Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2003:AF6289

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-02-2003
Datum publicatie
04-04-2003
Zaaknummer
AWB 00/5290
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nu het beroep na inzage in medische stukken is ingetrokken is geen sprake van onrechtmatig besluit en is er derhalve geen aanleiding voor veroordeling in proceskosten.

De juridisch adviseur van eiseres (werkgever) heeft in het kader van de beroepsprocedure met toepassing van art. 8:32.2 Awb inzage gehad in diverse stukken inzake de toekenning van WAO-uitkering aan een ex-werknemer. Eiseres heeft daarop het beroep ingetrokken en verzocht om veroordeling van verweerder in de kosten van de procedure.

rechtbank: Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 februari 2002 (gepubliceerd in USZ 2002/98 LJN AE0911) volgt dat aan verweerder niet met een beroep op art. 6 EVRM kan worden tegengeworpen dat hij bij het nemen van het bestreden besluit toepassing heeft gegeven aan de medische besluitenregeling van de WAO.

Ten aanzien van de proceskosten overweegt de Centrale Raad van Beroep in de voornoemde uitspraak dat, nu de rechtbank zich omtrent de inhoudelijke aspecten nog dient uit te spreken, hij aanleiding ziet het uitvoeringsorgaan op grond van art. 8:75 Awb voorwaardelijk - voor het geval het bestreden besluit niet in stand kan blijven - te veroordelen in de proceskosten van de werkgeefster.

Deze jurisprudentie brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat in een zaak als de onderhavige, waarin het verweerder niet kan worden tegengeworpen dat hij bij het nemen van het bestreden besluit toepassing heeft gegeven aan de medische besluitenregeling van de WAO en waarin na toezending van de onderliggende WAO-stukken geen grieven meer resteren en het besluit in stand kan blijven, er geen aanleiding is verweerder te veroordelen in de proceskosten.

De rechtbank Maastricht heeft in een tweetal door eiseres overgelegde uitspraken van 26 juli 2002 (niet opgenomen) in de enkele omstandigheid dat de eisende partij beroep heeft moeten instellen om kennis te kunnen krijgen van de medische stukken, voldoende aanleiding gezien om verweerder te veroordelen in de door deze eisende partij gemaakte proceskosten. De rechtbank volgt dit oordeel van de Maastrichtse rechtbank niet. De door eiseres genoemde omstandigheid dat verweerder in de desbetreffende Maastrichtse zaken - en ook in enkele andere zaken - heeft berust in deze kostenveroordeling, maakt dit voor de rechtbank niet anders. De rechtbank acht hierbij van doorslaggevend belang dat geen sprake is van onrechtmatigheid van het bestreden besluit en dat verweerder ook overigens geen verwijt kan worden gemaakt.

Verzoek afgewezen.

De Raad van bestuur van het UWV, verweerder.

mr. A.A.H. Schifferstein

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

AWB 00/5290

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

Bouwbedrijf [eiseres] B.V., gevestigd te [plaats], eiseres,

gemachtigde mr. M.H. Feiken,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan het bestuur van het Lisv.

Bij besluit van 28 januari 2000 heeft verweerder aan de (ex-)werknemer van eiseres, de heer [werknemer] (hierna te noemen: de werknemer), medegedeeld dat hij met ingang van 17 februari 2000 in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35 %.

Het hiertegen namens eiseres ingediende bezwaar is door verweerder bij besluit van 19 mei 2000 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft op 30 juni 2000 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Op 25 april 2002 heeft de rechtbank het verweerschrift en de stukken aan de gemachtigde van eiseres verzonden. Omdat enkele van deze stukken medische gegevens bevatten van de werknemer en hij geen toestemming heeft verleend voor het toezenden van dergelijke stukken aan eiseres, zijn werkgever, heeft de rechtbank onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 20 juli 2001 inzake de medische besluitenregeling in de WAO, toepassing gegeven aan artikel 8:32, tweede lid, van de Awb. Ten aanzien van een aantal nader aangeduide stukken heeft de rechtbank besloten dat uitsluitend mr. M.H. Feiken, juridisch adviseur bij Kantoor Mr. Van Zijl te Tilburg, in haar hoedanigheid van gemachtigde van eiseres, van deze stukken kennis mag nemen.

Eiseres heeft bij brief van 11 juli 2002 het beroep ingetrokken en daarbij verzocht verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure.

Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden mogelijkheid op dit verzoek te reageren.

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en doet uitspraak op basis van de gedingstukken.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank bij intrekking van het beroep ten gevolge van het alsnog geheel of gedeeltelijk tegemoet komen aan eiseres, het bestuursorgaan met toepassing van artikel 8:75 in de proceskosten veroordelen, indien daarom bij intrekking wordt verzocht.

Eiseres meent dat verweerder moet worden veroordeeld in de kosten van de procedure, omdat door de toezending door de rechtbank van alle relevante stukken aan de gemachtigde van eiseres met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb, uiteindelijk is tegemoet gekomen aan de bezwaren die eiseres had. Eerst door die toezending heeft eiseres inzicht gekregen in de motivering van de medische, arbeidskundige en overige aspecten die aan het besluit van 28 januari 2000 ten grondslag liggen. Deze geven eiseres vervolgens geen aanleiding tot nader commentaar.

Eiseres heeft zich voorts beroepen op de uitspraak van de CRvB van 27 juni 2001 (gepubliceerd in RSV 2001/228) en op de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 26 juli 2002 (AWB 00/515 en AWB 00/234).

De rechtbank overweegt als volgt.

Op 20 juli 2001 heeft de CRvB een aantal uitspraken gedaan inzake de medische besluitenregeling van de WAO (gepubliceerd in onder andere USZ 2001/197 tot en met 200). In deze uitspraken is bepaald dat toepassing van de medische besluitenregeling, zoals neergelegd in (met name) artikel 88c van de WAO, leidt tot een schending van het door artikel 6 van het EVRM gewaarborgde beginsel van "equality of arms", ofwel een niet toelaatbare onevenwichtigheid tussen partijen in hun processuele positie. Dit betekent dat aan de medische besluiten-regeling van de WAO geen onverkorte toepassing kan worden gegeven. Uit genoemde jurisprudentie volgt dat aan de elementaire eisen ten aanzien van een eerlijk proces wel wordt voldaan indien – de artikelen 88c en 88g van de WAO in zoverre buiten toepassing latend – in de beroepsprocedure bij de rechter met toepassing van art. 8:32, tweede lid, van de Awb wordt bepaald dat inzage in, dan wel kennisneming of toezending van medische gegevens van de werknemer is voorbehouden aan de gemachtigde van de werkgever die arts of advocaat is dan wel daartoe van de rechtbank bijzondere toestemming heeft gekregen, en dat deze gemachtigde – voor zover het de medische aspecten betreft – in de plaats van de werkgever treedt.

Uit de uitspraak van de CRvB van 13 februari 2002 (gepubliceerd in USZ 2002/98) volgt dat aan verweerder niet met een beroep op artikel 6 van het EVRM kan worden tegengeworpen dat hij bij het nemen van het bestreden besluit toepassing heeft gegeven aan de medische besluitenregeling van de WAO.

Ten aanzien van de proceskosten overweegt de CRvB in de voornoemde uitspraak dat, nu de rechtbank zich omtrent de inhoudelijke aspecten nog dient uit te spreken, hij aanleiding ziet het uitvoeringsorgaan op grond van artikel 8:75 van de Awb voorwaardelijk – voor het geval het bestreden besluit niet in stand kan blijven – te veroordelen in de proceskosten van de werkgeefster.

Deze jurisprudentie brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat in een zaak als de onderhavige, waarin het verweerder niet kan worden tegengeworpen dat hij bij het nemen van het bestreden besluit toepassing heeft gegeven aan de medische besluitenregeling van de WAO en waarin na toezending van de onderliggende WAO-stukken geen grieven meer resteren en het besluit in stand kan blijven, er geen aanleiding is verweerder te veroordelen in de proceskosten.

De uitspraak van de CRvB van 27 juni 2001 (gepubliceerd in RSV 2001/228) doet aan het voorgaande niet af. In deze uitspraak werd het bestuursorgaan veroordeeld in de proceskosten van de betrokkene omdat deze laatste eerst in hoger beroep kennis kon nemen van relevante beleidsregels. Anders dan in casu was hier derhalve de situatie aan de orde dat het wél aan het bestuursorgaan kon worden tegengeworpen dat aan de betrokkene niet eerder relevante stukken werden toegezonden.

De rechtbank Maastricht heeft in een tweetal door eiseres overgelegde uitspraken van 26 juli 2002 in de enkele omstandigheid dat de eisende partij beroep heeft moeten instellen om kennis te kunnen krijgen van de medische stukken, voldoende aanleiding gezien om verweerder te veroordelen in de door deze eisende partij gemaakte proceskosten. De rechtbank volgt dit oordeel van de Maastrichtse rechtbank niet. De door eiseres genoemde omstandigheid dat verweerder in de desbetreffende Maastrichtse zaken - en ook in enkele andere zaken - heeft berust in deze kostenveroordeling, maakt dit voor de rechtbank niet anders. Zoals ook blijkt uit het vorenoverwogene acht de rechtbank hierbij van doorslaggevend belang dat geen sprake is van onrechtmatigheid van het bestreden besluit en dat verweerder ook overigens geen verwijt kan worden gemaakt.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

wijst het verzoek om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten af.

Aldus gegeven door mr. A.A.H. Schifferstein als rechter in tegenwoordigheid van mr. N. Hofman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2003.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na

de datum van toezending hoger beroep instellen bij de

Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht

Afschrift verzonden: