Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2002:AF5557

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-09-2002
Datum publicatie
11-03-2003
Zaaknummer
61862 / HA ZA 01-284
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

VONNIS

Zaaknummer : 61826 / HA ZA 01-284

Datum uitspraak: 18 september 2002

Vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:

de ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/ONDERNEMINGEN MAASTRICHT,

kantoorhoudende te Maastricht,

eiser,

procureur mr. J.E. Lenglet,

tegen:

de naamloze vennootschap BAVARIA N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Lieshout,

gedaagde,

procureur mr. A.P.P.M. van Beurden.

Partijen zullen hierna "De Ontvanger" en "Bavaria" worden genoemd.

1. De procedure

Het verloop van het geding blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de dagvaarding;

- de conclusie van eis;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

Partijen hebben vonnis gevraagd.

2. Het geschil en de beoordeling ervan

De vaststaande feiten

2.1. Bij overeenkomst van geldlening d.d. 3 december 1993 heeft Beheersmaatschappij [Z] B.V. -verder [Z] BV- aan Bavaria tot wederopzegging een lening verstrekt van fl. 460.000,-.

2.2. Bij meerdere schuldbekentenissen d.d. 3 december 1993 hebben dhr [X] en

mw. [Y] verklaard in totaal fl. 1.336.808,95 aan Bavaria verschuldigd te zijn.

2.3. In de op dezelfde dag door [Z] BV, [X], [Y] en Bavaria gesloten "overeenkomst terzake terugbetalingen geldlening(en)" is ondermeer het volgende bepaald:

"3. Na opzegging van de overeenkomst van geldlening zal Bavaria aan haar verplichting tot terugbetaling van het in leen verstrekte bedrag kunnen voldoen door kwijtschelding van de vorderingen die Bavaria op dat moment nog op [X] in privé heeft zulks tot het beloop van de door haar inclusief rente aan Beheersmaatschappij [Z] BV verschuldigde bedragen. Na de (partiele) kwijtschelding door Bavaria van de schulden van [X] in privé zal Bavaria volledig ten opzichte van Beheersmaatschappij zijn gekweten."

"4. Uitzondering: Verplichting tot -gedeeltelijke- terugbetaling aan Beheersmaatschappij [Z] B.V. Indien en voorzover Beheersmaatschappij [Z] BV een aanslag voor de vennootschapsbelasting ontvangt als gevolg van de verkoop van het pand [adres] en voor de betaling van de aanslag geen uitstel van betaling kan worden verkregen in het kader van de te voeren bezwaarschrift- en/of beroepsprocedures zal Bavaria BV een gedeelte van de haar verstrekte geldlening rechtstreeks aan Beheersmaatschappij [Z] BV terugbetalen. Dit terug te betalen bedrag is groot het bedrag dat aan de Belastingdienst op grond van voormelde aanslag door Beheersmaatschappij [Z] BV moet worden voldaan. Beheersmaatschappij [Z] B.V. verplicht zich tot het voeren van overleg met Bavaria BV over het beleid en de procesvoering in bedoelde bezwaarschrift en/of beroepsprocedures."

2.4. Bavaria is bij akte van verpanding van 3 december 1993 pandhouder geworden van de vordering van [Z] BV (de pandgever) op Bavaria uit hoofde van de lening van [Z] BV aan Bavaria van fl. 460.000,-, tot meerdere zekerheid voor de betaling van hetgeen Bavaria uit welke hoofde ook te vorderen heeft van [X] en [Y].

2.5. Op 30 september 1998 is aan [Z] BV een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting over het tijdvak april 1996-maart 1997 opgelegd van fl. 86.625,-.

2.6. Bij brief van 30 november 1998 heeft Bavaria [Z] BV meegedeeld:

"Met referte aan uw telefonisch verzoek d.d. 24 november 1998 en uw faxbericht d.d. 25 november 1999 delen wij u mede dat wij uw verzoek om zorg te dragen voor de betaling ad f. 86.625,- uit hoofde van bovengenoemde Voorlopige aanslag Vennootschapsbelasting in behandeling hebben genomen." .

