Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2003:AF3291

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-01-2003
Datum publicatie
10-03-2003
Zaaknummer
AWB 02/649 NABW
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2004:AR6073
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In casu levert toepassing art. 1 Regeling vrijstelling verplichtingen Abw geen ongeoorloofde leeftijdsdiscriminatie op.

Eisers zijn van 5 juli 2001 tot 29 september 2001 op vakantie gegaan naar Marokko. Verweerder heeft eisers bijstandsuitkering gedurende de periode 5 juli 2001 tot 29 september 2001 gewijzigd naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20%, aangezien mevrouw B slechts recht had op 4 weken vakantie met behoud van uitkering.

Rechtbank: Uit de gedingstukken is gebleken dat verweerder, na advies ingewonnen te hebben bij de GGD, bij besluit van 11 januari 2001 tot nader medisch onderzoek, is vrijgesteld van de verplichtingen, genoemd onder a en c van art. 113.1 Abw.

In geschil is de vraag of, gelet op de uitspraak van de CRvB van 3 september 2002, LJN AE7389, RSV 2002, 244, toepassing van art. 1 Regeling in strijd is met de artt. 1 GW en 26 IVBPR.

Naar het oordeel van de rechtbank is in casu geen sprake van ongeoorloofde leeftijdsdiscriminatie, aangezien B in de periode van 2 augustus 2001 tot en met 29 september 2001 slechts was vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen genoemd in art. 113.1 aanhef en onder a en c, Abw en dus niet in vergelijkbare omstandigheden verkeerde als degenen die vóór 1 mei 1999 de leeftijd van 57,5 jaar hebben bereikt en zijn vrijgesteld van alle arbeidsverplichtingen van art. 113.1 Abw. Voorts verkeerde zij naar het oordeel van de rechtbank evenmin in vergelijkbare omstandigheden als degenen die sinds 1 mei 1999 de leeftijd van 57,5 jaar hebben bereikt en die zijn vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen van art. 113.1 aanhef en onder a, e en f. Immers, B diende wèl te voldoen aan de verplichtingen van art. 113, eerste lid, aanhef en onder e en f. Daarmee golden voor haar meer en zwaardere arbeidsverplichtingen dan voor deze groep belanghebbenden van 57,5 jaar en ouder. In voornoemde uitspraak van de Raad vindt de rechtbank overigens geen ondersteuning voor het standpunt van eisers dat het enkele feit dat B was vrijgesteld van de sollicitatieplicht, zoals bedoeld in art. 113.1 aanhef en onder a, Abw, maakt dat zij in dezelfde omstandigheden verkeerde als degenen van 57,5 jaar en ouder.

Uitspraak bevestigd door Centrale Raad van Beroep; LJN AR6073

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2003, 70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

AWB 02/649 NABW

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

A en B, wonende te C, eisers,

gemachtigde mr. P.J.M. van Kuppenveld,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ‘s-Hertogenbosch, verweerder, gemachtigde C.N. de Groot.

I. PROCESVERLOOP

A, geboren op […] 1938, en B, geboren op […] 1952, (hierna: eisers) ontvangen sinds 8 september 1992 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden.

Eisers zijn van 5 juli 2001 tot 29 september 2001 op vakantie gegaan naar Marokko. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 10 oktober 2001 hun bijstandsuitkering over de periode van 2 augustus 2001 tot 29 september 2001 gewijzigd naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20%, aangezien B volgens verweerder slechts recht had op “vier weken verblijf in het buitenland met behoud van uitkering” en zij dientengevolge in de genoemde periode geen recht meer had op bijstand.

Het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 29 januari 2002 ongegrond verklaard.

Tegen dit laatste besluit is namens eisers beroep ingesteld.

Het geding is op 17 december 2002 ter zitting behandeld, waar A in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is de gemachtigde van verweerder verschenen. Als tolk voor A is opgetreden dochter X.

II. OVERWEGINGEN

In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit van 29 januari 2002 in rechte stand kan houden.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Krachtens artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene bijstandswet (Abw) heeft geen recht op bijstand degene die in Nederland zijn woonplaats heeft doch die langer dan de gebruikelijke vakantieduur verblijf houdt buiten Nederland. Op grond van het derde lid van dat artikel kan onze Minister regels stellen omtrent hetgeen wordt verstaan onder de gebruikelijke vakantieduur genoemd in het eerste lid, onderdeel d. Deze regels zijn neergelegd in de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw, in werking getreden op 1 april 1998 (hierna: de Regeling). Ingevolge artikel 1 van de Regeling wordt onder bedoelde gebruikelijke vakantieduur verstaan:

a. voor de belanghebbende die 57,5 jaar of ouder is 13 weken per kalenderjaar, en

b. voor de overige belanghebbenden 4 weken per kalenderjaar.

Artikel 113, eerste lid, van de Abw luidde ten tijde hier van belang als volgt:

“De belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking is verplicht:

a. naar vermogen te trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen;

b. ervoor zorg te dragen dat hij als werkzoekende geregistreerd is bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en geregistreerd blijft, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 69 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996;

c. passende arbeid te aanvaarden;

d. na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert;

e. mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding en aan een scholing of opleiding, die noodzakelijk wordt geacht;

f. beschikbaar te zijn voor de voorzieningen van de Wet inschakeling werkzoekenden, mee te werken aan het verkrijgen van die voorzieningen, daarvan gebruik te maken en daartoe op een aangegeven tijd en plaats te verschijnen.”.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel kan Onze Minister regels stellen aangaande het toepassen dan wel niet toepassen van een of meer verplichtingen genoemd in het eerste lid ten aanzien van een of meer categorieën belanghebbenden. Deze regels zijn neergelegd in de Regeling vrijstelling verplichtingen Abw (hierna: Regeling vrijstelling). Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Regeling vrijstelling (tekst tot 1 mei 1999) waren belanghebbenden van 57,5 jaar en ouder van alle verplichtingen bedoeld in artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Abw vrijgesteld. Sinds 1 mei 1999 is artikel 1, eerste lid, van de Regeling vrijstelling in die zin gewijzigd dat belanghebbenden die op of na die datum de leeftijd van 57,5 jaar bereiken niet langer zijn vrijgesteld van de verplichtingen bedoeld in artikel 113, eerste lid, aanhef en onder b, c en d van de Abw.

Uit de gedingstukken is gebleken dat verweerder, nadat bij de GGD een medisch advies was ingewonnen, bij besluit van 11 januari 2001 aan B heeft medegedeeld dat zij voorlopig tot het volgende medische onderzoek is ontheven van de arbeidsverplichtingen zoals genoemd onder a en c van artikel 113, eerste lid, van de Abw.

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of, gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) van 3 september 2002, gepubliceerd in RSV 2002, nr. 244, toepassing van artikel 1 van de Regeling in onderhavig geval vanwege ongeoorloofde leeftijdsdiscriminatie in strijd is met het in artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten neergelegde gelijkheidsbeginsel.

Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Zoals de Raad in voornoemde uitspraak heeft overwogen, is de met de Regeling tot stand gekomen verruiming van de vakantieduur gericht op belanghebbenden van wie wederinpassing in het arbeidsproces volgens de besluitgever in het algemeen niet mocht worden verwacht en die om die reden geheel zijn vrijgesteld van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw. Voorts oordeelt de Raad dat er in de Abw andere groepen van belanghebbenden, jonger dan 57,5 jaar, zijn aan te wijzen die van de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling zijn ontheven of vrijgesteld en die, zolang zij van bedoelde verplichtingen zijn ontheven of vrijgesteld, in vergelijkbare omstandigheden verkeren als degenen die vóór 1 mei 1999 de leeftijd van 57,5 jaar hebben bereikt en niet aan de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw hoeven te voldoen. Tot slot heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat hij in de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 9 van de Abw en van de Regeling geen argumenten heeft aangetroffen ter rechtvaardiging van het onderscheid naar leeftijd tussen enerzijds bijstandsgerechtigden van 57,5 jaar en ouder en anderzijds jongere bijstandsgerechtigden ten aanzien van wie buiten twijfel is dat het voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw, niet, althans niet (meer) in de voor de beoordeling van een aanvraag om toestemming voor verblijf in het buitenland relevante periode, mag worden gevergd.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval geen sprake van ongeoorloofde leeftijdsdiscriminatie, aangezien B in de periode van 2 augustus 2001 tot en met 29 september 2001 slechts was vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen genoemd in artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Abw en dus niet in vergelijkbare omstandigheden verkeerde als degenen die vóór 1 mei 1999 de leeftijd van 57,5 jaar hebben bereikt en zijn vrijgesteld van alle arbeidsverplichtingen van artikel 113, eerste lid, van de Abw. Voorts verkeerde zij naar het oordeel van de rechtbank evenmin in vergelijkbare omstandigheden als degenen die sinds 1 mei 1999 de leeftijd van 57,5 jaar hebben bereikt en die zijn vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen van artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a, e en f. Immers, B diende wèl te voldoen aan de verplichtingen van artikel 113, eerste lid, aanhef en onder e en f. Daarmee golden voor haar meer en zwaardere arbeidsverplichtingen dan voor deze groep belanghebbenden van 57,5 jaar en ouder. In voornoemde uitspraak van de Raad vindt de rechtbank overigens geen ondersteuning voor het standpunt van eisers dat het enkele feit dat B was vrijgesteld van de sollicitatieplicht, zoals bedoeld in artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw, maakt dat zij in dezelfde omstandigheden verkeerde als degenen van 57,5 jaar en ouder.

De stelling van eisers dat het bestreden besluit in strijd met het vertrouwensbeginsel is genomen, omdat zij in voorgaande jaren ook langer dan vier weken met behoud van uitkering naar het buitenland mochten en zij in onderhavige zaak tijdig hadden aangegeven dat zij in de zomer van 2001 langer dan vier weken naar het buitenland zouden gaan en de sociale dienst pas na hun vertrek op deze informatie heeft gereageerd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Immers is komen vast te staan dat verweerder reeds bij een eerder primair besluit van 5 juli 2000 de bijstandsuitkering van eisers over een eerdere vakantieperiode op dezelfde gronden als bij het thans bestreden besluit heeft verlaagd. Eisers waren derhalve op de hoogte van het beleid dat verweerder dienaangaande voerde.

Gelet op het voorgaande dient het bestreden besluit in stand te worden gelaten. Het beroep van eiser zal derhalve ongegrond worden verklaard. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A.W. Govers als rechter in tegenwoordigheid van C.A.J. Beuger als griffier en uitgesproken in het openbaar op

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na

de datum van toezending hoger beroep instellen bij de

Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht

Afschrift verzonden: