Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2002:AE6772

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-07-2002
Datum publicatie
22-08-2002
Zaaknummer
AWB 00/1852
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In acht nemen van uitlooptermijn bij verlaging WAO-uitkering; belangen van werknemer wegen zwaarder dan belangen van werkgever.

De aan een werknemer van eiseres (hierna: de werknemer) toegekende WAO-uitkering is bij het bestreden besluit met ingang van 9 augustus 1999 onveranderd vastgesteld op 80 tot 100 % en met ingang van 31 januari 2000 op 35 tot 45 %. Verlaging van de uitkering heeft plaatsgevonden met inachtneming van een uitlooptermijn van twee maanden. Verweerder heeft aldus gehandeld in overeenstemming met de in de zogenaamde 'aanzegjurisprudentie' van de Centrale Raad van Beroep geformuleerde zorgvuldigheidseisen, thans neergelegd in artikel 1 van het Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, WAZ en WAJONG 1999 (Stcrt 2000, 158) en het bepaalde onder b van de daarbij horende bijlage.

De aan verweerder toe te rekenen onjuiste beoordeling in het primair besluit heeft tot gevolg gehad dat aan de werknemer over de periode van 9 augustus 1999 tot 31 januari 2000 uit zorgvuldigheidsoverwegingen een hogere uitkering moest worden toegekend dan waarop hij op medische en arbeidskundige gronden aanspraak had. Niet weersproken is dat eiseres hiervan nadeel ondervindt, omdat dit zal leiden tot een verhoging van de door haar te betalen gedifferentieerde premie WAO over de premiejaren 2001 en 2002.

Anders dan eiseres is de rechtbank evenwel van oordeel dat dit er niet toe moet leiden dat - de eerdergenoemde regels inzake aanzegging en uitlooptermijn buiten toepassing latend - in casu voor de werknemer slechts aanspraak zou bestaan op een uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45 % met ingang van 9 augustus 1999. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen de ratio van de regels inzake aanzegging en uitlooptermijn, die er in gelegen is dat aan de werknemer van wie de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken of verlaagd een termijn dient te worden gegund om zich door het aanvaarden van werk of op andere wijze in te stellen op zijn nieuwe financiële situatie. De werknemer kan redelijkerwijs niet in staat worden geacht achteraf inkomen te genereren over een voorbije periode. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze jegens de werknemer in acht te nemen zorgvuldigheidseisen in een geval als het onderhavige zwaarder dienen te wegen dan de zorgvuldigheid die verweerder jegens eiseres als mede-belanghebbende bij het besluit in acht dient te nemen en die meebrengt dat verweerder moet trachten te voorkomen dat eiseres schade lijdt als gevolg van dit besluit.

Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

mr. A.B.M. Hent

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

AWB 00/1852

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

A B.V., gevestigd te B, eiseres,

gemachtigde G. Werkhoven, werkzaam voor het Nederlands Verbond voor Ondernemers in de Bouwnijverheid (NVOB),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Aan het geding heeft als partij deelgenomen de heer X, wonende te Y, gemachtigde mr. A.T. de Louw-Bosch.

I. PROCESVERLOOP

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan het bestuur van het Lisv.

Aan de heer X, werknemer van eiseres (hierna: de werknemer), is door verweerder met ingang van 4 december 1997 een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), sedert 15 februari 1999 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %.

Bij besluit van 14 juni 1999 heeft verweerder de uitkering van de werknemer met ingang van 9 augustus 1999 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25 %.

Eiseres is als belanghebbende betrokken geweest in de bezwaarprocedure die de werknemer tegen dit besluit heeft gevoerd.

Bij besluit van 27 januari 2000 heeft verweerder besloten tot (gedeeltelijke) gegrondverklaring van het bezwaar van de werknemer en tot intrekking van het besluit van 14 juni 1999. Verweerder heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer met ingang van 9 augustus 1999 onveranderd vastgesteld op 80 tot 100 % en met ingang van 31 januari 2000 op 35 tot 45 %.

Tegen dit besluit is namens eiseres beroep ingesteld.

Ook de werknemer heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, bij de rechtbank bekend onder nummer AWB 00/1959. De werknemer heeft voorts gebruik gemaakt van de hem door de rechtbank geboden mogelijkheid als partij aan het beroep van eiseres deel te nemen en heeft geweigerd toestemming te verlenen voor het toezenden van stukken die medische stukken bevatten aan eiseres.

De op de zaak betrekking hebbende stukken zijn aan de gemachtigde van eiseres toegezonden. Voor zover deze stukken medische gegevens van de werknemer bevatten is daarbij door de rechtbank toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 8:32, tweede lid, van de Awb.

Het beroep is gevoegd behandeld met de beroepszaak AWB 00/1959 op de zitting van 19 juni 2002. Eiseres is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is met voorafgaand bericht niet ter zitting verschenen. Ook de heer X en zijn gemachtigde zijn niet verschenen ter zitting.

II. OVERWEGINGEN

Onderhavig beroep richt zich tegen het besluit van 27 januari 2000 waarbij verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer met ingang van 9 augustus 1999 onveranderd heeft vastgesteld op 80 tot 100 % en met ingang van 31 januari 2000 op 35 tot 45 %.

Eiseres heeft in hoofdzaak twee grieven tegen het bestreden besluit.

In de eerste plaats stelt eiseres dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de mogelijkheden voor de werknemer om passende arbeid te verrichten bij eiseres. Eiseres meent dat reïntegratie van de werknemer wellicht mogelijk was geweest en misschien had geleid tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25 %, zoals vastgesteld in het primair besluit van 14 juni 1999.

Voorts heeft eiseres aangegeven dat een mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer van 35 tot 45 % op basis van een theoretische schatting haar niet onterecht lijkt, doch dat dit arbeidsongeschiktheidspercentage zou moeten gelden vanaf 9 augustus 1999 en niet eerst met ingang van 31 januari 2000. Eiseres stelt dat de onveranderde voortzetting van de maximale uitkering over de periode van 9 augustus 1999 tot 31 januari 2000 is gebaseerd op het ontbreken van een arbeidskundige beoordeling. Eiseres meent daarom dat zij niet gehouden is de kosten hiervan te dragen in de vorm van verhoging van de gedifferentieerde premie WAO.

Met betrekking tot de eerste grief van eiseres oordeelt de rechtbank als volgt.

Aan eiseres kan worden toegegeven dat verweerder niet zorgvuldig heeft gehandeld door ten onrechte aan te nemen dat het dienstverband tussen eiseres en de werknemer reeds per 4 december 1998 werd verbroken en door niet te informeren naar mogelijkheden voor passende arbeid bij eiseres. Het is echter geenszins zeker dat een andere opstelling van verweerder (en de werknemer) er toe had geleid dat de werknemer passende werkzaamheden bij eiseres had kunnen verrichten en daarmee had kunnen worden ingedeeld in een lagere arbeidsonge-schiktheidsklasse dan de 35 tot 45 % waarin hij thans is ingedeeld. Eiseres heeft de werknemer weliswaar tweemaal schriftelijk uitgenodigd om te bekijken wat de mogelijkheden waren om te werken in de functie 'timmerman met beperkingen', maar eiseres heeft nooit concreet aangegeven welke passende werkzaamheden de werknemer bij haar zou kunnen verrichten. Onbekend is of er passende werkzaamheden voor de werknemer voorhanden waren en wat zijn verdiencapaciteit daarmee zou zijn geweest. De rechtbank ziet in de handelwijze van verweerder dan ook onvoldoende grond om het bestreden besluit te vernietigen.

Ook de tweede grief van eiseres kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen.

Nadat de bezwaararbeidsdeskundige op 29 november 1999 tot de conclusie kwam dat de functies die in mei 1999 aan de werknemer waren voorgehouden niet passend waren, heeft hij vervolgens nieuwe functies geselecteerd en aan de werknemer voorgehouden. Verlaging van de uitkering heeft vervolgens plaatsgevonden met inachtneming van een uitlooptermijn van twee maanden. Verweerder heeft aldus gehandeld in overeenstemming met de in de zogenaamde 'aanzegjurisprudentie' van de Centrale Raad van Beroep geformuleerde zorgvuldigheidseisen, thans neergelegd in artikel 1 van het Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, WAZ en WAJONG 1999 (Stcrt 2000, 158) en het bepaalde onder b van de daarbij horende bijlage.

De aan verweerder toe te rekenen onjuiste beoordeling in het primair besluit heeft in het onderhavige geval tot gevolg gehad dat aan de werknemer over de periode van 9 augustus 1999 tot 31 januari 2000 uit zorgvuldigheidsoverwegingen een hogere uitkering moest worden toegekend dan waarop hij op medische en arbeidskundige gronden aanspraak had. Niet weersproken is dat eiseres hiervan nadeel ondervindt, omdat dit zal leiden tot een verhoging van de door haar te betalen gedifferentieerde premie WAO over de premiejaren 2001 en 2002. Anders dan eiseres is de rechtbank evenwel van oordeel dat dit er niet toe moet leiden dat - de eerdergenoemde regels inzake aanzegging en uitlooptermijn buiten toepassing latend - in casu voor de werknemer slechts aanspraak zou bestaan op een uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45 % met ingang van 9 augustus 1999. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen de ratio van de vaker genoemde regels inzake aanzegging en uitlooptermijn, die er in gelegen is dat aan de werknemer van wie de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken of verlaagd een termijn dient te worden gegund om zich door het aanvaarden van werk of op andere wijze in te stellen op zijn nieuwe financiële situatie. De werknemer kan redelijkerwijs niet in staat worden geacht achteraf inkomen te genereren over een voorbije periode. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze jegens de werknemer in acht te nemen zorvuldigheidseisen in een geval als het onderhavige zwaarder dienen te wegen dan de zorgvuldigheid die verweerder jegens eiseres als mede-belanghebbende bij het besluit in acht dient te nemen en die meebrengt dat verweerder moet trachten te voorkomen dat eiseres schade lijdt als gevolg van dit besluit.

In hetgeen overigens van de zijde van eiseres is aangevoerd ziet de rechtbank ook geen grond om het besluit van 27 januari 2000 te vernietigen.

Ook het door de werknemer tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van heden ongegrond verklaard.

De vraag in hoeverre het bovenstaande gevolgen heeft voor de hoogte van de aan eiseres op te leggen gedifferentieerde premie WAO kan de rechtbank in het kader van dit beroep niet beantwoorden. Deze vraag kan slechts aan de orde komen in een bezwaar- of beroepsprocedure tegen het besluit waarbij deze premie is vastgesteld.

Het beroep van eiseres zal daarom ongegrond worden verklaard. In verband hiermee acht de rechtbank geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A.B.M. Hent als rechter in tegenwoordigheid van mr. N. Hofman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2002.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden: