Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2002:AE9133

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-08-2002
Datum publicatie
22-10-2002
Zaaknummer
AWB 02/966
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaar tegen toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften, behorende bij het bestemmingplan “Eindhoven binnen de Ring”, en de gevraagde vergunning te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ’S-HERTOGENBOSCH

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

AWB 02/966

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

A en B, beiden wonende te C, eisers,

gemachtigde mr. T.I.P. Jeltema, advocaat te Veldhoven,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, verweerder.

Derde-belanghebbenden ingevolge artikel 8:26 van de Awb:

1. D Vastgoed B.V. te C;

2. Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant.

I. PROCESVERLOOP

Op 29 januari 2001 heeft D Vastgoed B.V. een aanvraag ingediend voor een bouwvergunning ten behoeve van het oprichten van een kantoorpand op het perceel aan de Pastoriestraat 115-133 in Eindhoven, kadastraal bekend gemeente Woensel, sectie G3, nummer 2213 en 6085 (gedeeltelijk)

Bij besluit van 30 juli 2001, verzonden op 31 juli 2001, heeft verweerder besloten met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften, behorende bij het bestemmingplan “Eindhoven binnen de Ring”, en de gevraagde vergunning te verlenen.

Bij schrijven van 10 september 2001 is namens eisers een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit tot vergunningverlening van 30 juli 2001. Op 27 september 2001 is dit bezwaarschrift nader gemotiveerd.

Op 15 oktober 2001 hebben eisers gebruik gemaakt van de gelegenheid hun bezwaren mondeling toe te lichten.

Bij besluit van 11 maart 2002, verzonden 14 maart 2002, heeft verweerder vervolgens de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij schrijven van 22 april 2002, ingekomen ter griffie op 24 april 2002, beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft op 5 juni 2002 een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 25 juni 2002, waar eiser A in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.J.C. van den Hoff, kantoorgenoot van mr. Jeltema. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. D.H.L. Hendrix, mr. M.C.H.G. Schavemaker en mr. R. Martens, werkzaam bij verweerders gemeente. Voorts is verschenen namens D Vastgoed B.V. mr. R. Stiekema, advocaat te Eindhoven, alsmede drs. F. de Garde. GS hebben zich doen vertegenwoordigen door J.V. Nefkens, werkzaam bij de provincie Noord-Brabant.

II. OVERWEGINGEN

In dit geding is de vraag aan de orde of verweerders besluit van 11 maart 2002, waarbij de bezwaren van eisers tegen het besluit van 30 juli 2001 ongegrond zijn verklaard, in rechte stand kan houden.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Het bouwplan voorziet in het oprichten van een kantoorpand op het perceel aan de Pastoriestraat 115 tot en met 133 te Eindhoven. Op de gronden waarop het bouwplan is gesitueerd rust ingevolge het bestemmingsplan “Eindhoven binnen de Ring” de bestemming “Woondoeleinden”, op de plankaart nader aangeduid met “verweving wonen/kantoren”. Het bouwplan is in strijd met artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften, omdat ingevolge deze bepaling niet mag worden gebouwd voordat het bestemmingsplan is uitgewerkt en in werking is getreden. Zowel deze rechtbank als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hebben inmiddels uitgemaakt dat de in het bestemmingsplan “Eindhoven binnen de Ring” opgenomen uitwerkingsregels onvoldoende objectief begrensd zijn. Als gevolg hiervan kunnen op basis van dit plan geen uitwerkingen worden gerealiseerd en kan het bouwverbod niet worden doorbroken.

Teneinde medewerking te kunnen verlenen aan het onderhavige bouwplan is toepassing gegeven aan artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Artikel 19 van de WRO luidt - voorzover hier van belang - als volgt:

1. De gemeenteraad kan, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2. Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen de verlening van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

3. (…)

4. (…)

a. (…)

b. (…).

Met betrekking tot de per 3 april 2000 geldende bepalingen van artikel 19 van de WRO hebben GS op 29 februari 2000 een algemene circulaire ‘De toepassing van artikel 19 (nieuw) van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en aanverwante zaken’, het licht doen zien, waarin het beleid van GS bij artikel 19-procedures is geformuleerd.

Voor wat betreft artikel 19, tweede lid, van de WRO hebben GS blijkens een bij de circulaire gevoegd separaat besluit van 15 februari 2000 twee categorieën van gevallen aangewezen waarin vrijstelling van het bestemmingsplan zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar kan worden verleend. Het betreft dan projecten die in overeenstemming zijn met een overleg-bestemmingsplan waarover de Provinciale Planologische Commissie (hierna: PPC) na 1 januari 2000 zonder meer positief heeft geadviseerd. Volgens het betreffende besluit is wel een verklaring van geen bezwaar vereist indien het PPC-advies ouder is dan twee jaar tenzij binnen die termijn het vastgestelde bestemmingsplan overeenkomstig artikel 28 van de WRO aan GS ter goedkeuring is aangeboden of indien in het kader van een artikel 19a-procedure omtrent een aanvraag om vrijstelling zienswijzen zijn kenbaar gemaakt.

Naast de hiervoor aangegeven aangewezen categorie maakt de circulaire van 29 februari 2000 melding van het feit dat GS de mogelijkheid willen creëren voor gemeentelijke initiatieven op basis waarvan per individuele gemeente categorieën van gevallen kunnen worden aangewezen. Voorwaarde daarbij is dat dergelijke initiatieven dienen te worden onderbouwd door middel van een door het gemeentebestuur vastgesteld (ruimtelijk relevant) beleidsdocument. Tevens is aangegeven dat bij de beoordeling van de aanvraag de mate waarin het gemeentelijk ruimtelijk beleid in actuele plannen vorm wordt gegeven, een rol zal spelen en dat GS nadere voorwaarden naar aanleiding van de aanvraag kunnen stellen. Alvorens een positieve beslissing wordt genomen dient de PPC te worden gehoord en is de instemming van de Inspecteur van de Ruimtelijke Ordening vereist. Voor deze categorie van gemeentelijke initiatieven wordt in de circulaire niet het vereiste gesteld van het afgeven van een verklaring van geen bezwaar.

Bij brief van 22 november 2000 heeft verweerder aan GS verzocht onder toepassing van het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de WRO over te gaan tot categorie-aanwijzing van tien met name genoemde en binnen verweerders gemeente geldende bestemmingsplannen, waaronder “Eindhoven binnen de Ring”. Bij besluit van 19 december 2000 hebben GS overeenkomstig het voorstel van verweerder de betreffende bestemmingsplannen aangewezen als categorie voor een periode van vijf jaar en onder een achttal voorwaarden.

Naar het oordeel van de rechtbank is het schrijven van verweerder van 22 november 2000, waarbij aan GS is verzocht de in het schrijven vermelde categorie aan te wijzen, aan te merken als een gemeentelijk initiatief zoals bedoeld in de circulaire van GS van 29 februari 2000. Derhalve vormen bouwplannen, welke vallen binnen het bestemmingsplan “Eindhoven binnen de Ring”, en voldoen aan de in voormelde brief van 22 november 2000 opgenomen acht voorwaarden, een categorie van gevallen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO. Anders dan eisers menen, hebben GS bij hun categorie-aanwijzing van 19 december 2000 geen voorbehoud gemaakt, inhoudende dat onder bepaalde omstandigheden vooraf een verklaring van GS, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist.

Bij besluit van 19 februari 2002 zijn GS voorts op verweerders verzoek daartoe van 10 januari 2002, overgegaan tot concretisering van het begrip ‘majeure projecten’ zoals bedoeld in voorwaarde nr. 1 van het besluit van 19 december 2000, in die zin dat – voor zover hier van belang – onder ‘majeure projecten’ voor het gebied binnen de ring wordt verstaan projecten met een bruto-vloeroppervlakte van meer dan 5.000 m2. Aan het besluit van 19 februari 2002 is eveneens een geldigheidsduur van vijf jaar toegekend.

Naar het oordeel van de rechtbankt dient het besluit van GS van 19 februari 2002 te worden aangemerkt als aanvulling op de categorie-aanwijzing van 19 december 2000. In verweerders schrijven aan GS van 10 januari 2002 is immers expliciet verzocht om een passage, waarin het begrip ‘majeure projecten’ is geconcretiseerd, toe te voegen aan de categorie-aanwijzing van 19 december 2000. Dat de brief van 19 februari 2002 van GS dient te worden aangemerkt als een aanvulling op de eerdere categorie-aanwijzing, en daarvan niet los kan worden gezien, is ter zitting door de gemachtigde van GS onderschreven. Daarbij is tevens aangegeven dat het bij de vermelding van andermaal een geldigheidsduur van vijf jaar in het schrijven van GS van 19 februari 2002 om een misslag gaat, welke door GS zal worden hersteld. De stelling van eisers dat deze aanvulling ontijdig heeft plaatsgevonden, vindt geen steun in de wet. De aanvulling heeft immers plaatsgevonden voordat een beslissing op het bezwaar is genomen en verweerder dient bij het nemen van een beslissing op bezwaar een volledige heroverweging uit te voeren.

Thans staat ter beantwoording de vraag of het litigieuze bouwplan, dat valt binnen het bestemmingsplan “Eindhoven binnen de Ring”, voldoet aan de hiervoor genoemde voorwaarden behorende bij de categorie-aanwijzing door GS. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze vraag positief te worden beantwoord. Daartoe overweegt zij als volgt.

Het in het bestemmingsplan “Eindhoven binnen de Ring” gestelde beleidskader - voor zover hier van belang - is weergegeven in de Beschrijving in hoofdlijnen, en met name in de artikelen 3.4, 3.45 en 3.51. Algemeen uitgangspunt voor nieuwe bebouwing is enerzijds het behoud van het bestaande stedenbouwkundige karakter en de groenstructuur alsmede de maatverhoudingen van de bestaande bebouwing, anderzijds echter ook de intensivering van het grondgebruik (stedelijke verdichting). Initiatieven tot (kleinschalige) bedrijvigheid kunnen slechts worden gehonoreerd, indien de woonfunctie niet onevenredig wordt aangetast en in elk geval de bereikbaarheid, de ontsluiting en het parkeren geen problemen opleveren. In het bijzonder zijn dergelijke initiatieven inpasbaar, waar op de plankaart zones zijn aangegeven met de aanduiding ‘verweving wonen-werken’ en ‘verweving wonen-kantoren’. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het bouwplan zal worden gesitueerd tussen enerzijds een kantoorpand van vier verdiepingen en anderzijds een woning van twee lagen en een kap. De omgeving van het bouwplan heeft voorts niet de kenmerken van een woonwijk, maar heeft een gemengde functie van kantoren en wonen. Verweerder heeft aangegeven dat de bebouwing zich qua vorm, massa en hoogte zal voegen naar het reeds bestaande straatbeeld en dat het sluitend maken van de straatwand door realisatie van het bouwplan uit stedenbouwkundig oogpunt een goede en logische ontwikkeling zal vormen, ook gezien de schaal en situering langs een belangrijke en structurele verkeersader. Gelet hierop kan de stelling van eiser dat het bouwplan niet past binnen het in het bestemmingsplan gestelde beleidskader, niet worden gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het bouwplan aan de in dit verband gestelde voorwaarde in de brief van 22 november 2000, behorend bij de categorie-aanwijzing van GS. De enkele omstandigheid dat in artikel 3.29 van de planvoorschriften is verwoord dat vestiging van kantoren en andere voorzieningen wordt nagestreefd in de omgeving van het centraal station en langs de hoofdassen van het openbaar vervoer, betekent geenszins dat vestiging op andere locaties niet meer tot de mogelijkheden behoort. De omstandigheid dat voorts is aangegeven dat in de omgeving Kronehoefstraat/Van Brakelstraat aan de zijde van de Kronehoefstraat afbouw van de in gang gezette kantoorontwikkeling wordt nagestreefd, leidt evenmin tot de conclusie dat op het perceel waarop het bouwplan is geprojecteerd geen kantoorbouw mogelijk is. Het perceel bevindt zich immers niet in die omgeving. Naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit veeleer worden afgeleid dat die kantoorontwikkeling verderop aan de Pastoriestraat wel wordt nagestreefd. Anders is immers niet te te verklaren dat deze ontwikkeling ter hoogte van de Van Brakelstraat dient te worden afgebouwd.

Voorts is gebleken dat het bouwplan – met een bruto vloeroppervlak van 1.417 m2 – geen majeur project is en dat het past binnen de in het bestemmingsplan aangegeven bestemming, te weten woondoeleinden. Ingevolge artikel 12.1, aanhef en onder e, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor woondoeleinden aangewezen gronden immers primair bestemd voor wonen en secundair voor onder meer kantoren. Bovendien zijn de gronden op de plankaart nader aangeduid met “verweving wonen/kantoren”. Voldoende aannemelijk is geworden dat deze globale aanduiding voor het gehele bouwperceel geldt.

Daarnaast is gebleken dat het bouwplan qua bebouwingshoogte past binnen het in het bestemmingsplan aangegeven beleid en het per perceel maximaal toegestane bebouwingspercentage van 65 niet overschrijdt. Van strijd met het provinciaal parkeerbeleid is niet gebleken en ook overigens is gesteld noch gebleken dat niet is voldaan aan één van de voorwaarden, welke onderdeel uitmaken van de categorie-aanwijzing door GS.

Uit het voorgaande volgt dat het bouwplan een geval is waarvoor vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO kan worden verleend, mits het plan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting leidt de rechtbank af dat voor het betreffende gebied geen gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan is vastgesteld. Verweerder heeft ten behoeve van de ruimtelijke onderbouwing een notitie ‘Ruimtelijke onderbouwing bouwplan Pastoriestraat’opgesteld. Deze onderbouwing is nader uitgewerkt in een schriftelijke reaktie van verweerder op de zienswijzen van eisers van 30 juli 2001.

In de Memorie van Toelichting (MvT) bij artikel 19 van de WRO is aangegeven dat de ruimtelijke onderbouwing niet in alle gevallen even omvangrijk hoeft te zijn. In algemene zin zal deze afhankelijk zijn van de aard en de omvang van de voorgenomen activiteit, de mate van ingrijpendheid, de actualiteit van het gemeentelijk ruimtelijk beleid, de relevantie voor het ruimtelijk beleid van de andere overheden en de aard van de eventueel tegen de voorgenomen activiteit ingebrachte bedenkingen. In dit verband verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de president van de rechtbank Utrecht van 30 januari 2001, BR 2001/297.

In de notitie ‘Ruimtelijke onderbouwing bouwplan Pastoriestraat’, nader uitgewerkt in een schriftelijke reaktie op de zienswijzen van eisers van 30 juli 2001, heeft verweerder voor de ruimtelijke onderbouwing van het onderhavige bouwplan aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan “Eindhoven binnen de Ring”. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de tekst van de tweede volzin van het eerste lid van artikel 19 van de WRO de gelegenheid om de ruimtelijke onderbouwing te beperken tot het ingaan op de relatie van het bouwplan met het geldende bestemmingsplan. In samenhang bezien met de MvT, het gegeven dat het bouwplan past binnen het in het bestemmingsplan gestelde beleidskader, zoals is weergegeven in de Beschrijving in hoofdlijnen, en met name in de artikelen 3.4, 3.45 en 3.51, en de omstandigheid dat de bestemming ongewijzigd blijft, kan de door verweerder gegeven ruimtelijke onderbouwing van het vrijstellingsbesluit de rechterlijke toets doorstaan.

Gelet op het vorenoverwogene was verweerder bevoegd om vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Ten aanzien van de gebruikmaking van vorenbedoelde bevoegdheid overweegt de rechtbank allereerst dat bij de besluitvorming omtrent het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO aan verweerder een ruime mate van beoordelings- en beleidsvrijheid toekomt. Dit houdt in dat het bestreden besluit alleen dan niet in stand kan blijven indien geoordeeld moet worden dat verweerder in redelijkheid niet tot zijn besluit heeft kunnen komen dan wel dat het besluit anderszins in strijd is met enige rechtsregel.

Eisers hebben in dit verband met name doen stellen dat het realiseren van het bouwplan leidt tot beperking van de privacy en de bezonning van de woning van eiser A. Voorts is namens eiser B aangevoerd dat de voorziene inrit onvoldoende groot zal zijn om zijn aanhangwagen met daarop kano’s ten behoeve van zijn kanoverhuurbedrijf, te laten passeren.

Dienaangaande overweegt de rechtbank dat, alhoewel niet onaannemelijk is dat eiser A door de bouw van het kantoorgebouw op een afstand van ongeveer vier meter van zijn woning en tuin in zijn woongenot wordt geschaad, niet gezegd kan worden dat verweerder bij de afweging van de in het geding zijnde belangen in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot het voeren van genoemde vrijstellingsprocedure door het vorengenoemde algemene belang bij doorbreking van het uit het bestemmingsplan “Eindhoven binnen de Ring” voortvloeiende bouwverbod en het belang van D Vastgoed B.V. bij realisatie van het bouwplan van groter gewicht te achten dan de particuliere belangen van eiser B. In dit verband overweegt de rechtbank nog dat het eiser B vrij staat verweerder om planschadevergoeding te vragen op grond van artikel 49 van de WRO.

Terzake van de inrit overweegt de rechtbank dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de inrit breed genoeg is voor de hiervoor genoemde aanhangwagen met kano’s. Verweerder heeft terzake een rijcurve d.d. 18 juni 2002 overgelegd waaruit is af te leiden dat bij een inrit-breedte van 3,63 meter aangenomen moet worden dat de aanhangwagen het parkeergedeelte aan de achterzijde van het perceel kan bereiken. Eiser heeft de juistheid van deze curve weliswaar betwist, doch dit niet met een contra-expertise van een terzake deskundige onderbouwd, zodat hieraan voorbij dient te worden gegaan.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen komen tot het verlenen van vrijstelling van het bestemmingsplan voor het perceel aan de Pastoriestraat 115-133. Nu zich ten aanzien van de gevraagde bouwvergunning overigens geen weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44 van de Woningwet voordoet, heeft verweerder, gelet op het limitatief imperatieve karakter van deze bepaling, de bouwvergunning terecht verleend.

De omstandigheid dat eisers naar aanleiding van het besluit van GS van 19 februari 2002 niet opnieuw zijn gehoord door verweerder levert naar het oordeel van de rechtbank geen strijd op met artikel 7:9 van de Awb. Uit het vorenoverwogene blijkt dat de rechtbank het besluit van GS van 19 februari 2002 beschouwt als een aanvulling op de eerdere categorie-aanwijzing door GS van 19 december 2000. Dit betreft een bevoegdheid van GS, waarop eisers geen invloed kunnen uitoefenen, zodat een hoorplicht in de zin van artikel 7:9 van de Awb niet aan de orde is.

Het beroep van eisers moet dan ook ongegrond worden verklaard.

Gezien het voorgaande acht de rechtbank geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E.F.G. Gelderman als voorzitter en mr. J.W. Brunt en mr. L.C. Michon als leden, in tegenwoordigheid van mr. C.F.E. van Olden-Smit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2002.

De griffier is buiten staat

de uitspraak te ondertekenen.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschrift verzonden: