Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2003:AF5697

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-02-2003
Datum publicatie
13-08-2003
Zaaknummer
AWB 02/1366, AWB 02/1367
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

eisers hebben verweerder verzocht om aan hen vergunning te verlenen voor het verplaatsen van hun woonboten “[boot 1]” en “[boot 2]” naar een andere ligplaats en het maken van werken ten behoeve van de inrichting van de beoogde ligplaatsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ’S-HERTOGENBOSCH

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

AWB 02/1366

AWB 02/1367

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

de heer [eiser 1] en mevrouw [eiser 2], beiden wonende te [woonplaats], eisers,

gemachtigde mr. J.E. Lenglet

en

de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Bij brief van 18 juni 1999 hebben eisers verweerder verzocht om aan hen vergunning te verlenen voor het verplaatsen van hun woonboten “[boot 1]” en “[boot 2]” naar een andere ligplaats en het maken van werken ten behoeve van de inrichting van de beoogde ligplaatsen.

Bij brief van 15 september 1999 en 5 mei 2000 hebben eisers hun aanvraag aange-vuld met nadere gegevens.

Bij besluiten van 7 augustus 2001 heeft verweerder in afwijzende zin beslist op ei-sers’ verzoek.

Tegen deze besluiten hebben eisers bij brief van 20 september 2001 bezwaar ge-maakt bij verweerder.

Op 26 november 2001 heeft naar aanleiding van het bezwaar van eisers een hoor-zitting plaatsgevonden ten overstaan van de (ambtelijke) hoorcommissie van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, Directie Limburg (hierna: de hoorcommissie), waarvan verslag is opgemaakt.

Bij besluiten van 9 april 2002, verzonden op 18 april 2002, heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en het besluit van 7 augustus 2001 ge-handhaafd, zulks conform het advies van de hoorcommissie van 5 april 2002.

Tegen deze besluiten is namens eisers bij brief van 27 mei 2002, ontvangen ter griffie van de rechtbank op 28 mei 2002, beroep ingesteld bij deze rechtbank. De gronden van beroep zijn bij brief van 2 juli 2002 ingediend.

Bij brief van 3 juli 2002 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken en bij brief van 19 augustus 2002 een verweerschrift ingezonden.

De beroepen met nummers AWB 02/1366 en AWB 02/1367 zijn vervolgens op 14 januari 2003 gevoegd behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank, waar eiser [eiser 1] is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eiseres [eiser 2] heeft zich laten vertegenwoordi-gen door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Hodselmans, drs. A. van Ankum, Y.G.M. Borgers en P.L.M. Beenen, allen werkzaam in dienst van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

In dit geding is de vraag aan de orde of de besluiten van 9 april 2002 in rechte stand kunnen houden.

De rechtbank gaat uit van de volgende relevante feiten en omstandigheden.

De beoogde ligplaatsen zijn geprojecteerd in het Burgemeester Delenkanaal in het rivierbed aan de linkeroever van de Maas nabij kilometer 193 in de gemeente Oss. Thans huren eisers van de gemeente Oss een ligplaats buitendijks voor de sluis van Macharen in bovengenoemd kanaal op circa 500 meter afstand van de beoogde lig-plaatsen.

In eisers’ aanvraag van 18 juni 1999 is te lezen dat de inrichting van de ligplaatsen in grote lijnen zal bestaan uit onder meer de volgende werkzaamheden:

· het gedeeltelijk verlagen van het bestaande puindepot ter plaatse;

· het graven van een tweetal verbredingen aan het kanaal;

· het aanbrengen van oevervoorzieningen in de vorm van een damwand of glooiingsmatten;

· het plaatsen van meerpalen;

· het aanleggen van nutsvoorzieningen, inclusief riolering.

Bij het bezwaarschrift van 20 september 2001 hebben eisers hun aanvraag aange-past. Deze aanpassing hield onder meer het afgraven van het hele voorland tot één doorgaand niveau van NAP + 7 meter in.

Het wettelijk kader is als volgt.

Op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wet beheer rijkswater-staatswerken (hierna: de Wbr) is het verboden zonder vergunning van de minister van Verkeer en Waterstaat gebruik te maken van een Waterstaatswerk door anders dan waartoe het is bestemd:

a. daarin, daarop, daaronder of daarover werken te maken of te behouden;

b. daarin, daaronder of daarop vaste stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wbr, voor zover hier van belang, kan weige-ring van een vergunning slechts geschieden ter bescherming van waterstaatswerken en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die werken, met inbegrip van het belang van verruiming of wijziging anderszins van die werken.

Als toetsingskader om te beoordelen of activiteiten dan wel ingrepen plaats kunnen vinden in het winterbed en zo ja, onder welke voorwaarden, hanteert verweerder de beleidslijn “Ruimte voor de Rivier” (hierna: de beleidslijn), in werking getreden op 19 april 1996 (Staatscourant 1996, 77) en gewijzigd op 12 mei 1997 (Staatscourant 1997, 87). De beleidslijn geldt voor de rivieren de Rijn en de Maas en grote zijrivie-ren en heeft als doelstelling: meer ruimte voor de rivier, de duurzame bescherming van mens en dier tegen overstroming bij hoogwater en het beperken van materiële schade.

