Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2002:AE4715

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-06-2002
Datum publicatie
28-06-2002
Zaaknummer
77673 FA RK 02-648
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

BESCHIKKING

Zaaknummer : 77673 / FA RK 02-648

Uitspraak : 25 juni 2002

Beschikking betreffende alimentatie in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaa[geboorteplaats],

procureur mr. F.P.J. Schraa,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

procureur mr. A.T.L. van Zandvoort,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de man en de vrouw.

De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

- het verzoekschrift (met bijlagen) van de man, ontvangen ter griffie op 21 februari 2002;

- het verweerschrift (met bijlage) van de vrouw;

- de correspondentie, waaronder met name een brief (met bijlagen) van mr. Schraa gedateerd 22 mei 2002.

De zaak is behandeld ter zitting van 31 mei 2002. Verschenen is de vrouw bijgestaan door mr. Van Zandvoort, alsmede mr. Schraa namens de man. De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

De man verzoekt, met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 1 mei 1998, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van na te noemen minderjarigen nader vast te stellen op nihil met ingang van 8 oktober 2001, althans met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht.

De man legt aan zijn verzoek ten grondslag dat zijn financiële situatie is gewijzigd als gevolg waarvan hij niet meer in staat is de geldende kinderalimentatie te betalen.

De vrouw voert hiertegen verweer.

De beoordeling

Partijen zijn twee maal met elkaar gehuwd geweest, welk tweede huwelijk op 28 mei 1998 is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 1 mei 1998 in de registers van de burgerlijke stand.

Uit deze huwelijken zijn de navolgende minderjarige kinderen geboren:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum];

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum];

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum];

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

Bij voormelde beschikking van 1 mei 1998 is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen vastgesteld op fl. 100,-- per kind per maand. Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt deze bijdrage thans fl. 114,40 (€ € 51,91) per kind per maand.

Ontvankelijkheid

Vaststaat dat per 8 oktober 2001 een schuldsaneringsregeling ten aanzien van de man van toepassing is verklaard. Dit rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een hernieuwde beoordeling van de alimentatieverplichting van de man.

Ingangsdatum

De rechtbank acht het redelijk een eventuele wijziging van de kinderalimentatie te laten ingaan op 8 oktober 2001, zijnde de datum van aanvang van de schuldsaneringsregeling.

Gebleken is dat de vrouw omstreeks deze datum op de hoogte was van de schuldsanering, zodat zij redelijkerwijs rekening kon houden met een eventuele wijziging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen. Bovendien heeft de man daarna geen betalingen meer gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. De enkele omstandigheid dat het na het uitspreken van de schuldsanering enige tijd heeft geduurd voordat de procedure aanhangig is gemaakt, voor welke procedure op 23 oktober 2001 door de bewindvoerder toestemming is verleend en voor wat betreft de kosten van die procedure nog nader overleg gevoerd diende te worden, is daarvoor in casu onvoldoende.

Behoefte

De man heeft de behoefte van voornoemde minderjarigen aan de geldende bijdrage niet betwist, zodat deze vaststaat.

Draagkracht

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van de navolgende financiële gegevens. Voor zover die gegevens tussen partijen niet vaststaan zal de rechtbank hierop gemotiveerd ingaan.

Inkomen

Gebleken is dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van zowel de man als zijn nieuwe partner van toepassing is. Uit de overgelegde stukken blijkt dat het vrij te laten inkomen fl. 2.755,-- netto per maand bedraagt. Dit bedrag is gebaseerd op 90% van de bijstandsnorm voor een echtpaar verhoogd met 10% van de bijstandsnorm voor een echtpaar (reserverings- en arbeidstoeslag) en een bedrag van fl. 505,-- per maand in verband met huurlasten.

De vrouw stelt dat de bewindvoerder bij de berekening van het vrij te laten inkomen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de alimentatieverplichtingen van de man.

Zij verzoekt de rechtbank ervoor zorg te dragen dat de bewindvoerder rekening houdt met de alimentatieverplichtingen van de man.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat bij de berekening van het vrij te laten inkomen de kinderalimentatie buiten beschouwing is gelaten. Het door de vrouw terzake verzochte gaat het bestek van een alimentatieprocedure te buiten. Het staat de alimentatierechter in beginsel echter wel vrij om te beoordelen aan welke omstandigheden hij in het kader van de alimentatieprocedure betekenis wil toekennen. De regeling met betrekking tot de alimentatie en die met betrekking tot de schuldsanering hebben immers een verschillende strekking. De beslissing inzake de schuldsanering strekt ertoe strekt vast te stellen welk bedrag de man ter vermijding van een faillissement aan zijn schuldeisers kan betalen, terwijl de beslissing met betrekking tot de alimentatie ten doel heeft vast te stellen of, en zo ja tot welk bedrag, de man dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Daarbij gelden verschillende maatstaven. Toepassing van de schuldsanering is dus niet onverenigbaar is met het voortbestaan van een alimentatieverplichting.

Indien het oordeel van de alimentatierechter evenwel afwijkt van het oordeel van de rechter-commissaris bestaat het gevaar dat de man klem komt te zitten tussen twee rechterlijke beslissingen waaraan hij niet kan voldoen. Daarbij komt dat indien de man tijdens de schuldsanering bovenmatige schulden zou laten ontstaan, hij geconfronteerd kan worden met een tussentijdse beëindiging van de schuldsanering met als gevolg een faillissement van rechtswege. Zulks geldt eveneens indien de man wel zijn alimentatieplicht zou blijven nakomen doch de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet zou nakomen. In dat opzicht kan overigens zelfs gezegd worden dat ook de vrouw er belang bij kan hebben dat de schuldsanering naar tevredenheid verloopt en dat daardoor de dreiging van een faillissement wordt afgewend.

Gelet op het vorenstaande en nu niet is gebleken dat de man zonder voldoende noodzaak toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft verzocht noch dat de man bij machte was zijn financiële situatie zodanig te regelen dat hij in staat moet worden geacht aan de geldende verplichtingen ten opzichte van zijn kinderen te voldoen, zal de rechtbank voormeld vrij te laten inkomen bij de berekening van de draagkracht van de man tot uitgangspunt nemen. Van een vergelijkbare situatie als zich voor heeft gedaan in de procedure welke geleid heeft tot HR 25 januari 2002, RvdW 2002/21 is immers geen sprake. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank ook overigens geen bijzondere omstandigheden gebleken die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. De vrouw heeft nog gesteld dat zij vanwege haar voornemen om in de toekomst weer te gaan werken ook een toekomstig financieel belang heeft, maar ook dat kan niet gezien worden als een dergelijke bijzondere omstandigheid. Nog afgezien van het onzekere toekomstige karakter van die verwachting, heeft zij overigens eenzelfde belang ook nu al gelet op het subsidiaire karakter van een ABW-uitkering (vergelijk HR 28 februari 1997, NJ 1997/306 en HR 14 november 1997, NJ 1998/100).

Normbedrag

De man woont samen met een partner die in eigen levensonderhoud voorziet.

Derhalve gaat de rechtbank uit van het Abw-normbedrag voor een alleenstaande, exclusief de woonkostencomponent, doch inclusief de maximale toeslag, ter voorziening in de noodzakelijke kosten voor levensonderhoud.

Maandelijkse lasten

Woonlasten

huur: €€ 221,-- (1/2 * € € 442,--)

Gelet op het vorenstaande en in aanmerking nemende dat het vrij te laten inkomen ten behoeve van zowel de man als zijn nieuwe partner strekt, acht de rechtbank de man niet langer in staat is om enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen te betalen.

De proceskosten zullen worden gecompenseerd als na te melden.

De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 1 mei 1998 voor wat betreft de daarbij vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen en bepaalt deze bijdrage met ingang van 8 oktober 2001 nader op nihil;

verklaart deze beslissing (behoudens ten aanzien van de eventuele executiekosten) uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.W.P. van Gelder, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2002 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze beschikking kan -uitsluitend door tussenkomst van een procureur (advocaat)- hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a) door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak;

b) door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden.