Verweerders mededeling in de brief is in zoverre naar het oordeel van de rechtbank dan ook gericht op rechtsgevolg, te weten het doen ontstaan van de desbetreffende betalingsverplichting voor eiser. De brief is daarmee aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De omstandigheid dat die brief geen bezwaarclausule bevat en op het onderhavige punt summier is gemotiveerd doet daaraan niet af. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 juni 2001, gepubliceerd in AB 2001/5. Het feit dat verweerder in de brief voorts vermeldt dat een beslissing over de terugvordering pas zal worden afgegeven nadat eiser zal hebben gereageerd op een betalingsvoorstel van verweerder, doet evenmin af aan het hiervoor vastgestelde besluitkarakter van de terugvordering. De besluitvorming over de terugvordering was immers al afgerond toen de onderhavige brief van 9 november 2001 werd verstuurd en middels die brief heeft verweerder dat bekendgemaakt aan eiser als bedoeld in artikel 3:41 van de Awb. Verweerder diende nog slechts te beslissen over de wijze van invordering van het teruggevorderde bedrag, rekening houdend met een eventuele reactie van eiser op dat punt.

In tegenstelling tot verweerder is de rechtbank van oordeel dat een uitvoeringspraktijk waarbij eerst een terugvorderingsbesluit en later een invorderingsbesluit wordt genomen niet in strijd hoeft te komen met de artikelen 53, vijfde lid, en 54 van de Anw. Vereist is dan wel dat het invorderingsbesluit uiterlijk wordt genomen ten tijde van de beslissing op het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit. In dit verband verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 september 1999, gepubliceerd in RSV 2000/86, waar de vergelijkbare artikelen 36, derde (thans vijfde) lid, en 36a van de WW aan de orde waren.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat eisers bezwaren tegen de in de brief van 9 november 2001 opgenomen mededeling over de terugvordering van eiser van f 10.830,12 ( € 4.914,49), ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. Het beroep van eiser slaagt derhalve in zoverre en zal op dit onderdeel gegrond worden verklaard. Het door eiser bestreden deel van verweerders besluit van 4 februari 2002 zal worden vernietigd en verweerder zal worden opgedragen alsnog - in overeenstemming met eerdergenoemde uitspraak uit RSV 2000/86 - te beslissen naar aanleiding van eisers bezwaren tegen het besluit tot terugvordering.

De rechtbank ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb, omdat er geen kosten voor rechtsbijstand zijn gemaakt als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Wel zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht dient te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond voor zover het is gericht tegen het besluit de Anw-uitkering van eiser met ingang 1 januari 1999 te herzien;

- verklaart het beroep gegrond, voor zover het is gericht tegen het besluit eiser niet-ontvankelijk te verklaren in zijn bezwaren tegen het besluit tot terugvordering, zoals verwoord in verweerders brief van 9 november 2001;

- vernietigt dat deel van het bestreden besluit;

- draagt verweerder op naar aanleiding van eisers bezwaren tegen het besluit tot terugvordering alsnog een besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast verweerder aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht.

Aldus gedaan door mrs. A.A.H. Schifferstein, P.J.H. van Dellen en

G.H. de Heer-Schotman als rechters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van D. Heuker of Hoek als griffier op 16 mei 2003.

De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden: