Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2002:AE7905

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-09-2002
Datum publicatie
25-09-2002
Zaaknummer
61157 / HA ZA 01-0125
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

VONNIS

Zaaknummer : 61157 / HA ZA 01-0125

Datum uitspraak: 25 september 2002

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelende te 's-Gravenhage,

eiser,

procureur mr. J.E. Lenglet,

tegen:

de naamloze vennootschap N.V. ELEKTRICITEITS PRODUKTIEMAATSCHAPPIJ ZUID-NEDERLAND EPZ,

gevestigd te Eindhoven,

gedaagde,

procureur mr. J.H.M. Erkens.

als vervolg op het tussenvonnis d.d. 21 september 2001.

Partijen zullen hierna "De Staat" en "EPZ" worden genoemd.

1. De verdere procedure

Het verdere verloop van het geding blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- het proces-verbaal van getuigenverhoor aan de zijde van de Staat d.d. 25 januari 2002;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor aan de zijde van de Staat d.d. 8 maart 2002;

- het proces-verbaal van tegenverhoor aan de zijde van EPZ d.d. 5 april 2002;

- de conclusie na enquête van de Staat;

- de conclusie van antwoord na enquête van EPZ;

- de akte van de Staat.

Partijen hebben vonnis gevraagd.

2. De verdere beoordeling

2.1. De Staat is toegelaten te bewijzen dat de Staat en de SEP (EPZ) op of omstreeks 14 december 1994, althans in 1994, een civielrechtelijke overeenkomst zijn aangegaan, waarbij is overeengekomen dat de KCB uiterlijk op 1 januari 2004 definitief zou worden gesloten.

De Staat heeft de navolgende getuigen doen horen:

-[getuige a], destijds minister van Economische Zaken;

-[getuige b], destijds directeur-generaal energie van het ministerie van Economische Zaken;

-[getuige c], destijds plaatsvervangend directeur elektriciteit van het ministerie van Economische Zaken;

-[getuige d], destijds hoofd van de directie elektriciteit van het ministerie van Economische Zaken;

-[getuige e], destijds voorzitter van de directie van de SEP;

-[getuige f], destijds adjunct-directeur van de SEP;

EPZ heeft de navolgende getuige doen horen:

-[getuige g], destijds statutiar directeur van EPZ.

2.2. Bij de beoordeling van het bijgebrachte bewijs is het navolgende van belang.

Op grond van artikel 15 lid 1 van de elektriciteitswet 1989 moest door de SEP in elk even jaar een elektriciteitsplan (verder: E-plan) worden vastgesteld, waarin de ontwikkeling van de elektriciteitsvoorziening in Nederland werd aangegeven. Op grond van artikel 15 lid 4 sub a van die wet moest in het E-plan onder meer worden vermeld het tijdstip, voorzover dit valt binnen 20 jaar na het jaar van de vaststelling van het plan, waarop een installatie tot het opwekken van elektriciteit definitief buiten gebruik zou worden gesteld. In het elektriciteitsplan 1995-2004 stond voor de KCB een sluitingsdatum van 1 januari 2007 vermeld. In de daaraan voorafgaande E-plannen was telkens een sluitingsdatum van 1 januari 2004 voorzien. De verlenging van de bedrijfsduur hield verband met aanzienlijke investeringen voor de uitvoering van modificaties in het kader van de periodieke actualisering van het veiligheidsniveau. "Om de investering die hiermee gemoeid is ook in economisch opzicht te kunnen verantwoorden, is het wenselijk nu te besluiten dat deze eenheid dan ook tot 2007 in bedrijf zal blijven", zo vermeldt paragraaf 6.3. van genoemd E-plan.

Het E-plan 1995-2004 was op 11 juli 1994 door de minister van EZ (verder: de minister) goedgekeurd. Nadat de motie Vos was aangenomen ontstond de noodzaak van overleg tussen EZ enerzijds en de SEP anderzijds. De Staat had niet het recht ambtshalve te besluiten tot het alsnog onthouden van goedkeuring aan het E-plan. Verder lag er weliswaar een bezwaarschrift van Greenpeace tegen het E-plan, doch blijkens de afgelegde getuigenverklaringen heeft dit bezwaarschrift van Greenpeace geen enkele inhoudelijke rol gespeeld bij het overleg tussen de Staat en de SEP. Uit niets blijkt dat de bezwaren van Greenpeace op zichzelf noopten tot het voeren van overleg en/of het alsnog onthouden van goedkeuring aan het E-plan en verder is van belang dat de minister het E-plan voor een deel kon goedkeuren indien de SEP daaraan de voorkeur gaf (artikel 19 lid 2 van de Elektriciteitswet 1989). Dat nader overleg werd gevoerd na de motie Vos lag ook in de lijn van de verhoudingen tussen de SEP en het ministerie van EZ. In dit verband is relevant dat de getuige [getuige a] heeft verklaard dat het ministerie van EZ indertijd veelvuldig contact had met de SEP en dat er een zeer hechte samenwerking was tussen de overheid en de elektriciteitssector. Er was een zodanig nauw contact dat er naar werd gestreefd wederzijds geen beslissing te nemen die de ander onwelgevallig was, zo verklaart [getuige a]. De getuigen [getuige b], [getuige c], [getuige d] en [getuige f] bevestigen dit. Uit deze getuigenverklaringen blijkt dat over een E-plan veelal al voor de vaststelling daarvan door de SEP intensief werd overlegd met EZ en dat werd gestreefd naar overeenstemming vooraf over de inhoud van dat plan. De getuige [getuige e] is de enige die in dat verband een formeler standpunt inneemt.

2.3. De rechtbank is allereerst van oordeel dat uit de getuigenverklaringen omtrent de periode van overleg/onderhandelingen na het aannemen van de motie Vos geenszins blijkt van een vooropgezette bedoeling van partijen om tot een civielrechtelijke overeenkomst te komen. De getuige [getuige a] heeft verklaard dat het voor hem een politiek feit was dat er in de kamer geen meerderheid bestond om Borssele tot 2007 open te houden en dat zijn politieke inschatting dat het openhouden van de centrale tot 2007 niet haalbaar was werd gedeeld door [getuige e], die volgens [getuige a] precies wist hoe de situatie er na het aannemen van de motie Vos voorstond. [Getuige a] heeft verder verklaard dat hij zich verantwoordelijk achtte voor de politieke situatie die was ontstaan en dat hij op een zorgvuldige wijze met de belangen van de SEP wilde omgaan en dat hij meende dat hij al in het overleg met de kamer had gezegd dat eerdere sluiting een tegenprestatie van de SEP zou vergen. Volgens [getuige a] was het duidelijk dat er compensatie moest komen voor de kortere exploitatieduur van de centrale. Uit deze getuigenverklaring blijkt dat [getuige a] -bij wie na het aannemen van de motie Vos, gegeven de omstandigheid dat het elektriciteitsplan al was goedgekeurd, het initiatief lag- er al bij voorbaat van uitging dat een eerdere sluitingsdatum van de KCB dan 1 januari 2007 financieel diende te worden gecompenseerd. Uit diens getuigenverklaring komt geenszins naar voren dat hij het voornemen had de eerdere sluitingsdatum (ook) middels een civielrechtelijke overeenkomst te effectueren/af te zekeren en/of zijn ambtenaren opdracht heeft gegeven buiten het kader van de Elektriciteitswet om een civielrechtelijke overeenkomst met de SEP/EPZ tot stand te brengen aangaande (onder meer) de sluitingsdatum van de KCB. Geen der getuigen heeft op dit punt iets concreets verklaard. Zij verklaren weliswaar allemaal vanuit hun eigen rol, hun eigen gezichtspunt en betrokkenheid over de gesprekken die tussen EZ en de SEP hebben plaatsgevonden en de bereidheid om tot een bevredigende oplossing/regeling van de ontstane situatie te komen, doch geen van de getuigen heeft met zoveel woorden verklaard dat in die gesprekken de intentie voorlag om buiten het kader van het E-plan om een civielrechtelijke overeenkomst over de sluitingsdatum van Borssele aan te gaan. Volgens de getuige [getuige e] speelde voor hem niet of het uiteindelijke resultaat van het overleg met EZ als een privaatrechtelijke overeenkomst of iets publiekrechtelijks moest worden aangemerkt, waaruit in ieder geval voortvloeit dat [getuige e] niet het overleg c.q. de onderhandelingen met EZ is ingegaan en namens de SEP het resultaat daarvan heeft geaccepteerd met de (vooropgezette) bedoeling een civielrechtelijke overeenkomst te sluiten.

2.4. Hiermee is echter nog niet gegeven dat hetgeen volgens de getuigen uiteindelijk is afgesproken omtrent de sluitingsdatum van Borssele alsmede de financiële tegemoetkoming aan de SEP en hetgeen daarmee samenhangt niet als een civielrechtelijke overeenkomst moet worden aangemerkt. Het komt daarbij aan op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin, die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid. Hiervoor is niet alleen de intentie waarmee de gesprekken werden gevoerd van belang, doch ook de setting waarin die plaatsvonden en waarin de afspraken zijn gemaakt, de precieze inhoud en reikwijdte van die afspraken en de wijze waarop daaraan vorm is gegeven.

2.5. Gegeven de hiervoor geschetste verhouding tussen de SEP en de minster/het ministerie van EZ lag het alleszins voor de hand dat na het aannemen van de motie Vos intensief overleg plaatsvond over de ontstane situatie. Tevens moet voor de SEP en de Staat duidelijk zijn geweest dat een eerdere sluitingsdatum, zo de SEP en EZ het daarover eens konden worden, in het E-plan moest worden vastgelegd. Dat vloeide zonder meer voort uit de Elektriciteitswet 1989. De rechtbank acht het onbestaanbaar dat er een discrepantie zou bestaan tussen enerzijds afspraken tussen EZ en de SEP over de eerdere sluitingsdatum van de KCB per 1 januari 2004 en anderzijds de in het E-plan voorziene sluitingsdatum van 1 januari 2007. In die zin kan dan ook niet anders worden geconcludeerd dan dat het overleg tussen EZ en de SEP in ieder geval de vraag betrof of overeenstemming kon worden bereikt over wijziging van het E-plan in de vorm van gedeeltelijke goedkeuring daarvan. Dat partijen die formele invalshoek volstrekt duidelijk was, blijkt uit de omstandigheden dat het verslag van de bespreking van 14 december 1994 vermeldt dat het overleg is te beschouwen als een overleg als voorzien in artikel 19, eerste lid van de Elektriciteitswet en dat de minister heeft besloten tot gedeeltelijke goedkeuring van het E-plan, dat wil zeggen met uitzondering van de bedrijfsduurverlenging van de KCB en dat de brieven aan de SEP en de voorziter van de Tweede Kamer een sterk formele invalshoek hebben. Dat partijen zich van hun formele band bewust waren blijkt ook uit de navolgende getuigenverklarin-gen.

De getuige [getuige a] heeft verklaard dat het op 14 december 1994 zaak was om aan de bereikte overeenstemming ook uitvoering te geven door alle procedures in werking te zetten, de getuige [getuige b] heeft verklaard dat de bereikte overeenstemming mede inhield dat de SEP akkoord zou gaan met een partiële goedkeuring van het E-plan, waarin dan als sluitingsdatum van de centrale 1 januari 2004 werd vastgesteld, de getuige [getuige c] heeft verklaard dat de afspraak met de SEP inhield dat de kerncentrale in 2004 zou sluiten en dat de SEP zich niet zou verzetten tegen de formele afronding die nodig was om dat te bewerkstelligen, de getuige [getuige e] heeft verklaard dat [getuige b] en hij het eens waren over sluiting van de kerncentrale op 1 januari 2004, niet later, maar ook niet eerder en dat het E-plan aldus zou worden aangepast en dat tegen de gedeeltelijke goedkeuring van het E-plan door de SEP geen bezwaar zou worden ingediend.

2.6. Uit de afgelegde getuigenverklaringen komt niet c.q. onvoldoende naar voren dat de afspraak die werd gemaakt omtrent de sluitingsdatum van Borssele (ook) een civielrechtelijke overeenkomst op dat punt behelsde. Weliswaar is blijkens bijna al de afgelegde getuigenverklaringen de sluitingsdatum onderwerp geweest van overleg c.q. onderhandelingen tussen EZ en de SEP, doch onvoldoende blijkt dat partijen daarover ook buiten het formele kader van het E-plan om een afspraak hebben gemaakt. Zoals gezegd waren er blijkens de afgelegde getuigenverklaringen gebruikelijk al nauwe contacten tussen de SEP en EZ . Het overleg/de onderhandelingen die hebben plaatsgevonden over de sluitingsdatum van 1 januari 2004 zijn naar het oordeel van de rechtbank alleszins te verenigen met het overleg dat gebruikelijk plaatsvond over de totstandkoming van een E-plan en met de nauwe contacten die EZ en de SEP in dat verband onderhielden. Blijkens de getuigenverklaring van [getuige f] was het uniek dat de overheid terugkwam op een al goedgekeurd plan. De rechtbank acht aannemelijk dat dit de noodzaak van overleg alleen maar versterkte.

2.7. De rechtbank zal in dit verband meer specifiek ingaan op de afgelegde getuigenverklaringen.

2.7.1. Volgens de getuige [getuige a] hebben partijen een arrangement, een deal gesloten. Alle partijen hadden een gezamenlijk belang, namelijk om er in de gegeven politieke situatie uit te komen, zo verklaart [getuige a]. Er was volgens hem geen sprake van een eenzijdig besluit van de minister. De getuige [getuige a] heeft -desgevraagd- echter niet verklaard dat er sprake was van overeenstemming in civielrechtelijke zin. Zijn verklaring houdt in de kern in dat de motie consequenties had voor de investeringen in de kerncentrale, dat hij zorgvuldig wilde omgaan met de belangen van de SEP, dat het duidelijk was dat er een compensatie moest komen voor de kortere exploitatie van de centrale en dat de 70 miljoen de min of meer technische consequentie van de eerdere sluitingsdatum was. Volgens [getuige a] achtte hij het een kwestie van behoorlijk bestuur dat de sector financieel tegemoetgekomen werd voor de eerdere sluiting van de kerncentrale. Hij heeft verder verklaard dat de SEP had geacepteerd dat de kerncentrale eerder gesloten zou worden, doch dat daar een aantal plussen zoals de zekerheid dat de kerncentrale niet eerder dan 2004 dicht zou gaan en de financiële compensatie tegenover stond. Weliswaar verklaart de getuige [getuige a] ook dat er niet alleen overeenstemming was tussen de SEP en EZ over het geld doch ook over de gedeeltelijke goedkeuring van het elektriciteitsplan en het sluitingstijdstip van de centrale in 2004 en dat het hoofddoel van de bespreking van 14 december 1994 niet was het artikel 19-overleg maar de bereikte overeenstemming, doch de omstandigheid dat niet alleen overeenstemming bestond over het geld, doch zeker ook over de sluitingsdatum van 1 januari 2004 brengt nog geenszins noodzakelijkerwijs mee dat sprake was van een civielrechtelijke overeenkomst. Het overleg en de uitkomst daarvan paste alleszins in de contacten die genoemde partijen in het kader van de Elektricteitswet 1989 en meer in het bijzonder de totstandkomig van een E-plan met elkaar hadden en de inhoud die zij daaraan in het verleden hadden gegeven. De omstandigheid dat die partijen op een punt overeenstemming bereikten en het dus kennelijk eens waren, brengt daarom niet zomaar mee dat die overeenstemming als een civielrechtelijke overeenkomst moet worden geduid.

2.7.2. De verklaring van de getuige [getuige b] houdt eveneens in dat er overeenstemming was zowel over de sluitingsdatum als over de financiële tegemoetkoming. Hij heeft verklaard dat de SEP en EZ het met elkaar eens waren over de sluiting van de centrale per 1 januari 2004 en een financiële tegemoetkoming en dat die overeenstemming mede inhield dat de SEP akkoord zou gaan met een partiële goedkeuring van het E-plan. Voor de SEP was dat E-plan heilig, zo verklaart [getuige b]. De instemming van de SEP met de partiële goedkeuring van het E-plan hield in dat zij de partiële goedkeuring van het E-plan met daarin de sluitingsdatum van 1 januari 2004 niet juridisch zouden aanvechten, zo verklaart [getuige b]. [getuige b] heeft ook verklaard: "De SEP zou de sluiting per 1 januari 2004 niet juridisch aanvechten; dat was het akkoord". Dit alles duidt niet direct op het sluiten van een civielrechtelijke overeenkomst, waarbij SEP (EPZ) jegens de Staat de verplichting op zich heeft genomen om de KCB op 1 januari 2004 definitief te sluiten, doch veeleer op een arrangement in het kader van het E-plan en de juridische afwikkeling daarvan. In de getuigenverklaring van [getuige b] zijn zeker ook elementen aan te wijzen die zouden kunnen duiden op een civielrechtelijke overeenkomst, zoals zijn verklaring dat er geen contract is opgemaakt omdat er sprake was van een dermate simpele afspraak dat dat niet nodig was. Uit zijn verklaring blijkt echter evenzeer dat geen van genoemde partijen de civielrechtelijke invalshoek heeft gekozen, dat die partijen gewend waren in probleemgevallen te zoeken naar een voor beide partijen acceptabele uitkomst en dat de wijze waarop de resultante van het overleg vorm is gegeven een sterk formeel bestuursrechtelijke invalshoek had. Voor de getuigenverklaringen van de getuigen [getuige c] en [getuige d] geldt in wezen hetzelfde. Uit deze getuigenverklaringen komt naar voren dat tussen de SEP en EZ overleg is gevoerd en/of is onderhandeld na de motie Vos en dat zij het eens zijn geworden in die zin dat -voor wat de hoofdelementen betreft- werd uitgegaan van sluiting van de kernenergiecentrale per 1 januari 2004 en dat een financiële tegemoetkoming zou worden betaald. Nu kan weliswaar worden aangenomen, zoals de getuige [getuige d] met zoveel woorden heeft verklaard, dat het zeker niet zo was dat de SEP werd gehoord in het kader van een formele procedure en dat de SEP alleszins de mogelijkheid had geen deal te sluiten en bij een eventueel haar onwelgevallig besluit van de minister daartegen in beroep te gaan, doch dat maakt de bereikte overeenstemming nog niet tot een civielrechtelijke overeenkomst. Dat geldt evenmin voor de verklaring van [getuige d] dat het opnemen van een andere sluitingsdatum in een volgend E-plan volstrekt haaks zou hebben gestaan op de afspraken die genoemde partijen hebben gemaakt. Alleszins voorstelbaar is dat overeenstemming tussen die partijen omtrent de sluitingsdatum in het voorliggende E-plan partijen naar hun oordeel ook bond in volgende E-plannen, doch daarmee is niet gegeven dat de SEP (EPZ) jegens de Staat de van het uiteindelijke E-plan 1995-2004 losstaande civielrechtelijke verplichting op zich heeft genomen om de centrale uiterlijk op 1 januari 2004 te sluiten.

2.7.3. De getuige [getuige e] heeft aangegeven dat na onderhandelingen overeenstemming werd bereikt over een aantal elementen, als op pagina 2 van zijn verklaring achter de gedachtenstreepjes weergegeven. Daaruit blijkt dat meergenoemde partijen het volgens hem niet alleen eens zijn geworden over de sluitingsdatum van Borssele, doch ook over een financiële compensatie, de aanpassing/gedeeltelijke goedkeuring van het E-plan en het niet indienen van bezwaar daartegen en het aanpassen van de kernenergiewetvergunning. [Getuige e] heeft verklaard dat op 1 december 1994 een vergadering van de Raad van Commissarisen plaatsvond en dat die de directie van de SEP heeft gemachtigd om tot een afrondende overeenkomst te komen. Volgens [getuige e] was er uiteraard ook overleg met de voorzitter van de directie van EPZ als eigenaar van de centrale en was EPZ verheugd over het bereikte resultaat. De getuige [getuige e] heeft verder verklaard: "Naar mijn idee konden wij de afspraken die wij hadden gemaakt, niet bindender maken dan wij hadden gedaan. Als u mij vraagt of een van partijen een afwijkende invulling aan die afspraken kon geven, in die zin dat de Staat eenzijdig zou besluiten tot het eerder sluiten van de centrale, of SEP eenzijdig zou besluiten de centrale na 1 januari 2004 open te houden, dan meen ik dat dat niet kon. Dat zou contractbreuk zijn....Naar mijn mening kon de SEP later ook niet met een ander E-plan komen met een latere sluitingsdatum van de centrale. Dat was niet in overeenstemming met de gemaakte afspraken. Tussen de SEP en de Staat is een bindende afspraak gemaakt.."..De SEP is gebonden aan die afspraak en in dat verband geldt: "een man, een man, een woord een woord".

Uit deze verklaring van [getuige e] volgt dat hij de gemaakte afspraken zo heeft opgevat dat beide betrokken partijen daaraan gebonden waren in die zin dat zij daarop niet meer terug konden komen en dat de Staat niet eenzijdig de kerncentrale eerder kon sluiten en de SEP ook niet eenzijdig kon besluiten de centrale langer open te houden. Uit zijn getuigenverklaring blijkt echter evenzeer dat hij niet weet of het bereikte resultaat wel als een privaatrechtelijke overeenkomst moest worden aangemerkt. Verder is van belang dat in de zeer nauwe relatie tussen EZ en de SEP alleszins past dat een gemaakte afspraak omtrent de sluitingsdatum van KCB die partijen naar hun oordeel ook bond voor toekomstige E-plannen. Nu [getuige e] niet heeft verklaard dat de volgens hem gemaakte bindende afspraak een civielrechtelijke karakter droeg in die zin dat die (ook) geheel buiten het kader van de Elektriciteitswet om geldingskracht had en voorts partijen ook geen schriftelijke contract hebben opgemaakt, doch juist de afspraak vorm werd gegeven door het E-plan gedeeltelijk goed te keuren en een tijdsbeperking aan te brengen in de KEW-vergunning, noopt deze getuigenverklaring niet tot de conclusie dat partijen een civielrechtelijke overeenkomst zijn aangegaan, waarbij is overeengekomen dat de KCB uiterlijk op 1 januari 2004 definitief zou worden gesloten. Welbeschouwd heeft deze getuige niets concreets verklaard dat noodzaakt tot de conclusie dat het tussen partijen bereikte onderhandelingsresultaat op het punt van de sluitingsdatum van Borssele een civielrechtelijke verplichting van EPZ jegens de Staat meebracht tot sluiting van de kernenergiecentrale Borssele per uiterlijk 1 januari 2004.

2.7.4. De getuige [getuige f] is de enige die verklaard heeft dat er geen wilsovereenstemming was over de sluitingsdatum, doch dat die is opgelegd. Van wezenlijk belang acht de rechtbank zijn verklaring dat de SEP nooit civiele contracten heeft gesloten over sluiting van een centrale. Dat was ook niet nodig, omdat de besluiten daarover vastlagen in het E-plan, zo verklaart deze getuige. Nu er een wettelijke regeling is die voorziet in het maken van een E-plan waarin wordt vastgelegd wat de sluitingsdatum van een centrale is, kan naar het oordeel van de rechtbank in een situatie waarin overleg (bij problemen: zo nodig intenstief overleg) daarover tussen de SEP en de Staat gebruikelijk was niet snel worden geconcludeerd tot een civielrechtelijke overeenkomst indien tussen de Staat en de SEP op enig moment overeenstemming bestaat over de sluitingsdatum, teminder in een geval waarin, zoals in casu, geen contract is opgemaakt.

De verklaring van de getuige [getuige g] tenslotte kan het gelijk van de Staat geenszins aantonen.

2.8. Zoals overwogen kan de door de Staat en de SEP gemaakte afspraak omtrent de sluitingsdatum niet zonder meer los worden gezien van de verhouding die die partijen in het kader van de totstandkoming van een E-plan hadden opgebouwd. Kennelijk hadden die partijen er vanuit ieders positie behoefte aan jegens elkaar uit te spreken dat de sluiting per 1 januari 2004 werd gefixeerd, doch daarmee is nog geenszins komen vast te staan dat een civielrechtelijke overeenkomst met betrekking tot die sluitingsdatum tot stand is gekomen. Veeleer ligt het voor de hand die afspraak zo te duiden dat, zoals ook is gebeurd, de datum 1 januari 2004 werd vastgelegd in het electriciteitsplan en dat de Staat en EPZ zich gehouden achtten in toekomstige electriciteitsplannen niet aan die datum te morrelen, daargelaten of daartoe nog de formele bevoegdheid bestond.

De wijze waarop uitvoering is gegeven aan de bereikte overeenstemming duidt allerminst op een civielrechtelijke overeenkomst omtrent de sluitingsdatum. Zoals de rechtbank reeds in het tussenvonnis heeft overwogen wordt in het verslag van 14 december 1994 nergens met zoveel woorden gerefereerd aan civielrechtelijke overeenstemming tussen de Staat en de SEP over sluiting van de kernenergiecentrale per 1 januari 2004 en wordt meermalen verwezen naar artikel 19 van de Elektriciteitswet en is in het verslag te lezen dat het het overleg is te beschouwen als een overleg als voorzien in artikel 19, eerste lid, van de Elektriciteitswet.

De brief van de minister aan de SEP d.d. 16 december 1994 rept niet van civielrechtelijke overeenstemming tussen partijen, in die zin dat de SEP/EPZ zich jegens de Staat (ook) buiten het kader van de Elektriciteitswet om heeft verbonden tot sluiting van Borssele uiterlijk op 1 januari 2004. Die brief heeft een sterk bestuursrechtelijke inslag. Er wordt verwezen naar een besluit tot gedeeltelijke goedkeuring van het E-plan en verder wordt bevestigd dat er overeenstemming is over een financiële tegemoetkoming, welke zal worden uitbetaald op 1 januari 2004. Ook als ervan moet worden uitgegaan dat de zinssnede "onder de voorwaarde dat de werking van de centrale dan feitelijk beëindigd is" niet helemaal zuiver is geredigeerd, omdat partijen de datum 1 januari 2004 vast hadden afgesproken, dan nog geldt dat die zinssnede en de daaraan ten grondslag liggende afspraak omtrent de financiële genoegdoening voor de SEP (EPZ) niet kan dragen dat de gemaakte afspraak omtrent de sluitingsdatum civielrechtelijk van aard was. Het is weliswaar zo dat een afspraak omtrent een financiële tegemoetkoming voor een eerdere sluiting dan aanvankelijk voorzien geen basis vindt in de Electriciteitswet 1989 en inzoverre veeleer als civielrechtelijk moet worden geduid, maar dat maakt dan nog niet ook de afspraak omtrent de sluitingsdatum tot een civielrechtelijke. De Staat stond voor een probleem na de motie Vos, omdat nu eenmaal het E-plan met daarin een datum van sluiting van 1 januari 2007 al was goedgekeurd, juist ook met het oog op de aanzienlijke investeringen die moesten worden gedaan om het modificatieprogramma uit te voeren. Onder die omstandigheden lag het voor de hand dat de SEP niet zonder slag of stoot zou instemmen met een wijziging van het E-plan, doch compensatie zou verlangen hetgeen de minister zich blijkens zijn verklaring alleszins bewust was. Niet de instemming met de sluitingsdatum is dan civielrechtelijk, doch alleen de afspraak dat een financiële tegemoetkoming/genoegdoening zal worden betaald voor de eerdere sluitingsdatum. Die sluitingsdatum werd vastgelegd in het gedeeltelijk goedgekeurde E-plan en de SEP zegde toe daartegen niet te opponeren.

Tenslotte is van belang dat in de brief van 16 september 2002 aan de SEP nog gewag wordt gemaakt van een ambtshalve wijziging van de KEW-vergunning en dat getracht is dat te verwezenlijken. Dit duidt evenmin op een civielrechtelijke overeenkomst.

2.9. De brief die daarop aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten- Generaal is gestuurd heeft evenzeer een sterk bestuursrechtelijke inslag. Ook in deze brief wordt geen gewag gemaakt van een civielrechtelijke overeenkomst tussen partijen omtrent de sluitingsdatum. Het slot van de brief, waarin wordt gesteld dat de geschetste gang van zaken betekent dat zowel de verlenging van de bedrijfsduur als het verder verkorten daarvan de facto onmogelijk zal zijn, slaat terug op de goedkeuring van het E-plan 1995-2004 met uitzondering van de bedrijfsduurverlenging van de kernenergiecentrale Borssele van 2004 naar 2007, het zich niet verzetten door de SEP tegen het beëindigen van de bedrijfsduur in 2004 en de voorgenomen beperking in de KEW-vergunning dat de werking van de centrale uiterlijk op 1 januari 2004 feitelijk beëindigd dient te worden.

2.10. De eindconclusie van het vorenoverwogene is dat de Staat niet in het bewijs is geslaagd. Dat leidt tot afwijzing van de vordering. De Staat zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van deze procedure, die van de getuigenverhoren daaronder begrepen. De rechtbank acht in casu grond aanwezig om tariefgroep VIII van het liquidatietarief toe te passen, aangezien het geldelijk belang van deze zaak onmiskenbaar zeer hoog is.

3. De beslissing

De rechtbank:

Wijst de vordering af;

Veroordeelt de Staat in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van EPZ begroot op € 15.405,51;

Verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Bik, mr. I.B.N. Keizer en mr. J.J. Dekker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 september 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.