2.7. [Z] B.V. heeft De Ontvanger op 9 december 1998 bericht:

"in het kader van de verkoop van het pand [adres], waarop de onderhavige aanslag betrekking heeft, is Beheersmaatschappij [Z] BV met Bavaria BV overeengekomen dat laatstgenoemde aan haar het bedrag van de aanslag zou betalen. Bavaria BV is echter tot op heden niet tot betaling van het bedrag van de aanslag overgegaan, met als gevolg dat de Beheersmaatschappij [Z] BV in betalingsonmacht verkeert."

2.8. Bij brief van 27 januari 1999 heeft Bavaria [Z] B.V. meegedeeld de overeenkomst van geldlening van 3 december 1993 op te zeggen en aan haar terugbetalingsverplichting te voldoen door aan [X] en [Y] (partieel) kwijtschelding te verlenen voor een bedrag groot fl. 673,101,25 (de leensom ad fl. 460.000,- verminderd met aflossingen en vermeerderd met rente).

2.9. [Z] B.V. heeft bij brief van 10 februari 1999 Bavaria bericht zich niet te kunnen verenigen met de door Bavaria gedane opzegging, namelijk:

"Op grond van artikel 4 van de overeenkomst d.d. juli 1993 tussen [Z] en Bavaria NV is de daar bedoelde fiscale schuld (aanslag vennootschapsbelasting) uitdrukkelijk uitgezonderd van de kwijtscheldingsregeling zoals opgenomen in artikel 3 van die overeenkomst" en

"Namens [Z] zeg ik voorzover nog nodig de geldlening op tussen Beheersmaatschappij [Z] BV en Bavaria NV, afgesloten op 3 december 1993, voor een deel ter grootte van de verplichting aan de belastingdienst ter betaling van de opgelegde aanslag vennootschapsbelasting."

2.10. Op 26 november 1999 heeft De Ontvanger een dwangbevel ad fl. 85.010,- voor de aanslag vennootschapsbelasting betekend aan [Z] BV, vermeerderd met fl. 4.295,- aan kosten.

2.11. De Ontvanger heeft op 10 oktober 2000 onder Bavaria executoriaal derdenbeslag laten leggen, ten laste van zijn schuldenaar [Z] B.V., uit hoofde van het jegens hen uitgevaardigd dwangbevel ad fl. 89.305,- te vermeerderen met invorderingsrente. Dit beslag is [Z] BV op 17 oktober 2000 betekend.

2.12. Bavaria heeft bij gedagtekende schriftelijke verklaring d.d. 8 november 2000 verklaard niets (meer) aan [Z] BV verschuldigd te zijn.

De vorderingen

2.13. De ontvanger kan zich niet met de inhoud van deze (op artikel 476a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gebaseerde) verklaring verenigen en vordert -kort samengevat-, primair (op grond van het bepaalde in artikel 477a Rv), dat Bavaria in rechte verklaring zal doen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen en na goedkeuring danwel vaststelling daarvan, Bavaria zal worden veroordeeld de geldsommen die door het beslag zijn getroffen aan de belastingdeurwaarder te voldoen, danwel, bij niet verschijnen of bij niet-verklaren, zal worden veroordeeld tot betaling van de vordering (thans nog groot) fl. 83.222, vermeerderd met de invorderingsrente alsmede de kosten. Subsidiair vordert De Ontvanger op grond van een door Bavaria gepleegde onrechtmatige daad, betaling van dat bedrag, vermeerderd met rente. Zowel primair als subsidiair, met veroordeling van Bavaria in de proceskosten

De verweren

2.14. Bavaria voert hiertegen als preliminair verweer aan dat De Ontvanger niet-ontvankelijk is in zijn vordering. Verder stelt Bavaria zich op het standpunt dat de vordering moet worden afgewezen omdat -kort gezegd- Bavaria niets meer aan [Z] BV verschuldigd is en, ten aanzien van de subsidiaire grondslag, er geen onrechtmatige daad door Bavaria is gepleegd jegens De Ontvanger.

Niet-ontvankelijkheid van De Ontvanger

2.15. Door Bavaria is gesteld, en dit is door De Ontvanger ook toegegeven, dat De Ontvanger terzake van hetzelfde dwangbevel, al eerder, op 19 januari 2000, derdenbeslag heeft gelegd bij Bavaria. De Ontvanger heeft toen, nadat Bavaria een buitengerechtelijke verklaring met eenzelfde inhoud heeft afgelegd als nu in geschil, namelijk dat zij niets verschuldigd is aan [Z] BV, die verklaring niet (ingevolge artikel 477a lid 2 Rv) binnen 2 maanden na het afleggen daarvan in rechte betwist.

2.16. Hierdoor staat het volgens Bavaria De Ontvanger niet vrij opnieuw derdenbeslag onder Bavaria te leggen omdat daarmee de mogelijkheid wordt geschapen de in artikel 477a Rv opgenomen vervaltermijn te ontkrachten. Zij verwijst hierbij naar een vonnis van de rechtbank Arnhem d.d. 8 januari 1998, waar op dezelfde grond werd bepaald dat (ook daar) De Ontvanger niet gerechtigd was opnieuw executoriaal derdenbeslag te leggen. Ook meent Bavaria dat, ingeval hernieuwd beslag wel mogelijk is, een op basis van dat tweede beslag door de derde gedane verklaring niet in rechte kan worden betwist op voet van artikel 477a, tweede lid Rv, indien de desbetreffende verklaring overeenstemt met de door de derde afgelegde verklaring terzake van het eerste beslag.

2.17. De Ontvanger betwist de juistheid van het standpunt van Bavaria, onder verwijzing naar een arrest van het Hof Arnhem d.d. 9 maart 1999, waarin de uitspraak van de rechtbank Arnhem werd vernietigd onder de overweging dat in een dergelijke geval 'noch uit de wet, noch uit haar totstandkomingsgeschiedenis, een aanknopingspunt is te vinden voor het standpunt dat de verklaring ook voor wat betreft een volgend beslag tussen partijen als juist heeft te gelden' en dat 'de sanctie op termijnoverschrijding ook niet volledig zou worden ontkracht indien het mogelijk zou worden geacht opnieuw beslag te leggen en alsnog de verklaring van de beslagene te betwisten; het laten verstrijken van de termijn doet immers de gevolgen van het beslag, genoemd in artikel 475h Rv, vervallen met alle risico's van dien voor de beslaglegger.'.

2.18. Met het Hof Arnhem is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van Bavaria niet op gaat bij gebreke van enige steun daartoe in de wet zelf. Artikel 477a lid 2 Rv schept voor de beslaglegger de bevoegdheid een buitengerechtelijke verklaring na een beslag te betwisten, en het is enkel de bevoegdheid daartoe die volgens de wet vervalt indien de beslaglegger dit niet doet binnen de daarvoor gestelde termijn. Het stond De Ontvanger vrij -van misbruik van bevoegdheid is niet gebleken- andermaal beslag te leggen. Dit weegt zwaarder dan het in wezen louter processuele belang van de derdebeslagene die immers voorzover ten aanzien van de ten behoeve van het eerste beslag mogelijk nodeloos gemaakte kosten verhaal heeft op de beslaglegger en voor het overige geen schade lijdt door opnieuw (al dan niet gelijkluidend) te verklaren.

De beoordeling van de primaire grondslag van de vordering van De Ontvanger

2.19. De Ontvanger stelt dat Bavaria (nog steeds) uit hoofde van geldlening aan [Z] BV een bedrag verschuldigd is ter hoogte van de aanslag vennootschapsbelasting en dat de verklaring van Bavaria dat zij [Z] BV niets (meer) verschuldigd is, derhalve onjuist is. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft De Ontvanger overgelegd de hiervoor geciteerde overeenkomsten tot geldlening en de overeenkomst terzake terugbetaling geldlening, beide van 3 december 1999.

2.20. Bavaria heeft met verwijzing naar haar brief van 27 januari 1999 gesteld dat zij bij die brief de overeenkomst tot geldlening met [Z] BV heeft opgezegd en dat zij al hetgeen zijn verschuldigd was aan [Z] BV volledig heeft verrekenend met de schulden van [X] en [Y] aan haar. Hierdoor zou Bavaria niets meer aan [Z] BV verschuldigd zijn.

2.21. Volgens de De Ontvanger was Bavaria niet gerechtigd voor het gehele leenbedrag te verrekenen, aangezien 4 van de geldleenovereenkomst een uitzondering op de verrekenbevoegdheid maakt voorzover het de, destijds door partijen, voorziene aanslag vennootschapsbelasting betreft. Bavaria stelt daarentegen dat door de opzegging en verrekening aan artikel 4 niet meer wordt toegekomen en dat voor het overige niet door [Z] BV aan de voorwaarden die in artikel 4 zijn gesteld (kort gezegd, overleg over de te voeren belastingstrategie) is voldaan.

2.22. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Partijen zijn het er over eens dat de geldlening is opgezegd, waarbij in het midden kan worden gelaten welke opzegging -die van Bavaria of die van [Z] BV- effect heeft gehad. Daarmee is de vordering van [Z] BV op Bavaria opeisbaar geworden en is het de vraag of Bavaria gerechtigd is dat deel van de opeisbare schuld te verrekenen met haar vordering op [X] en [Y].

2.23. De Ontvanger stelt dat gezien de tekst van artikel 4 van de overeenkomst terzake terugbetaling, onder verwijzing naar het standpunt van [Z] BV verwoord in de brief van 10 februari 1999, het destijds de bedoeling van partijen is geweest een deel van de geldschuld ten belope van de verwachte belastingaanslag te vrijwaren van de verreken- bevoegdheid van Bavaria. Deze uitleg is door Bavaria niet gemotiveerd weersproken, daar zij alleen stelt dat doordat zij zelf, in plaats van [Z] BV, de leenovereenkomst heeft opgezegd niet aan artikel 4 wordt toegekomen, maar niet ontkent dat -indien zij niet zelf had opgezegd- zij niet voor het geheel had mogen verrekenen.

2.24. Het is echter niet relevant wie de leenovereenkomst heeft opgezegd. De opzegging van de leenovereenkomst (door wie dan ook) leidt er alleen toe dat de schuld ineens opeisbaar wordt. Vervolgens is dan aan de orde hoe Bavaria die schuld mag voldoen, en met het oog daarop is de aanvullende overeenkomst terzake terugbetaling geldlening gesloten. Onjuist is het (kennelijke) standpunt van Bavaria dat haar opzegging van de geldleenovereenkomst eveneens zou leiden tot opzegging/ontbinding van de overeenkomst terzake terugbetaling. Een dergelijk standpunt strookt niet met de bedoeling van laatstgenoemde overeenkomst die immers ziet op de manier waarop Bavaria haar schuld kan voldoen indien deze opeisbaar wordt. Bij opzegging kon Bavaria derhalve alleen verrekenen met inachtneming van het bepaalde in artikel 4.

2.25. In dit geschil staat verder vast dat [Z] BV al maanden voorafgaande aan de opzegging (door Bavaria danwel door [Z] BV) door De Ontvanger de aanslag kreeg opgelegd en dat [Z] BV op haar beurt, blijkens de brief 30 november 1998, op 24-25 november 1998 bij Bavaria aanspraak heeft gemaakt op betaling van een deel van de lening ter hoogte van dat bedrag en, daarmee, dat deel van de vordering heeft opgeëist. Op het moment dat [Z] BV de aanspraak maakte, was Bavaria het geleende nog volledig verschuldigd en had De Ontvanger de aanslag opgelegd. Aan de voorwaarden van artikel 4 was en is daarmee voldaan en Bavaria kon dat deel van de schuld derhalve niet meer door verrekening voldoen.

2.26. Bavaria kan [Z] BV, en in deze zaak De Ontvanger, daarbij niet tegenwerpen dat de voorwaarden die in artikel 4 zijn gesteld omtrent het overleg over de te voeren fiscale strategie niet zijn vervuld, nu niet blijkt (Bavaria stelt dit niet en de opzegging door haar van de overeenkomst wijst ook niet in die richting) dat zij op enig moment daadwerkelijk en serieus van plan was overleg te voeren over beleid en procesvoering in (mogelijke) bezwaar- en beroepsprocedures; zij heeft in plaats van overleg te voeren zelf de overeenkomst voor het geheel opgezegd.

2.27. Uit het voorgaande volgt dat de door Bavaria gedane verklaring onjuist is en zij aan [Z] BV verschuldigd is het bedrag dat door [Z] BV aan de belastingdienst op grond van de aanslag moet worden voldaan.

2.28. Volgens De Ontvanger bedraagt dit bedrag in hoofdsom fl. 83.222,-. Bavaria heeft -subsidiair- gesteld dat zij hoogstens fl. 80.000,- verschuldigd is gelet op het randschrift bij artikel 4 van de overeenkomst terzake terugbetaling geldlening(en), waar de aanslag begroot is op "maximaal fl. 80.000,-". Hoewel het randschrift eveneens vermeldt "begroot fl. 96.000,-", heeft De Ontvanger op dit punt geen toelichting op de hoogte van de vordering of verklaring voor deze verschillen gegeven, zodat de rechtbank van het laagst begrote bedrag uitgaat.

2.29. Nu de vordering op de primaire grondslag reeds toewijsbaar is, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de vraag of Bavaria onrechtmatig heeft gehandeld jegens De Ontvanger.

2.30. Wel hebben partijen in dit verband nog gedebatteerd over de vraag of Bavaria haar pandrecht op de vordering van [Z] BV (op haarzelf) kan inroepen.

2.31. Hoewel partijen hierover niet heel duidelijk zijn - Bavaria doet eerst bij dupliek ook ten aanzien van de primaire grondslag van de vordering een beroep op haar pandrecht en hierop heeft De Ontvanger niet meer kunnen reageren- zal de rechtbank om redenen van proceseconomie zich hierover uitlaten.

2.32. Zoals hiervoor al overwogen heeft artikel 4 van de overeenkomst terzake terugbetaling geldlening(en) ten doel verrekening van de vordering van [Z] BV met de vordering op [X] en [Y] uit te sluiten voorzover het de aanslag vennootschapsbelasting betreft. Gelijktijdig met het sluiten van de overeenkomst met die bepaling is door [Z] BV haar vordering op Bavaria uit hoofde van de geldlening in pand gegeven.

2.33. Gelet op de bedoeling van partijen de verrekenbevoegdheid deels uit te sluiten, mocht [Z] BV in de gegeven omstandigheden verwachten dat het pandrecht niet het niet te verrekenen deel van de lening zou betreffen. [Z] BV zou -bij een andere uitleg van de verpandingsovereenkomst- de facto geen voordeel hebben van het in artikel 4 bepaalde indien Bavaria haar pandrecht -met voorrang- zou kunnen inroepen jegens De Ontvanger, en door Bavaria zijn geen feiten en omstandigheden heeft aangedragen waaruit zou moeten blijken dat dit gevolg door [Z] BV beoogd en gewenst was (uit het bezwaar dat [Z] BV maakt tegen het beroep op verrekening door Bavaria valt eerder het tegendeel af te leiden).

2.34. De rechtbank legt de akte van verpanding daarom aldus uit dat deze niet ziet op het deel van de lening dat van verrekening is uitgesloten ter hoogte van de aanslag vennootschapsbelasting. Bavaria kan derhalve geen beroep doen op een pandrecht jegens De Ontvanger.

2.35. Ten aanzien van de invorderingskosten en rente waarvan De Ontvanger vordert dat Bavaria deze voldoet, is door Bavaria het verweer gevoerd dat daarvoor geen grond bestaat. De Ontvanger heeft op dat verweer niet meer gereageerd noch een nadere onderbouwing van de vordering gegeven, zodat de vordering als onvoldoende onderbouwd wordt afgewezen. De door De Ontvanger gevorderde rente wordt derhalve enkel toegewezen over het hiervoor genoemde in hoofdsom gevorderde bedrag. Dit bedrag zal in het dictum in euro's worden weergegeven.

2.36. Bavaria zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van De Ontvanger.

3. De beslissing

De rechtbank:

veroordeelt Bavaria om tegen kwijting aan De Ontvanger te betalen een bedrag van € 36.302,41 (zegge zesendertigduizend driehonderdentwee euro en eenenveertig eurocent);

veroordeelt Bavaria in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de wederpartij begroot op € 1.722,08, waarvan € 998,00 salaris procureur en € 724,08 verschotten;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.H.E. Boerma, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 september 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.