Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2003:AF8337

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-05-2003
Datum publicatie
30-06-2003
Zaaknummer
AWB 02/744
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

weigering bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van vier lichtmasten op een sportterrein

Lichtmast niet vergelijkbaar met "Vlaggemast en dergelijke" in de zin van het bestemmingsplan.

Uitspraak in hoger beroep bevestigd LJN AO2423

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

AWB 02/744

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

de vereniging HUAC Pétanque-Club, gevestigd te Helmond, eiseres,

gemachtigde mr. J.W. de Rijk, advocaat te Helmond,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 24 augustus 2001 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van eiseres van 6 augustus 2001 om haar een bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van vier lichtmasten op een sportterrein aan de Aarle-Rixtelseweg 24 te Helmond.

Tegen dit besluit heeft J. van de Westerlo, penningmeester van eiseres, namens eiseres bij schrijven van 15 september 2001 bezwaar gemaakt.

Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft op 14 november 2001 een hoorzitting plaatsgevonden.

Bij besluit van 13 februari 2002, verzonden op 20 februari 2002, heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Bij schrijven van 28 maart 2002 is namens eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 26 maart 2003, waar namens eiseres zijn verschenen M.J. van Hout en J.L.A. Gruijters, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Helmus.

II. OVERWEGINGEN

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit van 13 februari 2002 in rechte stand kan houden.

De rechtbank is bij haar oordeelsvorming uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is gevestigd op het sportterrein van tennisclub ‘De Horst’ gelegen aan de Aarle-Rixtelsestraat 24 te Helmond. Op dit perceel rust ingevolge het ter plaatse vigerende bestemmingsplan “Aarle-Rixtelseweg en omgeving” (hierna: bestemmingsplan) de bestemming ‘woongebied III’, nader aangeduid met ‘R’, zijnde ‘recreatie’.

Het bouwplan van eiseres voorziet in het plaatsen c.q. oprichten van vier lichtmasten met een hoogte van 4 meter rond de pétanquebanen.

Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat de lichtmasten niet voldoen aan de voorschriften van het bestemmingsplan. Zij vallen onder het begrip bouwwerk geen gebouw zijnde, waarvan de maximale bouwhoogte op 2 meter is bepaald. De in het bestemmingsplan genoemde uitzondering doet zich niet voor, aangezien een lichtmast een ander karakter heeft dan een vlaggemast en derhalve niet hiermee overeenkomt. Voorts hebben omwonenden aangegeven bezwaar te hebben tegen de lichtmasten, zodat gelet hierop en de ligging van de pétanquebanen vrijstelling ex artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) niet mogelijk is. De bouwvergunning is terecht geweigerd, aldus verweerder.

In beroep is aangevoerd dat eiseres de vergunning heeft aangevraagd om ook in de avonduren de pétanquesport te kunnen beoefenen en het speelseizoen te kunnen verlengen. De vergunning is ten onrechte geweigerd, aangezien verweerder bij de interpretatie van artikel 4.3, onder B, eerste lid, van het bestemmingsplan de bestemming van het onderhavige perceel heeft miskend. Aan openluchtrecreatie, in casu een sportterein, is inherent het kunnen plaatsen van lichtmasten. Het begrip ‘en dergelijke’ houdt dit ook in. Voorts heeft verweerder het vertrouwen gewekt dat eiseres de lichtmasten zou mogen plaatsen en handelt hij in strijd met het gelijkheidsbeginsel door aan andere pétanqueverenigingen wel vergunning te verlenen. Tenslotte is vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO juncto artikel 20, eerste lid, van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening (Bro) wel degelijk mogelijk en heeft verweerder ten onrechte bezwaren waarvan eiseres geen kennis heeft kunnen nemen meegewogen, aldus eiseres.

Het wettelijk kader luidt als volgt.

Krachtens artikel 40, eerste lid, van de Woningwet (Ww) is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Ingevolge artikel 44 Ww mag de bouwvergunning alleen en moet de bouwvergunning worden geweigerd, indien:

a. (…);

b. (…);

c. het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen;

d. (…);

e. (…).

De weigeringsgronden van artikel 44 van de Ww hebben een limitatief-imperatief karakter. Dit betekent dat de bouwvergunning moet worden geweigerd indien het bouwplan waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met één of meer in de weigeringsgronden neergelegde voorschriften, en dat bouwvergunning moet worden verleend indien zulk een weigeringsgrond ontbreekt.

Krachtens artikel 4.1, aanhef en onder f, van het bestemmingplan zijn de op de kaart als ‘woongebied III’ en met ‘R’ aangeduide percelen bestemd voor aktieve recreatie.

Ingevolge artikel 4.3, onder B, sub 1, mogen bouwwerken geen gebouwen zijnde worden opgericht, met dien verstande dat de maximale bouwhoogte 2.00 meter is, ‘vlaggemasten en dergelijke uitgezonderd’.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of onderhavig bouwplan al dan niet in strijd is met het geldende bestemmingsplan.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de betreffende lichtmasten moeten worden aangemerkt als bouwwerken geen gebouwen zijnde, waarop artikel 4.3, onder B, sub 1, van het bestemmingsplan van toepassing is.

Partijen verschillen van mening over de uitleg van de in voormeld artikel geformuleerde uitzonderingsbepaling voor ‘vlaggemasten en dergelijke’. Verweerder is, zoals desgevraagd ter zitting aangegeven, van oordeel dat een vlaggemast en een lichtmast - gelet op de decoratieve respectievelijk gebruiksfunctie hiervan - een verschillend karakter hebben, zodat een lichtmast niet onder de uitzondering van artikel 4.3, onder B, sub 1, van het bestemmingsplan valt. Volgens eiseres dient bij de beoordeling van een bouwplan ook rekening te worden gehouden met het meest doelmatig gebruik van de betreffende bestemming van het perceel, hetgeen met zich brengt dat, nu aan de bestemming openluchtrecreatie, in casu een sportterrein, inherent is het kunnen plaatsen van lichtmasten, ook masten niet zijnde vlaggemasten onder de uitzonderingsbepaling vallen.

De rechtbank is dienaangaande van oordeel dat gelet op de ruimtelijke uitstraling een lichtmast niet onder het begrip ‘en dergelijke’ kan worden gebracht; een lichtmast heeft met zijn verlichtingsfunctie een functie die wezenlijk verschilt van de functie van een vlaggemast. Dit brengt met zich dat voor onderhavige lichtmasten niet de uitzondering in het betreffende artikel van het bestemmingsplan kan gelden en de masten in beginsel dienen te voldoen aan de gestelde maximale bouwhoogte van 2 meter.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de stelling van eiseres dat op grond van het meest doelmatig gebruik van de bestemming van het perceel de betreffende lichtmasten geplaatst kunnen en mogen worden niet slagen, nu, nog afgezien van de vraag of lichtmasten inherent zijn aan de onderhavige bestemming woongebied, nader aangeduid met (actieve) recreatie - en formeel niet sportterrein -, dit nog niets zegt over de bouwhoogte waaraan bouwwerken binnen de gegeven bestemming dienen te voldoen.

De rechtbank kan voorts eiseres niet volgen in haar - overigens eerst ter zitting naar voren gebrachte - stelling dat de in het betreffende artikel aangegeven maximale bouwhoogte slechts geldt voor bouwwerken als erfafscheidingen en hekwerken, nu dit een beperking inhoudt die - mede gelet op de wel genoemde vlaggemast - in voormeld artikel niet is te lezen en de stelling overigens niet nader is onderbouwd.

Nu niet is gebleken dat het bestemmingsplan mogelijkheden biedt tot vrijstelling terzake, dient aldus de bouwvergunning op grond van artikel 44, aanhef en onder c, van de Ww te worden geweigerd, tenzij met het verlenen van vrijstelling ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO de strijdigheid met het bestemmingsplan zou worden opgeheven.

Het gaat in casu om bouwwerken, geen gebouw zijnde, in de zin van artikel 20, eerste lid, sub c, van het Bro, waarmee de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO is ontstaan. De rechtbank merkt op dat verweerder bij de hantering van deze vrijstellingsmogelijkheid een grote mate van beleidsruimte toekomt en ter beoordeling staat dan ook of verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het kader van de belangenafweging de belangen van eiseres bij realisering van het bouwplan heeft afgewogen tegen de belangen van de omwonenden. Aan het belang van de omwonenden bij een ongestoord woongenot is een groter gewicht toegekend dan aan het belang van (de leden van) eiseres om ook in de avonduren de pétanquesport te kunnen beoefenen en het speelseizoen te kunnen verlengen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat aldus sprake is van een onevenwichtige belangenafweging, waarbij zij nog in aanmerking neemt dat verweerder ter zitting - desgevraagd - heeft aangegeven dat nergens op het sportterrein of rond de tennisbanen lichtmasten zijn geplaatst. Dat de omwonenden eerst nadat het tennispark reeds was gerealiseerd hier zijn komen wonen, doet aan het vorenstaande niet af. Ook de - overigens eerst ter zitting naar voren gebrachte - stelling dat verweerder ten onrechte geen acht heeft geslagen op de voorschriften ten aanzien van lichtvoorzieningen ingevolge het Besluit Horeca-, Sport- en Recreatieinrichtingen milieubeheer, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel, aangezien deze voorschriften het gebruik van verlichting betreffen en de bezwaren van de omwonenden overigens voornamelijk zien op de geluidshinder en niet zozeer op de overlast door het licht.

Met betrekking tot het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat verweerder ten aanzien van de door eiseres genoemde gevallen heeft aangegeven dat hiervoor andere planologische regimes gelden, zodat reeds hierom geen sprake kan zijn van vergelijkbare gevallen en voormeld beroep niet kan slagen.

Tenslotte kan naar het oordeel van de rechtbank aan de brief van verweerder van 15 mei 2000 niet het vertrouwen worden ontleend dat de lichtmasten geplaatst zouden mogen worden, nu hierin slechts in algemene zin over verlichting wordt gesproken en niet concreet wordt aangegeven dat het om onderhavige lichtmasten gaat.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen afzien van het gebruik van zijn ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO toekomende bevoegdheid om vrijstelling te verlenen.

Gelet op het hiervoor overwogene is de strijdigheid van het bouwplan met het bestemmingsplan niet opgeheven en was verweerder, gelet op het dwingendrechtelijk bepaalde in artikel 44 van de Ww, gehouden de bouwvergunning te weigeren.

Nu niet is gebleken van andere feiten en omstandigheden die aanleiding geven tot vernietiging van het bestreden besluit zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

De rechtbank acht geen termen aanwezig één van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. P.H.C.M. Schoemaker als rechter in tegenwoordigheid van mr. L.M.H. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2003.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschrift verzonden: