Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2003:AF7333

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-04-2003
Datum publicatie
16-04-2003
Zaaknummer
03.15F
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

BESCHIKKING

Zaaknummer : 03.15 F

Datum beschikking : 9 april 2003

Deze beschikking wordt gegeven naar aanleiding van het op 27 maart 2003 ingediende beroepschrift ex artikel 67 Faillissementswet (Fw) met bijlagen door:

1. Lafor Establishment,

gevestigd te Vaduz,

Liechtenstein,

2. [verzoeker sub 2],

wonende te St. Martin, Guernsey

Engeland,

3. [verzoekers sub 3 cs] verzoekers,

advocaat en procureur mr. C.B.E. Gramberg

gericht tegen de beschikking van de rechter-commissaris in het op 9 januari 2003 door deze rechtbank uitgesproken faillissement van:

Trintella Shipyard B.V.

1. De procedure

1.1 Verzoekers hebben bij beroepschrift als voorzien in art. 67 Faillissementswet, gedateerd 26 maart 2003, hoger beroep ingesteld tegen een op 21 maart 2003 aan mr. Gramberg en de curator, mr. M.J.W. van Ingen, verzonden beschikking ex artikel 69 Faillissementswet van de rechter-commissaris in het faillissement van Trintella Shipyard B.V.. Het beroepschrift is op 27 maart 2003 ter griffie van de rechtbank 's-Hertogenbosch ingekomen.

1.2 De mondelinge behandeling van dit beroepschrift heeft plaatsgevonden op 2 april 2003. Ter zitting zijn verschenen de heer [verzoeker sub 3] alsmede namens verzoekers mr. Gramberg en mr. van Ingen, de curator, namens Trintella Shipyard B.V.. Zowel mr. Gramberg als mr. van Ingen hebben, aan de hand van pleitaantekeningen, ter zitting hun standpunten nader toegelicht.

De feiten

2.1 In deze zaak kan van de volgende feiten worden uitgegaan:

2.1.1. Bij vonnis van deze rechtbank van 4 december 2003 is aan Trintella Shipyard B.V. voorlopige surseance van betaling verleend. Op 9 januari 2003 is het faillissement uitgesproken van Trintella Shipyard B.V.. Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 26 februari 2003 is mr. F.H.E. Boerma laatstelijk benoemd tot rechter-commissaris in dit faillissement.

2.1.2. De curator heeft met diverse partijen onderhandelingen gevoerd over de verkoop van activa van Trintella Shipyard B.V.. Hamble Yacht Services heeft het hoogste bod uitgebracht. Onder voorbehoud van de machtiging van de rechter-commissaris heeft de curator dit bod geaccepteerd. Daarna hebben verzoekers sub 2 en 3 de bereidheid getoond een akkoord aan te bieden aan crediteuren en de rechter-commissaris verzocht de goedkeuring aan de overeenkomst te onthouden. De rechter-commissaris heeft vervolgens op 5 maart 2003 zijn machtiging verleend.

3. Het geschil

3.1. Bij verzoekschrift ex artikel 69 Faillissementswet van 12 maart 2003 heeft mr. Gramberg de rechter-commissaris verzocht de machtiging tot verkoop van (delen van) de activa van de vennootschap aan Hamble Yacht Services te heroverwegen dan wel de curator te verbieden uitvoering te geven aan die overeenkomst (het verzoekschrift d.d. 12 maart 2003 is als produktie 1 overgelegd bij het verzoekschrift). De rechter-commissaris heeft bij beschikking d.d. 21 maart 2003 beslist niet tot een heroverweging van zijn eerdere beslissing te komen en eveneens geen grond te zien om de curator te bevelen geen uitvoering te geven aan de overeenkomst (de beschikking van de rechter-commissaris d.d. 21 maart 2003 is aangehecht aan deze beschikking). De beschikking is bij faxbericht van 24 maart 2003 verzonden aan mr. Gramberg. Bij faxbericht van 26 maart 2003 is door mr. Gramberg hoger beroep ingesteld ex artikel 67 Faillissementswet tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 21 maart 2003. Het aanvullend beroepschrift is bij faxbericht van 31 maart ter griffie van de rechtbank binnengekomen.

3.2 In het beroepschrift wenden verzoekers zich tot de rechtbank met het verzoek de reeds verstrekte machtiging terzake de onderhandse transactie met Hamble Yacht Services te heroverwegen en deze in te trekken dan wel aan de curator te bevelen om de overeenkomst niet na te komen in verband met een nadere belangenafweging die handhaving dan wel nakoming van de overeenkomst niet rechtvaardigt ten opzichte van de bij de afwikkeling van dit faillissement betrokken partijen, daaronder de verzoekers sub 1, 2 en 3 begrepen.

3.3 Verzoekers gronden hun verzoek - kort gezegd - op het volgende:

De rechter-commissaris had geen machtiging moeten verlenen tot de verkoop van (delen van) de activa aangezien, hoewel de curator reeds een overeenkomst onder opschortende voorwaarde had gesloten met Hamble Yacht Services, een nadien door verzoekers aangeboden akkoord gunstiger is voor de schuldeisers en tevens behoud van werkgelegenheid zou opleveren. Volgens verzoekers wekt de rechter-commissaris in zijn beschikking ten onrechte de indruk dat het aangeboden akkoord nog niet definitief is en schetst hij ten onrechte een kader voor zijn beslissing waarbij verzoekers een rol zouden hebben gespeeld bij doorstartpogingen en totstandkoming van activatransacties. Tevens is het voor verzoekers onbegrijpelijk hoe de rechter-commissaris kan komen tot zijn twijfel of het huidige akkoord wel een betere oplossing in het faillissement kan bieden. Er is, volgens verzoekers, sprake van onvoorziene omstandigheden die het zonder meer rechtvaardigen, dan wel hadden moeten rechtvaardigen, dat de rechter-commissaris de toestemming voor de verkoop aan Hamble Yacht Services zou onthouden. Bovendien is de lezing door de rechter-commissaris van het arrest van de Hoge Raad van 7 september 2001 (NJ 2001,562) een onjuiste, aangezien de casus die aan dit arrest ten grondslag ligt een geheel andere is dan het onderhavige.

3.4. Ter zitting is door verzoekers nogmaals aangegeven dat zij belang hebben bij de intrekking van de door de rechter-commissaris verleende machtiging dan wel het bevel aan de curator om de overeenkomst niet na te komen.

3.5. De stellingen van verzoekers, de curator en de rechter-commissaris zullen - voor zover nodig - hierna bij de beoordeling worden betrokken.

4. De beoordeling

4.1. Het beroepschrift is, gelet op de datum van de verzending van de beschikking en de datum waarop het beroepschrift ter griffie van de rechtbank is ingekomen, tijdig ingediend. Verzoekers zijn derhalve ontvankelijk in hun verzoek.

4.2. Met het verlenen van de goedkeuring door de rechter-commissaris, die ter kennis is gebracht van Hamble Yacht Services, is de overeenkomst tussen de curator en Hamble Yacht Services tot stand gekomen. Intrekking van de verleende machtiging kan hieraan niet afdoen en kan deze overeenkomst niet aantasten, nog daargelaten dat rechtens niet is voorzien in intrekking van een eenmaal door een rechter-commissaris verleende machtiging. Reeds hierom zal het primaire verzoek worden afgewezen.

4.3. Bij de beoordeling van het subsidiaire verzoek om de curator te bevelen de overeenkomst niet na te komen wordt het volgende in aanmerking genomen. Gegeven de hoogte van de uitkering die als gevolg van de totstandkoming van de overeenkomst aan de crediteuren kan worden gedaan moet het belang van de crediteuren worden geacht te zijn gediend bij het sluiten van de overeenkomst. De overeenkomst is tot stand gekomen op basis van het hoogste, voor de crediteuren meest gunstige bod terwijl er ten tijde van de aanvaarding daarvan op geen enkele wijze sprake was van een aanbod tot een akkoord. Het belang van de boedel bij een zo hoog mogelijke opbrengst is dan ook door de curator niet uit het oog verloren. De omstandigheid dat er na het bereiken van overeenstemming een aanbod voor een akkoord is gedaan dat mogelijk tot een hogere uitkering aan crediteuren zou leiden brengt niet mee dat goedkeuring aan de overeenkomst zou moeten worden onthouden en nog minder dat, zijnde die goedkeuring zoals hier aan de orde eenmaal gegeven, nakoming van de definitief tot stand gekomen overeenkomst achterwege zou moeten worden gelaten. Eisen van redelijkheid en billijkheid die partijen bij die overeenkomst in acht hebben te nemen staan hieraan ook in de weg. Hamble Yacht Services mag er op vertrouwen dat de met haar gesloten, door de rechter-commissaris goedgekeurde overeenkomst zal worden nagekomen. De belangen van de crediteuren wegen hier niet tegen op. Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat het gevraagde bevel zal leiden tot een toerekenbare tekortkoming zijdens de curator met de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid van de boedel. Daargelaten wordt dan nog de onzekerheid omtrent de aanvaarding van het akkoord en de omstandigheid dat niet vast staat dat aanvaarding van het akkoord zou leiden tot behoud van werkgelegenheid, temeer daar de curator ter terechtzitting heeft aangegeven dat het hoogstens leidt tot behoud van werkgelegenheid voor een beperkt aantal (hooguit tien) werknemers en voor een beperkte duur (maximaal zes maanden). Onvoorziene omstandigheden als door verzoekers bedoeld zijn niet aan de orde nu sprake is van omstandigheden die reeds bekend waren op het moment dat de bestreden beslissing werd genomen en op het moment dat toestemming werd verleend door de rechter-commissaris. Gelet op het voorgaande bestaat er geen grond om de curator te bevelen de overeenkomst niet na te komen.

4.4. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep moet worden verworpen.

5. De beslissing

De rechtbank:

Verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gewezen door mr. E.J.C. Adang, vice-president, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.