Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2003:AF6076

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-03-2003
Datum publicatie
20-03-2003
Zaaknummer
90813 / KG ZA 03-53
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2003, 101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

VONNIS IN KORT GEDING

Zaaknummers : 90813 / KG ZA 03-53

Datum uitspraak: 20 maart 2003

Vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser bij exploot van dagvaarding van 29 januari 2003,

procureur mr. E.G.M. van Ewijk,

advocaat mr. M. Schuckink Kool te 's-Gravenhage,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde bij gemeld exploot,

procureur mr. J.E. Lenglet,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna "[eiser]" en "de Staat" worden genoemd.

1. De procedure

1.1. [Eiser] heeft in kort geding gesteld en gevorderd zoals hierna verkort is weergegeven.

1.2. De advocaat van [eiser] heeft de vordering ter terechtzitting op 18 februari 2003 toegelicht, mede aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities.

1.3. De advocaat van de Staat heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities met producties.

1.4. Na gevoerd debat hebben partijen vonnis gevraagd.

1.5. Vervolgens heeft [eiser] nog verzocht een stuk in het geding te mogen brengen. Toen daarvoor van De Staat geen toestemming werd verkregen, heeft hij een datum voor een nieuw kort geding gevraagd en vervolgens een exploot van dagvaarding op 11 maart 2003 aan De Staat doen betekenen. Als datum voor behandeling was bepaald 18 maart 2003, waarna in die zaak (waaraan het nummer KG ZA 03-181 was toegekend) en in de onderhavige zaak gevoegd uitspraak zou worden gedaan. Bij faxbrief van 18 maart 2003 heeft [eiser] de nieuwe zaak echter op het laatste moment ingetrokken.

1.6. Vervolgens is de onderhavige datum voor de uitspraak vastgesteld.

2. De feiten

2.1. Eind januari 2003 heeft [eiser] tezamen met anderen een pand aan de [adres] te [woonplaats] gekraakt.

2.2. Deze woning is eigendom van de Stichting Brabant Wonen (verder ook: de woningstichting) en werd in het wooncomplex dat plaatselijk bekend is als [naam wooncomplex] tot 12 april 2002 als huurwoning geëxploiteerd. Het gebruik van de woning door de woningstichting is aldus minder dan een jaar voorafgaande aan de ingebruikneming door [eiser] beëindigd.

2.3. De litigieuze woning maakt deel uit van een aantal panden die op de nominatie staan om gesloopt te worden in het kader van een grootscheepse renovatie van de betrokken wijk (inhoudende sloop van een groot aantal woningen en het bouwen van een aantal nieuwe woningen op de plaats).

2.4. De Officier van Justitie (verder ook OvJ) te [woonplaats] heeft [eiser] medegedeeld voornemens te zijn om (op korte termijn) tot ontruiming van de woning over te gaan.

2.5. [Eiser] verblijft thans nog immer in de woning.

3. Het geschil

3.1. [Eiser] vordert in dit kort geding, kort weergegeven:

1. de Staat en via haar de Officier van Justitie te [woonplaats] te verbieden strafrechtelijke dwangmiddelen, waaronder aanhouding, jegens [eiser] toe te passen, voor zover deze voortvloeien uit overtreding van artikel 429 sexies Sr;

2. de Staat te verbieden anderszins tot feitelijke ontruiming van het pand aan de [adres] te [woonplaats] over te gaan, voordat omtrent de strafbaarheid van [eiser] ex artikel 429 sexies Sr door de strafrechter een (onherroepelijke) uitspraak zal zijn gedaan;

3. veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2. [Eiser] legt aan zijn vordering sub 1 en 2 ten grondslag dat een redelijke uitleg van artikel 429 sexies Sr met zich meebrengt dat het artikel niet van toepassing is op panden waarvan reeds op voorhand vaststaat dat deze langer dan een jaar leeg zullen staan in afwachting van sloop, zodat strafrechtelijke ontruiming mitsdien onrechtmatig is.

Aan de vordering sub 2 legt hij bovendien ten grondslag dat er geen wettelijke basis is voor de OvJ om de feitelijk ontruiming van de woning te bewerkstelligen. Hij stelt met name ook dat artikel 2 van de Politiewet en/of artikel 124 RO daartoe geen bevoegdheid verschaft, omdat daarmee geen inbreuk gemaakt kan worden op enig grondrecht, terwijl het in het onderhavige geval gaat om zijn grondwettelijk en verdragsrechtelijk beschermd huisrecht.

3.3. Het verweer van De Staat tegen de vordering komt zakelijk weergegeven op het volgende neer:

Terzake een voorgenomen ontruiming ex artikel 429 sexies Sr behoeft uitsluitend beoordeeld te worden of het gebruik van de litigieuze woning meer dan een jaar voorafgaande aan de wederrechtelijke ingebruikname is beëindigd. De strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, vormt de grondslag voor de bevoegdheid van de OvJ om tot ontruiming ex artikel 429 sexies Sr over te gaan, voor een belangenafweging is geen plaats.

Overigens betwist de Staat dat het gekraakte pand in afwachting van de sloop langer dan een jaar leeg zal staan nadat de laatste huurder uit het pand is vertrokken.

Verder stelt de Staat zich op het standpunt dat die bevoegdheid om feitelijk te ontruimen gebaseerd kan worden op onder meer genoemd artikel 2 van de Politiewet.

Tenslotte betwist de Staat dat [eiser] een spoedeisend belang bij zijn vordering heeft.

3.4. Op hetgeen partijen overigens over en weer hebben aangevoerd, zal voor zoveel nodig bij de beoordeling worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechter acht op grond van het feit dat De Staat voornemens is om aan de aanwezigheid van [eiser] in de litigieuze woning op korte termijn een eind te maken, een voldoende spoedeisend belang voor een kort geding aanwezig.

4.2. De rechter stelt voorop dat aan de OvJ binnen het kader van de aan hem of haar in artikel 124 RO opgedragen taak tot strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde een zekere beleidsvrijheid toekomt en dat het voornemen van de OvJ om jegens [eiser] strafrechtelijke dwangmiddelen toe te passen op grond van verdenking van overtreding van artikel 429 sexies Sr zich daarom slechts leent voor een marginale toetsing door de burgerlijke rechter.

4.3. De rechter begrijpt dat [eiser] heeft willen betogen dat onder de omstandigheden van het geval (het eind van het gebruik door de woningstichting doet een termijn aanvangen, die langer dat een jaar zal duren en die derhalve gedurende het eerste deel van een jaar naar de letter van de wet het kraken van de woning tot een strafbaar feit doet zijn, terwijl daar geen enkel redelijk belang mee is gemoeid) de materiële wederrechtelijkheid aan de kraakactie ontbreekt.

4.4. Dit betoog faalt. De strafbaarstelling van artikel 429 sexies Sr is immers gegeven in het belang van de gerechtigde van het gebouw (de woning) die gedurende dat eerste jaar van de leegstand een extra bescherming geniet tegen wederrechtelijke ingebruikname (kraken) alsmede in het belang van de openbare orde. Dat betekent dat die materiële wederrechtelijkheid - dus nog afgezien van het openbare orde aspect, waarover in het debat van partijen niets naar voren is gekomen en dat daarom verder in het midden wordt gelaten - slechts dan pas zal kunnen ontbreken indien de gerechtigde onherroepelijk afstand van recht op het gebouw heeft gedaan (in welk geval het ook niet waarschijnlijk is dat door hem een vordering zoals vereist in artikel 429 sexies Sr gedaan zal worden). In elk ander geval heeft de gerechtigde belang bij het gedurende dat jaar vrijelijk kunnen bepalen wat hij met het gebouw zal doen zonder daarvoor een civielrechtelijke ontruimingstitel te moeten verwerven. Daaronder valt tevens te begrijpen het belang om op dat punt van mening of voornemen te veranderen, al was het maar om daarmee op feitelijke ontwikkelingen gepast te kunnen reageren.

4.5. In het onderhavige geval heeft de woningstichting geen afstand van recht gedaan, althans daaromtrent is niets gesteld of gebleken. De woningstichting heeft aldus een belang om gedurende het jaar te kunnen besluiten wat zij met de woning zal doen (meteen slopen, slopen op een in haar plannen in een of meer opzichten - bijvoorbeeld financieel, technisch, sociaal, organisatorisch en/of beheersmatig - passend moment), waaronder tevens valt het belang om op enig moment van mening te veranderen. Het feit dat één of meer van de leegstaande woningen zijn gekraak, kan een omstandigheid vormen om het voornemen om pas te slopen na een periode van langer dan een jaar te wijzigen en nog voor het eind van dat jaar te gaan slopen. Dat de woningstichting hierbij een duidelijk belang kan hebben ligt voor de hand en is bovendien nog eens gedemonstreerd door [eiser] zelf die immers ter zitting heeft aangegeven niet voornemens te zijn de gekraakte woning vrijwillig te verlaten op het moment dat met de sloop ook na het gestelde jaar leegstand daadwerkelijk zal worden aangevangen.

4.6. Voor alle duidelijkheid merkt de rechter op dat het thans niet van belang is wanneer die sloop daadwerkelijk zal plaatsvinden en evenmin of de woningstichting daadwerkelijk heeft aangekondigd binnen een jaar na gebruiksbeëindiging geen sloop te zullen uitvoeren en voornemens is dat nu toch te zullen doen. Het bestaan van de louter theoretische mogelijkheid is reeds voldoende om het betoog van [eiser] (ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid om dat er geen belang kan zijn) te ontkrachten.

4.7. Het bovenstaande betekent dat de eerste grondslag feitelijk onjuist is, zodat de vordering reeds hierom niet kan worden toegewezen.

4.8. Met betrekking tot de tweede grondslag (die uitsluitend betrekking heeft op de vordering onder 2) merkt de rechter op dat de bevoegdheid om te ontruimen als zodanig niet met die woorden in de wet aan de OvJ is verleend. Dat neemt niet weg dat de OvJ een ontruiming feitelijk wel kan bewerkstelligen door gebruik te maken van bevoegdheden die hem door de wet gegeven zijn, zoals bijvoorbeeld het aanhouden van verdachten en het in beslag nemen van zaken waarvan de verdenking bestaat dat daarmee een strafbaar feit is begaan. Aan meergenoemd artikel 2 van de Politiewet ontleent de politie en het over haar gestelde bevoegd gezag de bevoegdheid maatregelen te treffen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. Het nemen van maatregelen ter daadwerkelijke beëindiging van strafbare feiten is daaronder volgens de parlementaire geschiedenis uitdrukkelijk te begrijpen.

4.9. Het aangekondigde ingrijpen in de woonsituatie van [eiser] zal de OvJ dus kunnen uitvoeren met een aantal in onderling verband staande acties. Waaruit die acties precies zullen bestaan heeft [eiser] niet aangegeven en dit is evenmin uit anderen hoofde bekend. Dat betekent dat niet reeds nu al aangenomen kan worden dat (een of meer van) die acties, die uiteindelijk kunnen leiden tot de feitelijke situatie van ontruimd zijn van de betrokken woning, als onbevoegd ondernomen zullen moeten worden beschouwd. Evenmin kan gezegd worden dat de vrees daarvoor gerechtvaardigd is. Ook deze grondslag kan derhalve niet tot toewijzing van de vordering leiden.

4.10. Het vorenoverwogene leidt dan ook tot de conclusie dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen en dat hij als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van dit geding moet worden veroordeeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding aan de zijde van de wederpartij tot op heden begroot op € 896,00, waarvan € 703,00 salaris procureur en € 193,00 verschotten;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.M. Strijbos, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 maart 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.