Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2002:AE7028

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-07-2002
Datum publicatie
29-08-2002
Zaaknummer
AWB 02/1717 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vergunning als bedoeld in art. 29 Wet op de lijkbezorging tot herbegraving ten onrechte geweigerd gelet op bijzondere omstandigheden.

Het belang van verzoekers om hun zoon in hetzelfde graf als hun eerder overleden dochter te kunnen begraven weegt in dit uitzonderlijke geval zwaarder dan het belang van handhaving van de grafrust. Vrees voor precedentwerking is ongegrond gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, waarbij twee jonge kinderen uit hetzelfde gezin kort na elkaar zijn overleden en bij de teraardebestelling van het eerst overleden kind niet is voorzien in de mogelijkheid om een tweede kind in het graf te begraven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK

Zaaknummer: AWB 02/1717 VV

Proces-verbaal van mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:84, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het geschil tussen

[verzoeker 1 en 1-2], wonende te [woonplaats], verzoekers

tegen

de burgemeester van de gemeente Boxmeer, verweerder.

Verzoekers hebben op 9 juli 2002 bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 9 juli 2002 waarbij de bij schrijven van 8 juli 2002 gevraagde vergunning als bedoeld in artikel 29 van de Wet op de lijkbezorging is afgewezen. Tevens hebben verzoekers bij de voorzieningenrechter terzake om een voorlopige voorziening verzocht als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

Het verzoek is ter zitting van 10 juli 2002 behandeld, waar verzoekers zijn verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A.H. Munster, ambtenaar der gemeente.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers ouders zijn van [kind A], [kind B] en [kind C]. [kind A] is in 1999 overleden. [kind C] is op [dag] juli 2002 overleden. Het is de wens van verzoekers om [kind C] bij [kind A] te begraven. Omdat [kind A] in 1999 niet diep genoeg begraven is dienen de stoffelijke resten van [kind A] te worden opgegraven en in hetzelfde graf dieper te worden herbegraven zodat het mogelijk is om [kind C] in hetzelfde graf te begraven. Verweerder heeft de terzake gevraagde vergunning geweigerd onder de overweging dat er geen redenen bestaan die zwaarder wegen dan het algemene verbod tot schending van de grafrust. Namens verweerder is daar ter zitting aan toegevoegd dat verweerder precedentwerking vreest en meer tijd nodig had om de betrokken belangen af te wegen.

Nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunten toe te lichten heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen in dier voege dat verweerder verzoekers met onmiddellijke ingang dient te beschouwen als ware zij in het bezit van een vergunning als bedoeld in artikel 29 van de Wet op de lijkbezorging teneinde de stoffelijke resten van hun dochter [kind A] te kunnen herbegraven.

De voorzieningenrechter is op grond van de navolgende overwegingen tot dit oordeel gekomen:

- dat voorafgaande aan het bestreden besluit aan de regionale inspecteur van de volksgezondheid telefonisch om advies is gevraagd;

- dat uit het bestreden besluit is gebleken en zijdens verweerder ter zitting is verklaard dat de inspecteur negatief heeft geadviseerd onder enkele verwijzing naar de terzake geldende algemene richtlijn en dat door de inspecteur geen milieuhygiënische bezwaren naar voren zijn gebracht;

- dat namens verweerder tevens naar voren is gebracht dat in het geval wel sprake zou zijn van milieuhygiënische bezwaren hiervoor een oplossing zou kunnen worden geboden;

- dat voor het overige het belang van de handhaving van de grafrust tegen het belang van verzoekers dient te worden afgewogen;

- dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende zorgvuldig is voorbereid, derhalve in strijd met artikel 3:2 van de Awb tot stand is gekomen, aangezien de aanvraag van 8 juli 2002 geen nadere onderbouwing bevat en, zoals ter zitting door verzoekers is aangevoerd en zijdens verweerder is bevestigd, verweerder tijdens het gesprek van 8 juli 2002 te kennen heeft gegeven niet te zullen terugkomen op zijn voornemen om de gevraagde vergunning te weigeren, zodat moet worden vastgesteld dat geen nader onderzoek heeft plaatsgehad naar de belangen van verzoekers en zij evenmin in de gelegenheid zijn gesteld hun belangen te onderbouwen;

- dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering aangezien uit het besluit niet blijkt op grond van welke belangenafweging de vergunning is geweigerd;

- dat het belang van verzoekers om hun zoon in hetzelfde graf als hun eerder overleden dochter te kunnen begraven in dit uitzonderlijke geval zwaarder weegt dan het belang van de handhaving van de grafrust;

- dat verweerder de gevraagde vergunning onder afweging van de betrokken belangen derhalve in redelijkheid niet had mogen weigeren;

- dat verweerder in staat moet zijn geweest om - daartoe mede aangespoord door de wettelijke termijn voor lijkbezorging - binnen korte termijn en op basis van de reeds volledig bekende omstandigheden, waarvan verweerder kennis had kunnen nemen, tot verlening van de vergunning over te gaan;

- dat in de omstandigheden van onderhavig geval naar redelijke verwachting geen zodanige wijzigingen zullen optreden dat bij heroverweging van het besluit op bezwaar niet alsnog tot verlening van de vergunning zal worden overgegaan;

- dat verweerders vrees voor precedentwerking op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval, waarbij twee jonge kinderen uit hetzelfde gezin kort na elkaar zijn overleden en bij de teraardebestelling van het eerst overleden kind niet is voorzien is in de mogelijkheid om een tweede kind in het graf te begraven, ongegrond is;

- dat gelet op deze omstandigheden termen aanwezig zijn verzoekers in de positie te brengen als ware zij in het bezit van een vergunning om tot herbegraven van hun dochter [kind A] over te gaan teneinde vervolgens tot spoedige teraardebestelling van hun zoon [kind C] in hetzelfde graf te kunnen overgaan.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

De voorzieningenrechter draagt verweerder als de in het ongelijk gestelde partij op het door verzoekers betaalde griffierecht ten bedrage van €109,-- aan verzoekers te vergoeden.

Ten slotte heeft de voorzieningenrechter er melding van gemaakt dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel kan worden aangewend.

Waarvan is opgemaakt proces-verbaal,

de griffier, voorzieningenrechter

mr. H.J. van der Meiden mr. E.F.G.M. Gelderman