Als hoofdlijn geldt dat in het winterbed van de grote rivieren ingrepen worden ge-toetst, die zouden kunnen leiden tot:

- waterstandverhoging in de huidige situatie, en/of

- feitelijke belemmering voor toekomstige vergroting van de afvoercapaciteit, en/of

- potentiële schade bij hoogwater.

Voor nieuwe ingrepen - waaronder wordt begrepen de wijziging van bestaande activiteiten - die wel tot bovengenoemde effecten zouden kunnen leiden, wordt een onderscheid gemaakt in activiteiten die op voorhand onlosmakelijk gebonden zijn aan het winterbed van de rivier, de zogenaamde “ja-mits”-categorie en overige acti-viteiten, de “nee-tenzij”-categorie.

Voor de overige nieuwe activiteiten, de “nee-tenzij”-categorie, geldt dat deze ingre-pen in principe niet worden toegestaan, tenzij op basis van voorafgaand onderzoek kan worden aangetoond dat:

- sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang, én

- de activiteit niet redelijkerwijs buiten het winterbed gerealiseerd kan wor-den, én

- de activiteit op de locatie geen feitelijke belemmering vormt om in de toe-komst de afvoercapaciteit te vergroten.

Nieuwe ingrepen die na deze afweging resteren, worden alleen toegestaan, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

- de situering en uitvoering van de ingreep zijn zodanig, dat de waterstand-verhoging en de belemmering voor de toekomstige verlaging, zo gering mo-gelijk zijn, én

- duurzame compensatie van resterende waterstandverhogende effecten, én

- een beschermingsniveau van 1:1250 voor potentiële schadegevallen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat voor de door eisers beoogde ingreep, bestaande uit het verplaatsen van hun woonboten naar een andere ligplaats en het maken van werken ten behoeve van de inrichting van de nieuwe ligplaatsen, een vergunning als be-doeld in artikel 2, eerste lid, van de Wbr vereist is, hetgeen overigens ook niet in geschil is tussen partijen.

De rechtbank acht het in de beleidslijn neergelegde beleid ten aanzien van ingrepen in het winterbed als de onderhavige niet kennelijk onredelijk.

De rechtbank overweegt voorts dat verweerder blijkens de bestreden besluiten van 9 april 2002 en het verhandelde ter zitting bij de beoordeling van eisers’ aanvraag en-kel is nagegaan wat de mogelijke effecten zouden kunnen zijn van het verplaatsen van de woonboten van een stromingsluwe hoek naar een locatie in de stroming. Op basis van deze beoordeling is verweerder tot de conclusie gekomen dat de door ei-sers beoogde verplaatsing van de woonboten vanuit hydraulisch oogpunt een ver-slechtering inhoudt ten opzichte van de huidige situatie, die zou kunnen leiden tot waterstandverhoging in de huidige situatie, feitelijke belemmering voor toekom-stige vergroting van de afvoercapaciteit en/of potentiële schade bij hoogwater en dat het “nee-tenzij”-criterium van de beleidslijn van toepassing is. Verweerder heeft echter niet onderzocht wat de mogelijke effecten zouden kunnen zijn van de ten behoeve van de inrichting van de ligplaatsen te realiseren werken, die tevens onderdeel uitmaken van de door eisers beoogde ingreep.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder door in de beoordeling van eisers’ aanvraag enkel het verplaatsen van hun woonboten naar een andere ligplaats te betrekken en het maken van de voorgestelde werken ten behoeve van de inrichting van de beoogde ligplaatsen buiten beschouwing te laten, gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

Het hiervoor overwogene brengt de rechtbank tot het oordeel dat de bestreden be-sluiten niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand zijn gekomen en niet kunnen worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, zodat deze besluiten wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb niet in stand kunnen blijven.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de onderhavige beroepen voor gegrond moet worden gehouden.

Hetgeen overigens door eisers is aangevoerd, behoeft thans geen bespreking.

Verweerder zal opnieuw een besluit moeten nemen op het door eisers gemaakte be-zwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eisers ge-maakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proces-kosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op € 644,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand:

· 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

· 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

· waarde per punt € 322,--

· wegingsfactor 1.

Van overige kosten is de rechtbank niet gebleken.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat de Staat der Nederlanden aan eisers het door hen gestorte griffierecht dient te vergoeden.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de beroepen (AWB 02/1366 en AWB 02/1367) gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 9 april 2002;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten, begroot op € 644,--;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze proceskosten dient te vergoeden;

- gelast de Staat der Nederlanden aan eisers het door hen gestorte griffie-recht te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. H. Benek als voorzitter en mrs. P.H.C.M. Schoemaker en N.M. Spelt als leden van de meervoudige kamer in tegenwoordigheid van mr. drs. J.J.M. Goosen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2003.

De griffier is buiten staat

de uitspraak te ondertekenen.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschrift verzonden: