Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2002:AE3897

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-06-2002
Datum publicatie
10-06-2002
Zaaknummer
79862/KG ZA 02-0270
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

VONNIS IN KORT GEDING

Zaaknummer : 79862 / KG ZA 02-270

Datum uitspraak: 6 juni 2002

Vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch in de zaak van:

DE GEMEENTE LANDERD,

zetelende te Zeeland (Noord-Brabant),

eiseres bij exploot van dagvaarding van 1 mei 2002,

procureur mr. K.A.M. van Kampen,

tegen:

[gedaagde],

wonende te Schaijk, gemeente Landerd,

[gedaagde] bij gemeld exploot,

procureur mr. P.J.A.M. Baudoin,

advocaat mr. W.J. Eusman te Amsterdam.

Partijen zullen hierna "de gemeente" en "[gedaagde]" worden genoemd.

1. De procedure

1.1. De gemeente heeft in kort geding gesteld en gevorderd zoals hierna verkort is weergegeven.

1.2. Mr. M.Th.Ch.A. Smets heeft de vordering ter terechtzitting toegelicht, mede aan de hand van de overgelegde producties.

1.3. De advocaat van [gedaagde] heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van de door haar overgelegde pleitnotities met producties.

1.4. Na gevoerd debat hebben partijen vonnis gevraagd.

2. De feiten

2.1. [Gedaagde] is afkomstig uit Somalië. Op 19 augustus 1998 heeft zij in Nederland asiel aangevraagd. Bij beschikking van 17 maart 1999 is aan haar, mede ten behoeve van haar minderjarige kinderen, met ingang van 19 augustus 1998 een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (verder: vvtv) verleend. Haar verzoek tot verlenging van deze vvtv is afgewezen bij besluit van 21 augustus 2000, tegen welk besluit tijdig bezwaar is aangetekend.

2.2. De voormalige raadsman van [gedaagde] heeft destijds evenwel verzuimd om naar aanleiding van de afwijzing van haar aanvraag tot verlenging van haar vvtv tijdig een voorlopige voorziening te verzoeken. In het algemeen schort een dergelijke voorziening de aan een afwijzende beslissing verbonden verplichting tot vertrek op. Nu van een dergelijke opschorting geen sprake is, is [gedaagde] inmiddels rechtmatig verwijderbaar.

2.3. Sedert 10 februari 2001 geeft de gemeente aan [gedaagde] en haar minderjarige kinderen een woning in bruikleen aan [adres]. Partijen hebben daartoe op 19 februari 2001 een bruikleenovereenkomst getekend.

2.4. Het bezwaar tegen het besluit tot afwijzing van de verlenging van de vvtv is op 9 mei 2001 ongegrond verklaard, tegen welke beslissing [gedaagde] tijdig beroep heeft aangetekend. In deze beroepsprocedure is nog geen beslissing gegeven.

3. Het geschil

3.1. De gemeente vordert in dit kort geding, kort weergegeven, [gedaagde] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis de door haar bewoonde woonruimte te ontruimen en ontruimd te houden, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2. De gemeente legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] vanaf 19 februari 2002 zonder recht of titel in de woning verblijft omdat de verstrekkingen die zij op grond van de Wet gemeentelijke zorg vvtv'ers ontvangt van rechtswege zijn geëindigd in verband met de inwerkingtreding van de Invoeringswet Vreemdelingen 2000. Daarmee is immers ook de bruikleenovereenkomst van rechtswege geëindigd. De gemeente stelt een spoedeisend belang te hebben bij haar vordering nu [gedaagde] verhindert dat asielzoekers dan wel andere vergunninghouders die onder de Invoeringswet Vreemdelingen 2000 vallen, gebruik kunnen maken van de woning.

3.3. [Gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering. Zij betwist onder meer het door de gemeente gestelde spoedeisend belang.

