Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2002:AE4711

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-06-2002
Datum publicatie
28-06-2002
Zaaknummer
01.045268.01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/045268-01

Uitspraakdatum: 25 juni 2002

V E R K O R T V O N N I S

Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

Geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,

wonende te '[woonplaats].

Preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring De Boschpoort te Breda.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 maart en 11 juni 2002.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij de dagvaarding van 20 november 2001.

Een afschrift van de dagvaarding is aan dit vonnis gehecht.

De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 14 maart 2002 gewijzigd. Van deze vordering is eveneens een kopie aan dit vonnis gehecht.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De overwegingen met betrekking tot de bewezenverklaring.

Aan verdachte is na wijziging primair -kort gezegd- tenlastegelegd het medeplegen van doodslag (van [slac[slachtoffer]), subsidiair het medeplegen van zwaar lichamelijk letsel, welk feit de dood tengevolge heeft gehad, meer subsidiair mishandeling de dood tengevolge hebbend en meest subsidiair openlijke geweldpleging, terwijl dat geweld de dood ten gevolge heeft gehad.

Uit de feitelijke omschrijving van de eerste drie feiten blijkt dat de officier van justitie in de eerste plaats het oog heeft gehad op in het verband van medeplegen verrichte handelingen door verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Het gaat dan om de handelingen 1. het tegen het hoofd en/of lichaam van [slachtoffer] trappen en/of slaan (in de schuur), 2. het tegen het hoofd en/of lichaam van [slachtoffer] trappen en/of slaan (in de schuur) en daarna het over de grond slepen van diens lichaam, 3. het laten vallen van [slachtoffer] met diens hoofd op de stoeprand (Nachtegaalslaantje), en 4. het (op die plaats) wederom trappen en/of slaan tegen het lichaam en/of hoofd van [slachtoffer].

Ook bij het meest subsidiaire feit haat het om deze handelingen.

Uit het proces-verbaal van politie en uit de verklaring van verdachte ter zitting blijkt dat deze handelingen in wisselende samenstelling van de drie verdachten zijn gepleegd en op verschillende plaatsen. De handelingen onder 1. bedoeld zijn gepleegd in direct bijzijn van verdachte door de medeverdachte [medeverdachte 2] in een overdekte plaats nabij de zogenaamde Casinotuin in Den Bosch (de schuur), de handelingen onder 2. en 3. bedoeld door de medeverdachte [medeverdachte 2] alleen, waarbij hij ([slachtoffer] meeslepend) zich heeft bewogen van die schuur naar het Nachtegaalslaantje en waarbij daar, bij de stoep, door diens handelen het lichaam van [slachtoffer] met het hoofd op de stoeprand terecht kwam en ten slotte, de handelingen onder 4. bedoeld door medeverdachte [medeverdachte 1] alleen bij die stoeprand.

De rechtbank begrijpt de tenlastelegging (primair, subsidiair en meer subsidiair) aldus dat het klaarblijkelijk de bedoeling van de officier van justitie is aan verdachte allereerst ten laste te leggen dat het geheel van handelingen, dat jegens [slachtoffer] door hem en zijn twee medeverdachten is verricht, is gepleegd in een verband als bedoeld in artikel 47, lid 1, onder 2 van het Wetboek van Strafrecht.

Dat brengt mee dat de rechtbank in de eerste plaats als meest verstrekkend moet onderzoeken of dat geheel van gedragingen onder die noemer is te brengen. Vervolgens kan aan de orde komen de vraag of een deel van de door de verdachten gepleegde handelingen in een dergelijk verband tot elkaar staan.

De rechtbank beschouwt op grond van het proces-verbaal van politie alsmede de verklaring van verdachte ter zitting als vaststaand dat er op 22 september 2001 in een groep personen die zich bevond in de Casinotuin en waartoe ook verdachte en zijn medeverdachten behoorden, is gesproken over het bankpasje van (naam eigenaar bankpasje) dat weg was. Er zouden verschillende personen in het bezit van het pasje kunnen zijn, onder wie [slachtoffer] en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. De gesprekken daarover leidden tot (grote) irritatie in de groep zelf maar ook jegens [slachtoffer], die op dat moment in de schuur verbleef. Verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 2] zijn op een gegeven moment samen naar die plaats gegaan; verdachte [medeverdachte 1] heeft gezien dat zij daarheen gingen.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er voldoende aanwijzingen om aan te nemen dat er ten aanzien van de handelingen, als hiervoor bedoeld onder 1., tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] een verband als bedoeld in artikel 47, lid 1, onder 2 Sr. heeft bestaan. Daarbij is van belang de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] dat verdachte en hij 'naar aanleiding van de discussie over het pasje, [medeverdachte] en ik naar [slachtoffer] gingen, om verhaal te halen' en het feit dat zij gezamenlijk naar de plaats waar [slachtoffer] zich bevond zijn gelopen. Toen vervolgens verdachte in fysiek contact kwam met [slachtoffer] stond medeverdachte [medeverdachte 2] daarbij. De medeverdachte [medeverdachte 2] heeft zich niet gedistantieerd van verdachtes gedragingen. Van een afspraak of plan, voordat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] wegliepen, tussen de drie verdachten om naar [slachtoffer] te gaan en om hem desnoods met geweld tot afgifte van het pasje (als hij dat al zou hebben) te bewegen of om hem dat te ontnemen, is echter niet gebleken. De medeverdachte [medeverdachte 1] wist van de irritatie, zag de beide anderen weggaan, maar dat is onvoldoende om haar als medepleger van de handelingen onder 1. aan te merken.

Wat betreft die handelingen onder 1. acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte of zijn medeverdachte [medeverdachte 2] [slachtoffer] toen tegen of in de direkte nabijheid van het hoofd hebben geschopt, laat staan hard tegen diens hoofd hebben geschopt. Ook is niet bewezen dat zij [slachtoffer] toen tegen het hoofd hebben geslagen. Op zichzelf acht de rechtbank wel bewezen dat verdachte [slachtoffer] toen op andere plaatsen tegen het lichaam heeft geschopt , en dat met de bedoeling om hem te wekken, maar er is gezien de voorhanden zijnde medische bevindingen en het sectierapport geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat die handelingen de dood van [slachtoffer] hebben veroorzaakt.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de handelingen onder 1. verder niet redengevend zijn voor een bewezenverklaring voor het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde.

Nadat de handelingen als bedoeld onder 1. waren gepleegd zijn verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] vanuit de schuur teruggekeerd in de Casinotuin. Er zijn geen bewijsmiddelen waaruit kan volgen dat verdachte vanaf dat moment nog enige betrokkenheid heeft gehad bij de handelingen als bedoeld onder 2., 3. en 4. Hij is wel in het park gebleven en heeft ook een deel van de daarop volgende gebeurtenissen gezien. Maar dat is onvoldoende om aan te nemen dat hij als medepleger ten aanzien van die handelingen heeft te gelden. Daarbij is van belang dat de redenen waarom daarna de medeverdachten [medeverdachte 2] en vervolgens [medeverdachte 1] hun handelingen jegens [slachtoffer] pleegden niet zozeer met de kwestie van het bankpasje hadden te maken (waarover juist verdachte zich boos had gemaakt) maar door [slachtoffer] kennelijk jegens de medeverdachte [medeverdachte 1] en de moeder van medeverdachte [medeverdachte 2] geuite beledigingen; het is zelfs onduidelijk of verdachte daarvan toen heeft vernomen. Er is dus sprake van een onvoldoende verband tussen enerzijds de gedragingen onder 1. en anderzijds de gedragingen onder 2., 3. en 4. Wat er ook zij van die laatste handelingen, deze kunnen jegens verdachte niet bewezen worden verklaard.

Wat betreft het meer subsidiair tenlastegelegde geldt voorts dat de rechtbank dit feit, gezien de opstelling en redactie, aldus leest dat het de klaarblijkelijke bedoeling van de officier van justitie is geweest om artikel 300, lid 1 Sr., in verbinding met het derde lid, ten laste te leggen: mishandeling de dood tengevolge hebbend. Deze tenlastelegging biedt geen juridische ruimte om bij vrijspraak van het onderdeel 'de dood tengevolge hebbend' tot een bewezenverklaring van (het dan binnen dat feit subsidiair te beschouwen) 'mishandeling' te komen. Een feitelijke omschrijving van pijn en/of letsel, hetgeen nodig is voor een bewezenverklaring van mishandeling, ontbreekt immers. Klaarblijkelijk heeft de officier dat dus ook niet willen tenlasteleggen en de rechtbank mag deze elementen dan niet in samenhang met bewijsmiddelen 'inlezen' want dan zou de rechtbank aan die klaarblijkelijke bedoeling voorbij gaan. Dat is niet geoorloofd.

Verdachte moet dus integraal worden vrijgesproken van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde.

Ten aanzien van de meest subsidiair tenlastegelegde openlijke geweldpleging overweegt de rechtbank dat zij ten aanzien van dat feit, gezien de opzet en redactie van dit feit, in de eerste plaats moet beoordelen of het geheel van handelingen als bedoeld onder 1., 2., 3., en 4. kan leiden tot een bewezenverklaring, dit, omdat die handelingen in de feitelijke omschrijving van dit feit zijn opgenomen.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorhanden bewijsmateriaal niet kan worden geconcludeerd dat tussen de handelingen onder 1., waarbij verdachte en ook medeverdachte [medeverdachte 2] betrokken is geweest, en de overige handelingen een verband kan worden aangenomen in de zin van 'in vereniging' als bedoeld in artikel 141 Sr. Daarvoor staan die handelingen te zeer in een los en daarmee onvoldoende verband tot elkaar (tijd en plaats) en ook de redenen die voor de drie verdachten golden om tot handeling over te gaan staan in een los en daarmee onvoldoende verband tot elkaar: de irritatie bij de verdachten over het pasje (de handelingen onder 1.) en de boosheid van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] over de uitlatingen van [slachtoffer] over haar en (in de schuur, toen medeverdachte [medeverdachte 2] alleen was met [slachtoffer]) de boosheid van hem over uitlatingen die [slachtoffer] zou hebben gedaan over [medeverdachte 2] moeder (de handelingen onder 2., 3. en 4.). Nu verder is gebleken dat verdachte niet betrokken (in de zin van ín vereniging als bedoeld in artikel 141 Sr. is geweest bij de door de beide andere verdachten verrichte handelingen onder 2., 3. en 4. kunnen deze handelingen ten aanzien van hem niet tot een bewezenverklaring van het meest subsidiaire feit leiden.

Dan rest de vraag of alleen de handelingen onder 1. ten aanzien van verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 2] kunnen leiden tot een bewezenverklaring van het meest subsidiaire feit. De rechtbank acht zoals reeds overwogen wel bewezen dat ten aanzien van die handelingen tussen verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 2] sprake is geweest van medeplegen in de zin van artikel 47, lid 1, onder 2 Sr.

en daarmee ook van 'in vereniging' in de zin van artikel 141 Sr. Maar van openlijke geweldpleging terwijl het geweld de dood tot gevolg heeft gehad is geen sprake.

In de eerste plaats overweegt de rechtbank dat uit het voorgaande volgt dat niet bewezen kan worden verklaard dat het (tenlastegelegde) gepleegde geweld de dood van [slachtoffer] heeft veroorzaakt. Maar ook kan openlijke geweldpleging sec niet bewezen worden verklaard.

Artikel 141 Sr. ziet op het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen. Van 'openlijk' is sprake wanneer het gepleegde geweld voor anderen waarneembaar kan zijn en het geschiedt op of aan een openbare weg. Uit de zich bij de stukken bevindende situatieschets van de plaats van het delict alsmede de verklaring van getuige (naam getuige) (proces-verbaal van politie 2.1.15) blijkt dat de schuur waar [slachtoffer] zich bevond een voor publiek toegankelijke plaats of weg was, omdat het hek van kantoorruimte 'Groote Stroom' open stond en het publiek daar door heen zou kunnen lopen. Echter, de niet in die schuur aanwezige personen (zij verbleven in de Casinotuin) hebben, naar voor de rechtbank vast staat, niet kunnen zien wat er zich in die schuur heeft afgespeeld toen verdachte, zijn medeverdachte [medeverdachte 2] en [slachtoffer] zich daar bevonden. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat de gedragingen jegens [slachtoffer] van verdachte en zijn medeverdachte in die schuur 'heimelijk' zijn verricht en niet waarneembaar waren voor het publiek, zodat deze niet openlijk als bedoeld in artikel 141 Sr. hebben plaatsgevonden.

Verdachte moet daarom ook integraal van het meest subsidiair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder het primaire, subsidiaire, meer subsidiaire en meest subsidiaire is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door,

mr. Pulles, voorzitter,

mr. Smits-Pieterse en mr. Struijs, leden,

in tegenwoordigheid van mr. van Dalsum-Roll, griffier

en is uitgesproken op 25 juni 2002.

Mr. Struijs is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.