Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2003:AF4924

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-02-2003
Datum publicatie
25-02-2003
Zaaknummer
89497 / KG ZA 02-877
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2003, 73

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

VONNIS IN KORT GEDING

Zaaknummer : 89497 / KG ZA 02-877

Datum uitspraak: 20 februari 2003

Vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres bij exploot van dagvaarding van 3 januari 2003,

mr. P.J.A. van de Laar,

tegen:

de stichting STICHTING WOONPARTNERS,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde bij gemeld exploot,

procureur mr. C.P. Liesker,

en

1. [dochter a],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres], in haar hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigster van haar minderjarige dochter [dochter b],

wonende te [woonplaats],

tussenkomende partijen,

procureur mr. J.P.M. Mol,

tegen:

de stichting STICHTING WOONPARTNERS,

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde bij gemeld exploot,

procureur mr. C.P. Liesker.

Partijen zullen hierna "[eiseres]", "Woonpartners", "[dochter a]" en "[dochter b]" worden genoemd.

1. De procedure

1.1. [Eiseres] heeft in kort geding gesteld en gevorderd zoals hierna verkort is weergegeven.

1.2. De procureur van [eiseres] heeft de vordering ter terechtzitting van 31 januari 2003 toegelicht, mede aan de hand van de door hem overgelegde producties.

1.3.Woonpartners is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. I.V.H. Hoppenbrouwers, advocaat en kantoorgenote van de procureur van Woonpartners, die verweer heeft gevoerd, mede aan de hand van de door haar overgelegde producties.

1.4. In het kader van het daarna gevoerde debat zijn [eiseres] en Woonpartners overeengekomen om - met het oog op de kinderen van [eiseres] - alsnog te trachten in minnelijk overleg tot overeenstemming te komen. De president heeft de behandeling van de zaak daarop aangehouden tot 7 februari 2003.

1.5. Op 7 februari 2003 is de behandeling van de zaak voortgezet. [Dochter a] en [eiseres] q.q. voor [dochter b] hebben incidenteel gevorderd te mogen tussenkomen. Zij zijn, nadat was gebleken van hun belang in dit kort geding op te treden en nadat [eiseres] en Woonpartners te kennen hadden gegeven daartegen geen bezwaar te hebben, toegelaten als tussenkomende partij.

1.6. [Dochter a] en [dochter b] hebben in kort geding gesteld en gevorderd zoals hierna verkort is weergegeven.

1.7. De procureur van [dochter a] en [dochter b] heeft de vordering ter terechtzitting toegelicht, mede aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities.

1.8. Woonpartners is ter terechtzitting wederom vertegenwoordigd door mr. I.V.H. Hoppenbrouwers, die verweer heeft gevoerd, mede aan de hand van de door haar overgelegde pleitnotities met producties.

1.9. Na gevoerd debat hebben partijen vonnis gevraagd.

2. Het geschil

2.1. [Eiseres] vordert in dit kort geding, kort weergegeven, Woonpartners te verbieden over te gaan tot tenuitvoerlegging van het tussen [eiseres] en Woonpartners gewezen vonnis d.d. 13 november 2002 van de rechtbank 's-Hertogenbosch, sector kanton, locatie [woonplaats], waarbij [eiseres] is veroordeeld om de onroerende zaak aan de [adres] te [woonplaats] te ontruimen, voordat het gerechtshof 's-Hertogenbosch op een in te stellen hoger beroep zal hebben beslist.

2.2. [Eiseres] baseert haar vordering op het volgende. De kantonrechter heeft de tussen [eiseres] en Woonpartners bestaande huurovereenkomst bij vonnis van 13 november 2002 ontbonden en ontruiming door [eiseres] van haar woning bevolen in verband met de aanwezigheid aldaar van 96 hennepplanten. Een en ander levert naar het oordeel van de kantonrechter een dusdanig ernstig tekortschieten door [eiseres] in de naleving van de bepalingen in de huurovereenkomst op dat een ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd is. [Eiseres] is het niet eens met het oordeel van de kantonrechter en zij is voornemens hoger beroep in te stellen tegen het vonnis. [Eiseres] meent dat er sprake is van een kennelijke misslag in het vonnis van de kantonrechter. [Eiseres] meent dat, alhoewel zij erkent dat er sprake is van een toerekenbaar tekortschieten harerzijds, deze tekortkoming niet zo ernstig is dat een ontbinding en ontruiming daardoor gerechtvaardigd zijn. Volgens [eiseres] heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat er sprake is van een bedrijfsmatige hennepkwekerij, [eiseres] had immers slechts 96 planten. Bovendien heeft de kantonrechter ten onrechte niet mede in aanmerking genomen dat de verkoop en het gebruik van softdrugs maatschappelijk aanvaard zijn, er is sprake van een gedoogbeleid. Voorts stelt [eiseres] dat zij een zwaarwegend belang heeft bij het behoud van haar woning, welk belang dient te prevaleren boven het belang van Woonpartners bij de ontbinding en de ontruiming. [Eiseres] heeft een bijstandsuitkering en zij heeft twee dochters van respectievelijk dertien en achttien jaar oud. [Eiseres] woont reeds vijftien jaar zonder problemen in de woning woont en zij heeft de huur altijd tijdig voldaan. [Eiseres] heeft zich altijd als een goed huurster gedragen en zij heeft spijt van haar misstap begin 2002, waarvoor zij inmiddels al een werkstraf van 80 uur heeft ondergaan. Nu [eiseres] en haar kinderen thans niet over alternatieve woonruimte beschikken hebben zij een spoedeisend belang bij het vorderen van de opschorting der executie totdat in hoger beroep over de zaak zal zijn beslist.

2.3. [Dochter a] en [dochter b] vorderen in dit kort geding, kort weergegeven, om Woonpartners op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag:

primair: te veroordelen om een huurovereenkomst met de kinderen te sluiten betreffende de woning te [woonplaats] aan de [adres] en wel met onmiddellijke ingang en tegen dezelfde voorwaarden als vermeld in de huurovereenkomst tussen Woonpartners en [eiseres];

subsidiair: te verbieden om het tussen [eiseres] en Woonpartners gewezen vonnis d.d. 13

november 2002 van de rechtbank 's-Hertogenbosch, sector kanton, locatie [woonplaats],

ten uitvoer te leggen voordat het gerechtshof 's-Hertogenbosch op een in te stellen

hoger beroep zal hebben beslist en tevens voordat de kantonrechter te [woonplaats] zal

hebben beslist op de vordering strekkende tot bepaling dat [dochter a] medehuurder zal

zijn van de woning te [woonplaats] aan de [adres];

meer subsidiair: te verbieden om het tussen [eiseres] en Woonpartners gewezen vonnis

d.d. 13 november 2002 van de rechtbank 's-Hertogenbosch, sector kanton, locatie

[woonplaats], ten uitvoer te leggen voordat Woonpartners bewerkstelligd zal hebben dat er

passende woonruimte beschikbaar zal zijn voor [dochter a], [dochter b] en hun moeder [eiseres],

althans voor [dochter a] en [dochter b].

2.4. [Dochter a] en [dochter b] leggen daaraan het navolgende ten grondslag. [Dochter a] en [dochter b] komen in geval van een ontruiming in een noodtoestand te verkeren, aangezien een ontruiming meebrengt dat zij dakloos worden. Een dergelijke situatie zal zeer negatieve gevolgen hebben voor hun opleiding. Het belang van Woonpartners bij de ontruiming is onevenredig groot ten opzichte van de belangen van [dochter a] en [dochter b] bij het behoud van hun woning, zodat Woonpartners in redelijkheid niet tot uitoefening van de bevoegdheid tot ontruiming kan overgaan. Indien Woonpartners wel tot ontruiming overgaat maakt zij misbruik van haar executiebevoegdheid, althans handelt zij onrechtmatig jegens [dochter a] en [dochter b]. [Dochter a] en [dochter b] hebben geen schuld aan het handelen van hun moeder. [Dochter a] (achttien jaar) en [eiseres] hebben inmiddels een vordering bij de kantonrechter te [woonplaats] aanhangig gemaakt strekkende tot bepaling dat [dochter a] medehuurder zal zijn van de woning aan de [adres] te [woonplaats], hetgeen mogelijk is nu het vonnis van de kantonrechter waarbij de huurovereenkomst tussen [eiseres] en Woonpartners is ontbonden, nog niet onherroepelijk is geworden. Ook door thans tot ontruiming over te gaan en niet bereid te zijn de beslissing van de kantonrechter af te wachten, maakt Woonpartners misbruik van haar executiebevoegdheid en handelt zij onrechtmatig jegens [dochter a] en [dochter b]. [Dochter a] en [dochter b] hebben derhalve een spoedeisend belang bij hun vorderingen.

2.5. Woonpartners heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen van [eiseres], [dochter a] en [dochter b] en zij verzet zich tegen toewijzing ervan.

2.6. Op hetgeen partijen overigens over en weer hebben aangevoerd, zal voor zoveel nodig bij de beoordeling worden ingegaan.

3. De beoordeling in de zaak van [eiseres] tegen Woonpartners

3.1. De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 13 november 2002 uitvoerig gemotiveerd waarom hij de tekortkoming van [eiseres], bestaande in het geëxploiteerd hebben van een hennepkwekerij, voldoende ernstig achtte om ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen, om geen termijn als bedoeld in artikel 7A:1623n lid 2 BW toe te staan en om zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Die oordelen zijn niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Dat eventueel de rechter in hoger beroep op deze punten ook tot een ander oordeel of een andere afweging van de betrokken belangen kan komen, is geen maatstaf voor staking van de tenuitvoerlegging van dat vonnis.

3.2. De stellingen bij dagvaarding van [eiseres] dat er in redelijkheid onvoldoende gronden waren om de beslissingen tot ontbinding en ontruiming te dragen en dat zij voor haarzelf en haar kinderen geen andere woonlocatie heeft, kunnen niet leiden tot het oordeel dat het vonnis berust op een klaarblijkelijke feitelijke of juridische misslag of dat sprake is van nieuwe, na het vonnis aan het licht gekomen feiten die klaarblijkelijk aan de zijde van [eiseres] zelf een noodtoestand doen ontstaan. Naar deze maatstaf heeft [eiseres] geen feiten of omstandigheden gesteld die haar vorderingen kunnen dragen. Zij kan daarin niet worden ontvangen en die vorderingen zullen worden afgewezen met haar veroordeling in de kosten.

3.3. Voor zover [eiseres] in het geding voor de kantonrechter zelf het belang van haar kinderen, met name dat van de minderjarige [dochter b], naar voren heeft bedoeld te brengen en zij thans impliciet als een misslag van de kantonrechter aangemerkt wil zien dat deze dat belang niet tot een eerste overweging heeft gemaakt (waarover hierna meer), faalt dit betoog. Aangenomen kan worden dat zij in dat geding onvoldoende feiten naar voren heeft gebracht om aan de kantonrechter ruimte te bieden voor een dergelijke overweging zonder buiten de grenzen van het geschil te treden. Ook in dat opzicht is dan geen sprake van een misslag.

4. De beoordeling in de zaak van [dochter a] tegen Woonpartners

4.1. [Dochter a] is meerderjarig. Jegens Woonpartners heeft zij te gelden als een van "de haren" van [eiseres] waarover in het dictum van het vonnis van de kantonrechter wordt gesproken en die door dat vonnis getroffen worden.

4.2. Geen enkele bepaling van geldend recht geeft haar op dit moment een eigen rechtspositie jegens Woonpartners die afwijkt van die van [eiseres]. De rechter acht uitgesloten dat zij op haar daartoe strekkend verzoek, ingediend nadat de kantonrechter oordeelde dat huurovereenkomst tussen Woonpartners en [eiseres] door ontbinding is geëindigd en de ontruiming bij voorraad had bevolen, nog als medehuurder zal worden aangemerkt. Hoogstens valt een dergelijke beslissing te verwachten indien de uitgesproken ontbinding van die huurovereenkomst in hoger beroep zou worden vernietigd, maar de rechter acht die kans te gering om daarop in dit kort geding vooruit te lopen. Te haren aanzien geldt dan onverkort hetgeen hiervoor in hoofdstuk 3 van dit vonnis met betrekking tot de positie van [eiseres] werd overwogen. Op deze grond wordt ook de vordering van [dochter a] afgewezen, met haar veroordeling in de kosten.

5. De beoordeling in de zaak van [eiseres] q.q. ([dochter b]) tegen Woonpartners

5.1. Het op 20 november 1989 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van het kind (Trb. 1990/170; hierna: het Verdrag) is voor wat betreft de bepalingen die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden (art. 93 Grondwet) voor Nederland in werking getreden op 2 september 1990 en goedgekeurd bij Rijkswet van 24 november 1994, S 1994, 862 (hierna: de goedkeuringswet).

Artikel 3 van het Verdrag bepaalt, voor zover hier van belang, dat bij alle maatregelen betreffende kinderen genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties de belangen van het kind de eerste overweging vormen.

5.2. In de wetsgeschiedenis van de goedkeuringswet (MvT, Hfst. I, § 6A, blz. 8/9) ligt vast dat de aard, inhoud en strekking van sommige van zijn artikelen alsmede de formulering of bewoordingen daarvan met zich mee kunnen brengen dat die bepalingen rechtstreekse werking hebben. Aan het slot van die paragraaf 6A geeft de memorie van toelichting een kennelijk niet-limitatieve opsomming van voorbeelden waarbij dat zeker het geval is. In de artikelsgewijze toelichting op artikel 3 (MvT, blz. 14/15) wordt vervolgens opgemerkt dat het eerste lid van dat artikel een algemene richtlijn voor de uitleg en tenuitvoerlegging van het Verdrag bevat, die van verstrekkende betekenis is.

De rechter verbindt aan deze passages uit de memorie van toelichting de gevolgtrekking dat artikel 3 lid 1 van het Verdrag zich rechtstreeks richt tot de daarin genoemde instellingen en autoriteiten, en dat het kind zich jegens die instellingen en autoriteiten rechtstreeks daarop kan beroepen.

5.3. Met betrekking tot het in deze zaak bestaan van de elementen van artikel 3 lid 1 van het Verdrag die tot zijn toepasselijkheid leiden, wordt overwogen:

5.3.1. Het kunnen beschikken over een minimaal adequate woonvoorziening is voor een kind een primaire levensbehoefte. Kinderen behoren in beginsel niet te verblijven in vormen van crisisopvang zoals door organisaties als het Leger des Heils en dergelijke worden geboden en waarin zij worden blootgesteld aan het contact met drugsverslaafden, al dan niet psychisch gestoorde drop-outs en dergelijke. Evenmin behoren zij te zijn aangewezen op onderdak in campings of dergelijke, zeker niet in de winter.

Ter voorkoming van misverstand merkt de rechter op dat geen verdragsbepaling, wetsbepaling of andere bepaling van Nederlands recht aan kinderen een vorm van een fundamenteel recht op een woning toekent. Ook in deze uitspraak wordt zulks niet aangenomen. Slechts de opdracht van het Verdrag om de welzijnsbelangen van het kind, ook op het punt van zijn of haar woon- en leefsituatie, in de overwegingen te betrekken is aan de orde.

5.3.2. De vraag is gerezen of Woonpartners, naar zij ter zitting heeft betwist, een particuliere instelling voor maatschappelijk welzijn is. Naar het oordeel van de rechter is dat het geval.

De rechter overweegt daartoe dat Woonpartners ingevolge artikel 70 lid 1 van de Woningwet is toegelaten als instelling, uitsluitend in het belang van de volkshuisvesting. Ingevolge lid 5 van dat artikel is aan haar de taak opgedragen om bij voorrang huisvesting te verlenen aan, kort gezegd, de sociaal zwaksten in de samenleving. Daaronder vallen mede de kinderen van haar huurders, hetgeen reeds hieruit blijkt dat voor het begrip "passende woning" het aantal kinderen in een gezin een rol speelt. Bij deze wettelijke taakopdracht met betrekking tot de volkshuisvesting kan Woonpartners bezwaarlijk anders dan als een particuliere instelling voor maatschappelijk welzijn worden aangemerkt. In deze zaak richt artikel 3 lid 1 van het Verdrag richt zich daarom niet alleen tot de rechter, maar ook tot Woonpartners.

5.3.3. De vraag is voorts gerezen of het begrip "maatregelen betreffende kinderen" in artikel 3 lid 1 van het Verdrag alleen ziet op, kort gezegd, kinderbeschermingsmaatregelen ten aanzien van het kind of ook op andere maatregelen zijn of haar welzijn betreffende. In de memorie van toelichting op de Goedkeuringswet (MvT, Hfst. I, § 2; blz. 3) valt te lezen:

Het verdrag is bedoeld alomvattend te zijn. Het is daarom verheugend om te zien dat burgerlijke, politieke, economische, sociale en culturele rechten van kinderen in één verdrag zijn ondergebracht.

Daaruit volgt dat de verdragsterm "maatregelen met betrekking tot kinderen" in deze als algemene richtlijn voor de uitleg en tenuitvoerlegging aangemerkte bepaling (MvT, blz. 14) ruim moet worden opgevat en niet beperkt is tot maatregelen betreffende ouderlijk gezag, uithuisplaatsing en dergelijke maar ook ziet op andere beslissingen die het welzijn van het kind wezenlijk treffen.

5.4. Ter zitting is naar voren gekomen dat aan het instellen door Woonpartners van vorderingen tot ontbinding en ontruiming tegen huurders die er hennepplantages op nahielden, beleid ten grondslag ligt en dat bij de ontwikkeling van dat beleid is onderkend dat kinderen mede getroffen zouden kunnen worden door de gevolgen van dit beleid wegens het gedrag van hun ouders. Bij de ontwikkeling van dat beleid is, zo bleek verder, geen bijzondere aandacht geschonken aan de belangen van eventuele kinderen die als gevolg van dat beleid mede ontruimd zouden gaan worden.

5.4.1. Naar het oordeel van de rechter heeft Woonpartners door de belangen van aanwezige kinderen niet in haar overwegingen te betrekken en zich uitsluitend op ontruiming te richten, de ook tot haar gerichte opdracht van artikel 3 lid 1 van het Verdrag veronachtzaamd.

5.4.2. In de rede had gelegen dat Woonpartners, bijvoorbeeld reeds in het kader van de ontwikkeling van dit beleid en anders bij de concrete uitvoering ervan in deze zaak, met het Bureau Jeugdzorg of de Raad voor de Kinderbescherming zou hebben overlegd of uitzetting zonder dat een passend alternatief voorhanden was, een voor kinderen bedreigende verzorgings- of opvoedingssituatie zou opleveren teneinde, bij bevestigende beantwoording van die vraag, tot passende oplossingen daarvoor te komen. De beoordeling of die situatie bedreigend is en het zoeken naar oplossingen behoren tot de taak van de Raad (zie: "Normen 2000", Beleidsregels m.b.t. de werkwijze van de Raad voor de Kinderbescherming, § 8.1.a.). Alsdan waren deze instanties er op voorbereid om zonodig onmiddellijk een redelijke opvang voor kinderen die anders geen kant op konden, beschikbaar te hebben, al dan niet gecombineerd met een kinderbeschermingsmaatregel (ondertoezichtstelling en/of uithuisplaatsing).

Terzijde zij in dit verband opgemerkt dat beleidsmatig voorzien en aan huurders aangekondigd mogelijk ingrijpen door de Raad wegens de veelal bij ouders voorkomende wens om ingrijpen door de Raad te voorkomen, het actief zoeken door hen naar adequate vervangende huisvesting sterk zou kunnen bevorderen.

5.4.3. Hoe dan ook is het ongewenst dat instellingen van jeugdzorg worden overvallen met een opvangvraag voor kinderen in de positie van [dochter b]. In deze zaak staat niet vast dat Woonpartners zich er van verzekerd heeft dat, mocht ingrijpen door instellingen voor jeugdzorg noodzakelijk zijn, dezen voldoende tijd ter beschikking stond om de benodigde maatregelen te (doen) treffen ter bescherming van de belangen van [dochter b]. (Vgl. Pres. Assen, 20 okt. 1997, NA 1998, 49).

5.5. De rechter verwerpt het verweer dat de kantonrechter ook al over het belang van [dochter b] heeft geoordeeld. [Dochter b] (dat is: haar wettelijk vertegenwoordigster als zodanig) was geen partij in dat geding en reeds daarom kan niet worden aangenomen dat haar belangen adequaat naar voren zijn gebracht. Ook was zij niet gehouden om reeds in dat geding te interveniëren. De kantonrechter kon en moest zich in beginsel beperken tot het geschil in de omvang zoals dat aan hem was voorgelegd en waarbij [eiseres] zelf naar moet worden aangenomen, de belangen van haar minderjarige slechts zeer terzijde naar voren bracht, zoals hiervoor in rechtsoverweging 3.3 al werd aangegeven.

5.6. Vooropgesteld moet worden dat er ook met het oog op de belangen van [dochter b] in beginsel geen enkele reden is om af te doen aan het vonnis van de kantonrechter voor zover daarin de huurovereenkomst werd ontbonden en het gehuurde zou moeten worden ontruimd. Niet onaanvaardbaar is dat als consequentie daarvan het hele gezin, [dochter b] incluis, naar andere woonruimte zal hebben om te zien. Het enkele feit van een verhuizing naar een andere passende woning leidt in het algemeen niet tot een voor kinderen bedreigende verzorgings- en opvoedingssituatie. Waar het in dit geding aldus slechts om gaat, is de wijze en termijn waarop met het oog op de belangen van [dochter b] de op zich onvermijdelijke ontruiming behoort plaats te vinden. Dienaangaande wordt overwogen:

5.6.1. Blijkens het vonnis van de kantonrechter heeft Woonpartners als haar primair en door de kantonrechter gehonoreerd belang naar voren gebracht dat zij als verhuurster voortaan gevrijwaard wil blijven van de kans dat [eiseres] in de toekomst wederom geen weerstand kan bieden aan een voor haar financieel aantrekkelijk aanbod om andermaal in het gehuurde hennepplanten te kweken, met alle in het vonnis verwoorde risico's van dien voor de woning als zodanig en van gevaar en overlast voor de omwonenden. Herhaald zij dat ook de voorzieningenrechter de honorering van deze belangen niet als een kennelijke misslag aanmerkt.

Wel acht de voorzieningenrechter de kans dat [eiseres] zich op de zeer korte termijn wederom aan dergelijk gedrag schuldig zal maken, gering. In zoverre is er een wezenlijk verschil met bijvoorbeeld wanbetaling als gevolg waarvan huurachterstanden blijven oplopen en wangedrag en overlast als gevolg van asociaal of anderszins psychisch gestoord gedrag, zijnde tekortkomingen van de huurder die onmiddellijk ingrijpen vergen om daaraan een einde te maken. Vast staat dat van andere vormen van wangedrag in de langdurige huurovereenkomst nimmer sprake is geweest. Dat is dan weliswaar geen verdienste, maar wel de afwezigheid van een dringend en onmiddellijk belang bij ontruiming op de allerkortste termijn.

5.6.2. Een tweede belang van Woonpartners dat zij in dit geding naar voren heeft gebracht, is dat zij aan al haar huurders duidelijk wil maken dat zij het kweken van hennep op geen enkele manier wil tolereren en dat zij daaraan beleidsmatig de consequentie van ontbinding en ontruiming wil verbinden.

Ook dat belang rechtvaardigt ontruiming op korte termijn, zonder dat echter gezegd kan worden dat dat preventief effect verloren gaat als de ontruiming enige tijd wordt uitgesteld totdat voor de minderjarige [dochter b] een behoorlijke opvang beschikbaar is.

5.6.3. Tenslotte is van belang dat Woonpartners ter zitting naar voren heeft gebracht dat beleidsmatig tussen de [woonplaats] woningstichtingen is afgesproken dat de andere woningstichtingen in [woonplaats] [eiseres] (en andere henneptelers in haar positie) niet zullen boycotten maar bereid zijn haar en haar familie als urgent woningzoekende in te schrijven. Naar verwachting van Woonpartners zou dan op termijn van ten hoogste omstreeks zes maanden voor hen weer een passende woning beschikbaar kunnen komen. Dat maakt het probleem eindig en roept de vraag op of bij afweging van alle betrokken particuliere en maatschappelijke belangen het voor een dergelijk korte termijn verwijzen van gezinnen als dat van [dochter b] naar crisisopvang zinvol en wenselijk is. Immers, als de andere [woonplaats] woningstichtingen inderdaad aan de moeder van [dochter b] op korte termijn als urgent woningzoekende een woning aanbieden (wat niet onoverkomelijk lijkt gezien zij daarbij ook een woning vrijmaakt), zulks het preventieve ontruimingsbeleid zichtbaar doet blijven, zonder dat [dochter b] in tussenfase van enkele maanden naar crisisopvang wordt verwezen. De rechter gaat er daarbij zonder meer van uit dat dat laatste niet als verkapte strafmaatregel in de bedoeling lag, en uitsluitend als onvermijdelijke consequentie van haar beleid door Woonpartners werd aanvaard.

5.7. Waar aldus de voormelde belangen van Woonpartners door het nemen van een termijn voor overleg niet onevenredig geschaad lijken te kunnen worden, is niet het in de eerste plaats de taak van de voorzieningenrechter om in kort geding de afweging te maken tussen enerzijds de gerechtvaardigde belangen van Woonpartners en anderzijds het particuliere welzijnsbelang van kinderen in de positie van [dochter b], of tussen het maatschappelijke belang van een veilige en niet-crimineel gedomineerde volkshuisvesting en het maatschappelijk belang van een optimale opvoedings- en scholingssituatie van kinderen in een sociaal zwakke omgeving. Die belangenafwegingen zijn in de eerste plaats aan de instanties die de wetgever heeft belast met enerzijds de zorg voor de volkshuisvesting (hier: Woonpartners o.g.v. art. 70 lid 5 Woningwet) en anderzijds met de zorg voor kinderen in bedreigende verzorgings- en opvoedingssituaties, met name in geval van acute en ernstige crisissituaties als die welke in deze zaak bij ontruiming dreigt (hier: de Raad voor de Kinderbescherming). Van instellingen die door de centrale overheid met dergelijke zorg zijn belast, mag verwacht worden dat zij ingeval van tegenstrijdige belangen een open oog hebben voor de belangen die hun gesprekspartner behoort te dienen en daarbij in goed overleg redelijke oplossingen weten te bereiken die aan alle betrokken belangen recht doen. Voor de rechter is daarbij pas in laatste instantie een taak weggelegd, te weten of de aldus tot stand gekomen beleidsregels en beslissingen de toets aan wet en recht kunnen doorstaan.

5.8. Het verweer van Woonpartners van de strekking dat het mede in de overwegingen betrekken van het welzijn van een minderjarig kind een vrijbrief voor huurders met kinderen zou kunnen opleveren om zich van de beginselen van goed huurderschap niets aan te hoeven trekken, faalt. Alle rechtsgevolgen van tekortkomingen in goed huurderschap zoals tot uitdrukking gekomen in het vonnis van de kantonrechter, kunnen bij een belangenafweging als boven in stand blijven, behoudens dat bij de nadere vaststelling van het ontruimingstijdstip zoals in dit geding, wel overeenkomstig het Verdrag rekening wordt gehouden met de belangen van het minderjarig kind [dochter b], doch slechts voor zover de gerechtvaardigde belangen van een verhuurder die tevens welzijnsinstelling is, daarbij niet of niet onevenredig worden geschaad. Daarmee is recht gedaan aan de strekking van deze verdragsbepaling die is dat het belang van het kind geen absolute voorrang heeft boven andere belangen, maar wel een eerste overweging is (MvT, blz. 15).

5.9. De slotsom is dat Woonpartners jegens [dochter b] onrechtmatig handelt, wanneer zij, zoals zij tot dusverre voornemens was, met voorbijgaan aan artikel 3 lid 1 van het Verdrag, het vonnis van de kantonrechter ten uitvoer zou leggen. Die onrechtmatigheid valt weg wanneer zij dat pas doet nadat in overleg met instellingen voor jeugdzorg beleidsmatig is vastgesteld hoe de betrokken maatschappelijke belangen moeten worden afgewogen en aan dezen voldoende tijd ter beschikking heeft gestaan om de benodigde maatregelen te (doen) treffen ter bescherming van de belangen van [dochter b], dan wel wanneer anderszins een concreet alternatief voor [dochter b] beschikbaar komt.

5.10. Het voorgaande leidt er toe dat de primaire en minder subsidiaire vorderingen van [eiseres] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van [dochter b] moeten worden afgewezen. en dat haar meest subsidiaire vordering kan worden toegewezen als na te melden. Wil deze praktisch het beoogde effect sorteren dan dient, mede met het oog op het recht van [dochter b] op een gezinsleven zoals neergelegd in artikel 8 EVRM, het verbod zich mede tot haar verzorgende moeder uit te strekken. Dat gezinsleven eindigt echter, althans: daarop wordt een gerechtvaardige inbreuk gemaakt, wanneer de Raad voor de Kinderbescherming opvang voor [dochter b] beschikbaar heeft dan wel huisvesting voor het hele gezin elders beschikbaar is, zoals ook in het dictum tot uitdrukking komt. Hangende de tijd waarvoor het verbod geldt staat het [dochter b] en haar verzorgende moeder in beginsel vrij om ook [dochter a] in het gezin opgenomen te houden.

Bij dit alles wordt de vordering slechts zozeer ten dele toegewezen dat de rechter grond vindt om de kosten te compenseren.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter:

In de zaak van [eiseres] tegen Woonpartners:

wijst de vorderingen van [eiseres] af;

veroordeelt [eiseres] in de kosten aan de zijde van Woonpartners gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op € 893,-- waarvan € 193,-- verschotten en € 700,-- salaris;

In de zaak van [dochter a] tegen Woonpartners:

wijst de vorderingen van [dochter a] af;

veroordeelt [dochter a] in de kosten aan de zijde van Woonpartners gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op € 350,-- salaris;

In de zaak van [eiseres] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van [dochter b] tegen Woonpartners:

verbiedt Woonpartners om het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, sector kanton, op 13 november 2002 tussen Woonpartners als eiseres en [eiseres] als gedaagde gewezen, ten uitvoer te leggen, totdat:

-ofwel naar aanleiding van het te voeren overleg de Raad voor de Kinderbescherming opvang en/of huisvesting voor [dochter b] beschikbaar heeft;

-ofwel een andere [woonplaats] woningstichting of -vereniging voor [eiseres] een andere passende woning beschikbaar heeft;

welk van beide gevallen zich ook het eerste voordoet,

bepaalt dat dit verbod alleen geldt zolang [eiseres] zelf zich in alle opzichten als een goed huurder blijft gedragen onder meer door stipt op tijd huur te betalen en geen gedrag in strijd met deze verplichting te vertonen;

veroordeelt Woonpartners om aan [eiseres] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van [dochter b] een dwangsom te betalen van € 500,00 per dag voor iedere dag dat zij in gebreke zal blijven om aan dat vonnis te voldoen, dat is: voor iedere dag dat zij ontruimt of doet ontruimen voordat één van de twee hiervoor bedoelde, met de woorden "ofwel" ingeleide gevallen zich voordoet;

verklaart dit vonnis voor zover in deze zaak van [eiseres] q.q. ([dochter b]) tegen Woonpartners tot zover gewezen uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in deze zaak aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.W. Rullmann, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 februari 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.