Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2002:AE4053

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-06-2002
Datum publicatie
13-06-2002
Zaaknummer
79806 FA RK 02-1475
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

BESCHIKKING

Zaaknummer : 79806 / FA RK 02-1475

Uitspraak : 4 juni 2002

Beschikking in de zaak van

[de man]

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. E. Maalsen te Wageningen,

procureur mr. P.C.J. Willekens,

tegen:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de man en de vrouw.

De procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende stukken:

- het verzoekschrift van de man, ter griffie ingekomen op 18 april 2002;

- de correspondentie waaronder met name:

* een faxbericht (met bijlagen) van mr. Willekens, gedateerd 21 mei 2002.

Partijen hebben afgezien van een behandeling ter terechtzitting. De mondelinge behandeling die was bepaald op 21 mei 2002 heeft derhalve geen doorgang gevonden.

De man verzoekt -kort en zakelijk- weergegeven;

- hem alleen te belasten met het gezag over na te noemen minderjarige;

- te bepalen dat de hierna genoemde minderjarige haar hoofdverblijf bij de man zal

hebben;

- een omgangsregeling vast te stellen tussen de vrouw en de hierna te noemen

minderjarige als in het verzoekschrift omschreven.

Uit voorgaande correspondentie blijkt dat het verzoek thans wordt gewijzigd in dier voege dat de verzoeken met betrekking tot het hoofdverblijf en de omgangsregeling worden ingetrokken. Voorts wordt het verzoek met betrekking tot het gezag gewijzigd in die zin dat partijen thans gezamenlijk verzoeken het ouderlijk gezag te herstellen opdat zij beiden weer belast zijn met het gezag over na te noemen minderjarige.

De beoordeling

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest, uit welk huwelijk twee kinderen zijn geboren waaronder de min[naam]rige:

- [naam minderjarige, geboren in 1988].

Het huwelijk is op 17 juni 1993 ontbonden door inschrijving van het vonnis van deze rechtbank van 5 februari 1993 in de registers van de burgerlijke stand. Bij voormeld

vonnis van 5 februari 1993 is -onder meer en voor zover hier relevant- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is de vrouw alleen belast met het gezag over voornoemde minderjarige.

Ingevolge artikel 1:253o BW kan een verzoek om partijen gezamenlijk te belasten met het

gezag over een kind slechts van beide ouders afkomstig zijn. In casu is niet expliciet gebleken dat de procureur van de man zich ook namens de vrouw stelt zodat er op zich slechts een eenzijdig verzoek van de man ter beoordeling ligt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij de ingekomen brief van mr. Willekens bevindt zich als bijlage een door de vrouw ondertekende brief waaruit blijkt dat zij kan instemmen met een gezamenlijke gezags- uitoefening als verzocht. Gelet hierop zal de rechtbank, mede gelet op het bepaalde in artikel 8 EVRM, het verzoek om partijen gezamenlijk te belasten met het gezag over [naam] toewijzen nu genoegzaam is gebleken dat deze voorziening door beide partijen

wordt gewenst.

Gelet op de aard van de te nemen beslissing zal de rechtbank deze beslissing ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

De beslissing

De rechtbank:

wijzigt het vonnis van deze rechtbank van 5 februari 1993, voor wat betreft de daarbij getroffen gezagsvoorziening (voogdij) over voornoemde minderjarige;

belast partijen gezamenlijk met de uitoefening van het gezag over voornoemde minderjarige [naam];

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.W.J. de Ruiter-Phafff, rechter tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2002 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze beschikking kan -uitsluitend door tussenkomst van een procureur (advocaat)- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a) door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak;

b) door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden.