Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2003:AF8350

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-05-2003
Datum publicatie
08-05-2003
Zaaknummer
93903 / KG ZA 03-262
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WVO Commentaar en Jurisprudentie 2003/91

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

VONNIS IN KORT GEDING

Zaaknummer : 93903 / KG ZA 03-262

Datum uitspraak: 8 mei 2003

Vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch in de zaak van:

[eiseres], wonende te [woonplaats], optredend (i) voor zich zelf;

(ii) in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarig kind [de zoon];

eiseres bij exploot van dagvaarding van 14 april 2003,

procureur en advocaat mr. T.P.M. Kouwenaar,

tegen:

De "rechtspersoonlijkheid bezittende stichting" STICHTING REGIONAAL INSTITUUT VOOR EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagde bij gemeld exploot,

procureur en advocaat mr. E. Beele,

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid met "eiseres" en "Koning Willem 1 College" (afgekort "KWIC").

1. De procedure

1.1. Eiseres heeft in kort geding gesteld en gevorderd zoals hierna verkort is weergegeven.

1.2. De procureur van eiseres heeft de vordering ter terechtzitting op 25 april 2003 toegelicht, mede aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities.

1.3. De procureur van KWIC heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities.

1.4. Ter terechtzitting heeft de voorzieningenrechter [de zoon] in persoon gehoord.

1.5. Na gevoerd debat hebben partijen vonnis gevraagd.

2. De feiten

2.1. Eiseres heeft het ouderlijk gezag over haar zoon, [de zoon] (verder te noemen: [de zoon]). [De zoon] is geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] en dus momenteel 15 jaren oud. [De zoon] was tot voor kort leerling van het KWIC, studierichting metaaltechniek.

2.2. KWIC is een school voor voortgezet onderwijs die in stand wordt gehouden door de particuliere Stichting regionaal instituut voor educatie en beroepsonderwijs, gedaagde.

2.3. In februari 2003 ontstond er tijdens de les Nederlands tussen [de zoon] en zijn lerares, mevrouw Baken-Meeuwsen, een conflict. Aanleiding was dat [de zoon] een sms-je had ontvangen en derhalve in strijd met de op school geldende regels zijn mobiele telefoon in de les aan had staan, en vervolgens, niettegenstaande het verzoek van mevrouw Baken, deze telefoon niet aan haar wilde afgeven. Mevrouw Baken heeft [de zoon] toen uit de les gestuurd en zij wenste alvorens [de zoon] weer tot de les toe te laten, dat [de zoon] zijn excuses zou aanbieden hetgeen hij weigerde.

2.4. [De zoon] heeft om advies gevraagd aan zijn mentor, de heer Fransen, die hem heeft aangeraden om met mevrouw Baken te gaan praten. Toen dit niet lukte heeft [de zoon] zich op de ochtend van 20 februari 2003 tot de heer Van den Tillaart, coördinator/(kern)teamleider, gewend. Die heeft gezegd dat hij zich tijdens de leswisseling met mevrouw Baken in contact moest stellen om een afspraak te maken. Toen [de zoon] dat probeerde stelde mevrouw Baken weer als eis dat hij eerste zijn excuses moest maken. Dat heeft [de zoon] weer geweigerd, zodat het probleem niet werd opgelost.

2.5. [De zoon] heeft vervolgens naar zijn stiefvader gebeld en hem om raad gevraagd. Stiefvader is hierop naar school gekomen en is in opgewonden staat de klas van mevrouw Baken binnengelopen. Hij heeft [de zoon] gezegd dat hij in de klas moest gaan zitten hetgeen [de zoon] heeft gedaan. Stiefvader heeft zich ten overstaan van de in de klas aanwezige leerlingen op een agressieve manier tot mevrouw Baken gewend, haar onder meer scheldwoorden toegeschreeuwd en haar krachtig beetgepakt en de gang op gedwongen. Daarna smeet hij de deur zeer hard dicht. Mevrouw Baken is weer terug naar de klas gegaan, waarna stiefvader haar achterna is gekomen. Na wederom tegen haar te hebben geschreeuwd, heeft hij [de zoon] geroepen en zijn zij beiden weggegaan. De leerlingen zaten na dit voorval diep geschokt op hun plaatsen. Mevrouw Baken heeft diezelfde dag jegens de stiefvader aangifte van lokaalvredebreuk, bedreiging en mishandeling gedaan. [De zoon] is van school gestuurd met de mededeling dat de directeur zich zou beraden over de gebeurtenis van die dag.

2.6. Bij brief van 28 februari 2003 heeft de directeur van het KWIC, de heer van de Langenberg, aan eiseres en [de zoon] medegedeeld dat hij voornemens was om over te gaan tot verwijdering van [de zoon]. Eiseres en [de zoon] zijn uitgenodigd voor een gesprek, dat op 12 maart 2003 heeft plaatsgevonden.

2.7. De raadsman van eiseres heeft bij schrijven van 7 maart 2003 een toelichting gegeven op de gebeurtenissen. Bij afzonderlijke brieven van 8 maart 2003 hebben [de zoon] en zijn stiefvader uitleg gegeven omtrent hun handelen en hun excuses aangeboden.

2.8. Bij besluit van 13 maart 2003 heeft de directeur van het KWIC [de zoon] definitief verwijderd. Daarbij is aangegeven dat [de zoon] zonder studievertraging zijn studie kon vervolgen op de collega-school De Overlaet te Waalwijk.

2.9. Tegen dit besluit is op 24 maart 2003 door eisers bezwaar gemaakt bij de directie, welk bezwaar op 17 april 2003 ongegrond is verklaard.

3. Het geschil

3.1. Eiseres vordert in dit kort geding - kort gezegd - gedaagde te veroordelen om onmiddellijk na de betekening van het in dezen te wijzen vonnis [de zoon] toe te laten tot de door hem tot 20 februari 2003 bij het KWIC gevolgde opleiding.

3.2. Eiseres legt daaraan ten grondslag dat KWIC met het verwijderen van [de zoon] zowel jegens haarzelf als jegens [de zoon] tekort is geschoten in haar verplichting als onderwijsinstelling, althans onrechtmatig jegens haar en [de zoon] heeft gehandeld. Een en ander is gelegen in het volgende:

(a) het besluit van 13 maart 2003 is onzorgvuldig tot stand gekomen. [de zoon] en zijn moeder zijn weliswaar op 12 maart 2003 in de gelegenheid gesteld om hun mening naar voren te brengen, maar feitelijk stond het besluit van de directeur al vast.

(b) het besluit zelf is onterecht. [de zoon] kan van de escalatie op 20 februari 2003, mede gelet op zijn leeftijd, immers geen enkel verwijt worden gemaakt. En zo dat al wel het geval moet worden geacht, dan moet daarbij in aanmerking worden genomen dat KWIC van haar zijde tekort is geschoten in de begeleiding van [de zoon] om het probleem, dat hij met mevrouw Baken had, op te lossen.

(c) het besluit staat niet in (evenwichtige) verhouding tot het verweten gedrag. KWIC staan andere, minder vergaande middelen en/of sancties dan verwijdering ter beschikking.

3.3. Het verweer van KWIC tegen de vordering komt zakelijk weergegeven op het volgende neer. Het verwijderingsbesluit is tot stand gekomen met inachtneming van de in artikel 14 van het Inrichtingsbesluit W.V.O. voorgeschreven procedure. [de zoon] kan zijn opleiding vervolgen op een vergelijkbare onderwijsinstelling in Waalwijk. Het dreigende conflict is direct aangepakt, zodat meteen met de inspectie overleg is gevoerd. Dat betekent nog niet dat er geen bereidheid bestond serieus naar de standpunten van eiseres en [de zoon] te luisteren.

Bedreigingen van welke aard dan ook horen niet in het onderwijs thuis, laat staan dat deze ook daadwerkelijk tot uitvoering worden gebracht. Het wordt [de zoon] verweten dat hij zijn stiefvader in de zaak heeft betrokken en zich achter hem heeft opgesteld. Ook van een 15-jarige mag enig verantwoordelijkheidsbesef worden verwacht. Het gedrag van [de zoon] heeft geleid tot een ernstige, onherstelbare vertrouwensbreuk.

[de zoon] is wel degelijk voldoende begeleid, eerst door zijn mentor en vervolgens door de kernteamleider.

De minder vergaande schorsing van maximaal één week ingevolge artikel 13 van het inrichtingsbesluit W.V.O. is niet adequaat. Daarbij speelt ook een rol dat de gebeurtenissen van 20 februari 2003 vanzelfsprekend hun weerslag op school hebben gevonden en bij het docentenkorps en de medeleerlingen een ernstige inbreuk hebben gemaakt op het gevoel van veiligheid dat in een schoolomgeving dient te bestaan.

3.4. Op hetgeen partijen overigens over en weer hebben aangevoerd, zal voor zoveel nodig bij de beoordeling worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Voorop gesteld wordt dat tussen een particuliere school als het KWIC en een leerling (en zijn ouders, voogden of verzorgers) een contractuele relatie bestaat. De inhoud van die relatie wordt bepaald door wettelijke bepalingen, die op die relatie betrekking hebben, en individuele afspraken die door partijen zijn gemaakt. Voorts wordt deze relatie bepaald door de regelingen die de school heeft opgesteld en waaraan de leerling door aanvaarding of wetsbepaling aan gebonden is. Tenslotte wordt de relatie beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid.

4.2. Voor wat betreft de verwijdering van een leerling van KWIC geldt in de eerste plaats dat KWIC aan de voorwaarden moet voldoen die de wet daaraan stelt. Het gaat hier met name om artikel 14 van het reeds genoemde Inrichtingsbesluit W.V.O. Deze bepaling houdt in dat het bevoegd gezag tot definitieve verwijdering kan besluiten nadat de betrokken leerling (en diens ouders, voogden of verzorgers) in de gelegenheid is geweest hierover te worden gehoord (lid 1). Het tweede lid stelt voorafgaand overleg met de inspectie verplicht. Gedurende dat overleg kan de leerling worden geschorst. Het overleg strekt er mede toe na te gaan op welke andere wijze de betrokken leerling onderwijs zal kunnen volgen.

4.3. Aan die eisen is in dit geval voldaan. Eiseres heeft weliswaar aangevoerd dat het overleg met haar alvorens het besluit tot verwijdering te nemen in feite niets heeft voorgesteld om dat de beslissing al genomen was en er dus geen reëel overleg is geweest, doch dat heeft zij alleen onderbouwd met de stelling dat er meteen al overleg met de inspectie was gevoerd. Naar het oordeel van de rechter kan daaruit echter niet worden afgeleid dat de beslissing van de directeur tot verwijdering reeds onherroepelijk was.

4.4. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de school door het nemen van het besluit heeft gehandeld in strijd met de overeenkomst of anderszins in strijd met het recht heeft gehandeld. Uitgangspunt is dat de school, zoals hier KWIC, niet de vrijheid heeft naar goeddunken de relatie te beëindigen. Afgezien van de zojuist al gememoreerde wettelijke eisen van het Inrichtingsbesluit, staat de inhoud van de contractuele relatie daaraan in de weg. Die relatie brengt immers mee dat de leerling er in beginsel op mag vertrouwen dat hij in de gelegenheid zal worden gesteld het gehele in de overeenkomst voorziene curriculum van zijn studierichting te doorlopen en met deelname aan het eindexamen af te ronden. Op dit recht van de leerling kan alleen inbreuk worden gemaakt als de school daartoe redenen heeft die zodanig zwaarwichtig zijn dat van haar voortzetting van de relatie met de leerling redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

4.5. Voor het onderhavige geval komt dat neer op de vraag of KWIC zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorzetting van de relatie met [de zoon] redelijkerwijs niet meer van haar kon worden gevergd. Gelet op de eigen specifieke verantwoordelijkheden van het schoolbestuur (die zich onder andere ook uitstrekken tot zorg voor de schoolgemeenschap als zodanig, waaronder speciaal ook de leerlingen en de medewerkers) draagt de toetsing van die beslissing noodzakelijkerwijs een zeker marginaal karakter; het schoolbestuur heeft een eigen beleidsvrijheid en de rechter kan daaraan slechts grenzen stellen wanneer de opstelling van de school de grenzen van het rechtmatige overschrijdt.

4.6. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft KWIC gewezen op de vertrouwensbreuk met [de zoon], bestaande uit de rol die [de zoon] heeft gespeeld bij het incident. Dit is ook in de brieven van 28 februari 2003, 13 maart 2003 en 17 april 2003 aan eiseres en [de zoon] meegedeeld.

4.7. Eisers heeft daaromtrent aangevoerd dat [de zoon] terzake het incident niets te verwijten valt en dat hij eigenlijk ook het slachtoffer is geworden van het optreden van zijn stiefvader. Dat is echter geenszins aannemelijk geworden. [de zoon] heeft immers naar zijn stiefvader gebeld op een moment dat dat bepaald niet voor de hand lag. Hij was immers die dag eerst naar zijn mentor en vervolgens naar zijn kernteamleider geweest en had hen om raad gevraagd. Die raad was dat hij met mevrouw Baken een afspraak voor een gesprek moest zien te maken. Toen dat niet lukte had het (ongeacht de vraag of van dat mislukken aan hemzelf of aan mevrouw Baken een verwijt had kunnen worden gemaakt) zonder meer voor de hand gelegen dat [de zoon] was teruggegaan naar de kernteamleider om hem dat te vertellen en te vragen wat hij nu het beste zou kunnen doen en eventueel wat iemand anders voor hem zou kunnen doen. Dat heeft [de zoon] niet gedaan maar in plaats daarvan heeft hij (onder schooltijd) zijn vader gebeld en - naar zijn zeggen - hem om raad gevraagd.

4.8. Daarmee heeft [de zoon] zich afgewend van het gezag en de begeleiding van de school. Hij heeft een eigenstandige oplossing gezocht. En bovendien een die bepaald niet als verstandig kan worden aangemerkt, aangezien hij moet hebben geweten dat zijn stiefvader (zoals die zelf verklaart) een driftkop is.

4.9. Van belang is verder dat [de zoon] tijdens het incident geen aanstalten heeft gemaakt zich van het gedrag van zijn stiefvader te distantiëren. Hij zegt dat hij daartoe geen gelegenheid zag, maar dat verdient in rechte geen geloof. Er is geen enkele aanwijzing dat stiefvader niet aanspreekbaar was en stiefvader zelf geeft in zijn verklaring terzake ook niet aan dat hij voor geen enkele rede vatbaar was. Overigens moet worden aangenomen dat in het geval [de zoon] inderdaad geen mogelijkheid heeft kunnen zien om iets matigends tegen stiefvader te zeggen of tegenover zijn medeleerlingen te laten blijken dat hij het niet eens was met stiefvader, het des te meer verwijtbaar is dat hij zich uitgerekend tot stiefvader heeft gewend om hulp op een moment dat daartoe niet geëigend was.

4.10. Het doen van een hulpvraag aan zijn stiefvader op dat moment kan niet worden afgedaan als een inschattingsfout, waarvan [de zoon] gezien zijn leeftijd geen verwijt kan worden gemaakt, zoals eiseres aanvoert. Deze fout is zo ernstig dat deze het vertrouwen van de school in [de zoon] in vergaande mate heeft kunnen schaden.

4.11. Bovendien heeft [de zoon] tijdens de zitting te kennen gegeven nog steeds op het standpunt te staan dat hij in deze kwestie het gelijk aan zijn zijde heeft en dat mevrouw Baken hem ten onrechte uit de les heeft verwijderd en aan hem ten onrechte de eis stelt dat hij zijn excuus aan haar moet maken. Het kan niet anders dan dat deze mening bij de opstelling van [de zoon] jegens mevrouw Baken alsook bij het informeren van zijn stiefvader een rol heeft gespeeld. Daarbij is de rol van [de zoon] in het conflict beslist actiever dan eiseres wil doen voorkomen.

4.12. Dat betekent dat hier moet worden geoordeeld dat de school zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat er sprake is van een vertrouwensbreuk met [de zoon] die zodanig is dat handhaving van [de zoon] redelijkerwijs niet van haar kan worden gevraagd, mede omdat het aannemelijk is dat de schoolgemeenschap door het gebeuren is geschokt. Hierbij weegt ook mee dat [de zoon] voor de voortzetting van zijn opleiding terecht kan bij een andere school.

4.13. Ten aanzien van die andere school te Waalwijk is niet gebleken van bezwaren anders dan een langere reistijd. Die reistijd is evenwel geenszins onoverkomelijk en zelfs niet ongebruikelijk in deze regio.

4.14. Het is begrijpelijk dat de school geen ruimte aanwezig heeft geacht om te proberen de breuk te herstellen en - dientengevolge - met een minder vergaande maatregel te volstaan.

4.15. Met hetgeen is overwogen in r.o. 4.7 en 4.8 is eveneens het verwijt van eiseres ontzenuwd dat KWIC tekort is geschoten in haar verplichting om [de zoon] voldoende te begeleiden.

4.16. Nu KWIC zich jegens [de zoon] niet onrechtmatig heeft gedragen valt, gelet de stellingen van eiseres, ook niet in te zien hoe dat wel jegens eisers zelf zo zou zijn.

4.17. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de vordering moet worden afgewezen.

4.18. Eiseres dient als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van de procedure te worden verwezen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt eiseres in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de wederpartij begroot op € 908,00 waarvan € 703,00 salaris procureur en € 205,00 verschotten;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.M. Strijbos, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 mei 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.