3.4. Op hetgeen partijen overigens over en weer hebben aangevoerd, zal voor zoveel nodig bij de beoordeling worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Vooropgesteld wordt dat tussen partijen niet in geschil is dat de [gedaagde] en haar vier minderjarige kinderen, die momenteel 7, 4, 3 en 1 jaar oud zijn, in de gemeente Landerd zijn ingeburgerd. De twee oudste kinderen gaan daar naar school. Nu niet is gesteld of gebleken op welke wijze [gedaagde] na een eventuele ontruiming binnen de gemeente in haar huisvesting zou kunnen voorzien, heeft zij in afwachting van de uitkomst van de beroepsprocedure op zich een zwaarwegend en spoedeisend belang bij voortzetting van het gebruik van de door de gemeente ter beschikking gestelde woonruimte. Ofschoon een dergelijk belang echter allerminst vanzelfsprekend tot de gevolgtrekking leidt dat zij op grond daarvan aanspraak kan maken op voortzetting van het gebruik van de woning

- er zijn immers vele (uitgeprocedeerde) asielzoekers die in een vergelijkbare weinig benijdenswaardige positie verkeren en die gelet op de geldende regelgeving eveneens geconfronteerd worden met beëindiging van de door de Nederlandse overheid geboden verstrekkingen - is de rechter van oordeel dat zich in deze zaak een bijzondere situatie voordoet. Immers, door een verzuim van haar toenmalige raadsman is de door de wet geboden mogelijkheid om de rechter te verzoeken bij wege van een voorlopige voorziening het vertrek hangende de procedure op te schorten, buiten de schuld van [gedaagde] niet benut en is zij als gevolg daarvan inmiddels rechtmatig verwijderbaar. In verband met dit verzuim neemt verzekeringsmaatschappij Nationale Nederlanden, de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van haar voormalige raadsman, de kosten van haar levensonderhoud sinds 19 februari 2002 voor haar rekening.

4.2. Tussen partijen staat vast dat deze verzekeringsmaatschappij zich ook bereid heeft verklaard de kosten van de huidige woonruimte van [gedaagde] aan de gemeente te voldoen in afwachting van de uitkomst van de beroepsprocedure. Gelet op dit aanbod is het voorshands niet aannemelijk dat de gemeente enig financieel nadeel zal lijden indien [gedaagde] het gebruik van de woning hangende beroepsprocedure zou voortzetten.

De gemachtigde van de gemeente heeft ter zitting medegedeeld dat het verzuim van de raadsman als gevolg waarvan [gedaagde] is gedupeerd en het daaruit voortvloeiende aanbod van de verzekeraar wel in het college van burgemeester en wethouders is besproken, doch dat het college daarin geen voldoende zwaarwegende redenen heeft gezien om op haar besluit tot ontruiming van [gedaagde] terug te komen.

4.3. De gemeente heeft haar spoedeisend belang bij ontruiming van de betreffende woning niet verder onderbouwd dan door in zijn algemeenheid te stellen dat, zolang [gedaagde] daar blijft wonen, de woning niet ter beschikking kan worden gesteld aan andere asielzoekers. Of de gemeente momenteel daadwerkelijk genoodzaakt is tot verdere huisvesting van asielzoekers en zo ja of zij daarin niet kan voorzien door het ter beschikking stellen van andere woonruimte dan de momenteel bij [gedaagde] in gebruik zijnde woning is evenwel niet aannemelijk gemaakt.

4.4. Gezien vorenomschreven spoedeisend belang van [gedaagde] en haar kinderen bij voortzetting van het gebruik van de woning hangende de beroepsprocedure, daarbij mede in aanmerking nemende dat de kosten van haar verblijf gedurende die periode door Nationale Nederlanden aan de gemeente zullen worden voldaan, is de rechter - anders dan het college van burgemeester en wethouders - van oordeel dat aan het belang van [gedaagde] en haar kinderen een zwaarder gewicht behoort te worden toegekend dan aan het gestelde belang van de gemeente bij ontruiming, zodat de vordering van de gemeente bij gebrek aan een voldoende spoedeisend belang zal worden afgewezen.

4.5. De gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt de gemeente in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de wederpartij tot op heden begroot op € 896,36, waarvan € 193,-- vast recht en € 703,36 salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.M. Strijbos, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juni 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.