Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2002:AE2128

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-05-2002
Datum publicatie
01-05-2002
Zaaknummer
01/071235-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/071235-00

Uitspraakdatum: 1 mei 2002

V E R K O R T V O N N I S

Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van economische strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

wonende te [woonplaats] [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

17 april 2002.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 6 maart 2001.

Een afschrift van de dagvaarding is aan dit vonnis gehecht.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd, dat artikel 1a van de Wet op de Kansspelen onverbindend is wegens strijd met artikel 7 EVRM, met name aan het daaraan ten grondslag liggende lex certa-beginsel; een strafrechtelijke bepaling mag niet vaag of onduidelijk zijn; een burger moet aan de hand van de wet (en de daarop gebaseerde jurisprudentie) kunnen voorzien, dat bepaalde gedragingen strafbaar zijn.

De rechtbank verwerpt dit verweer;

1.

De raadsman geeft in zijn pleidooi eigenlijk niet aan, in welk opzicht de wettekst onhelder zou zijn.

De tekst van artikel 1a van de Wet op de Kansspelen is op zich niet onhelder of vaag. Zeker niet voor een verdachte zoals [verdachte 1], die zich vóór en ten tijde van de wetswijziging waarbij dit artikel werd toegevoegd aan de Wet op de Kansspelen, zich bezig hield met het organiseren van het piramide-spel Titan en het spel Eurostar Business Club. Verdachte [verdachte 1] zelf heeft het spel Titan een piramidespel genoemd. Verdachte [verdachte 1] heeft ter zitting het onderdeel van het concept Freedom Travel Club, voorzover dat onderdeel uit het hele concept zou zijn los te koppelen, ook een piramidespel genoemd. Het begrip is dus voor hem niet vaag of onhelder.

Dat men een piramidespel onderdeel maakt van een breder concept, waardoor vaag en/of onhelder zou kunnen zijn, of het concept in zijn geheel wel of niet onder de definitie van piramidespel valt, is een vraag van bewijs. Dit heeft niets te maken met vaagheid of onhelderheid van de tekst van de wet.

2.

De raadsman stelt in het voetspoor van prof.dr. W.A. Wagenaar, dat de wetgever in de wet niet een verbod van het piramidespel had mogen opnemen, zolang niet vaststond, dat dit spel een kansspel was in de zin van artikel 1 van de Wet op de Kansspelen. Ook daarom moet artikel 1a van de Wet op de Kansspelen onverbindend worden verklaard.

De rechtbank volgt de verdediging niet in dit betoog, alleen al omdat de rechtbank de innerlijke waarde van de wet niet mag beoordelen en omdat het de wetgever vrijstaat in een lex specialis een bepaald spel te benoemen als een verboden kansspel. Met het lex certa-beginsel heeft dit niets van doen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn voorts geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank acht bewezen dat verdachte heeft samengewerkt met anderen in een organisatie waarin gelegenheid werd gegeven aan de deelnemers een voordeel te verwerven dat ten dele afhankelijk was van het aangaan van een (betalings)verplichting door latere deelnemers.

Die gelegenheid werd gegeven doordat verdachte en de mededaders ernaar streefden personen lid te doen worden van Eurostar Business Club (het eerste tenlastegelegde feit) en vervolgens van Freedom Travel Club (het tweede tenlastegelegde feit).

Het aangaan van een betalingsverplichting door latere deelnemers bestond uit het betalen van het inschrijfgeld door de desbetreffende personen, hetgeen een vereiste was voor het lidmaatschap van respectievelijk Eurostar Business Club en Freedom Travel Club.

Het voordeel werd genoten doordat van dat inschrijfgeld van de nieuwe leden, naar hetgeen door zo goed als alle betrokkenen wordt verklaard en eveneens blijkt uit de aanvraagformulieren voor het lidmaatschap, telkens een deel toe kwam aan verdachte [verdachte 1] als STMA ('stellvertreder managing director') en MD ('marketing director') en telkens een geringer deel aan de verdachten [verdachte 2], [verdachte 3], [verdachte 4] en [verdachte 5] als MM ('manager'), mits het nieuwe lid tot hun structuur behoorde. Doch ook als senior lid in de Eurostar Business Club of als executive associate in de Freedom Travel Club heeft verdachte evenals zijn mededaders gedeelten van het inschrijfgeld van nieuwe leden verworven, ook als die nieuwe leden door anderen dan henzelf (door juniorpartners die door hen als seniorpartner of associates die door hen als executive associate waren aangeworven) lid waren geworden. Dit gold overigens ook voor andere seniorleden van de Eurostar Business Club en executive associates in de Freedom Travel Club dan verdachte en zijn mededaders.

Dit is gebleken uit de verklaringen van [betrokkene 1]dossier EBC VE01/01], [betrokkene 2] [dossier EBC VE/02/01], [betrokkene 3] [dossier EBC VE/03/01], [betrokkene 4] [dossier EBC VE/04/01], [betrokkene 5]dossier EBC VE/05/01], R. [verd[verdachte 2] [dossier FTC VE/02/06], A. [verdachte 3] [dossier FTC VE/03/04 en VE/03/05], S.J.P. [verdachte 4] [dossier EBC VE/07/01] en R.S. [verdachte 5] [dossier EBC VE/08/01]. Er was dus in de organisatie van de Eurostar Business Club en in die van de Freedom Travel Club weldegelijk sprake van een gelaagde structuur: de piramidestructuur, die het in artikel 1a van de Wet op de kansspelen verboden spel zijn naam geeft.

Door de verdediging is erop gewezen dat het voordeel, dat bestond uit het verkrijgen van premies door het aanwerven van nieuwe leden, slechts één - naar [verdachte 1] heeft betoogd bij de Freedom Travel Club zelfs van geringe omvang - van de voordelen was, die het lidmaatschap van Eurostar en de Freedom Travel Club met zich meebracht.

De rechtbank is van oordeel dat het verwerven van bovengenoemd voordeel juist de hoofdactiviteit van de Eurostar Business Club en de Freedom Travel Club is geweest.

In Eurostar Business bestond er ook nog de mogelijkheid van het volgen van trainingen. Deze waren mede op het verwerven van vaardigheden om nieuwe leden aan te winnen gericht. Daarnaast kon de leden bij Diago goedkoop goud en sieraden inkopen en om deze eventueel weer te verkopen, maar verdachte [verdachte 1] heeft hierover verklaard dat slechts één keer door een partner een gouden kettinkje is besteld [VE/06/04].

De Freedom Travel Club kende de scala aan mogelijkheden om kortingen ter verkrijgen op huishoudelijk artikelen, bij autohuur en autokoop, op reizen en vakanties, maar de leden hebben verklaard hiervan slechts incidenteel gebruik te hebben gemaakt. Ook hier waren de trainingen er mede op gericht vaardigheden te krijgen om nieuwe leden aan te werven. [verdachte 1] heeft ter terechtzitting verklaard dat 60%-70% van betrokkenen om deze voordelen lid van Freedom Travel Club zijn geworden, maar dat komt niet overeen met de verklaringen van de medeverdachten en andere leden in het dossier. De rechtbank is van oordeel dat de activiteiten die tot andere voordelen leidden geen substantieel onderdeel van de Freedom Travel Club zijn geweest, ook al omdat [verdachte 1] zijn stelling niet heeft willen adstrueren door een administratie met betrekking tot die activiteiten te overleggen, hoewel deze, naar hij stelt, wel aanwezig was.

Overigens al zou het zo zijn dat de andere voordelen genoten uit het lidmaatschap van de Eurostar Business Club en de Freedom Travel Club de voordelen die werden behaald met het aanwerven van nieuwe leden verre zouden overtreffen, dan nog is er minstens een gedeeltelijk voordeel behaald door de wijze waarop nieuwe leden werden aangeworven, welke wijze, zoals hierboven betoogd, de kenmerken vertoont van een piramidespel, hetgeen in artikel 1a van de Wet op de kansspelen is verboden.

Met betrekking tot het deskundigenrapport van mr. dr. J.C. van 't Veer

In een brief van april 2001 heeft mr. Knoops melding gemaakt van een voorlopig deskundigenonderzoek door prof. dr. W.A. Wagenaar en verzocht hem als getuige te doen horen (nummer 9 op de lijst) en voorts het onderzoek door de deskundige onder leiding van de rechter-commissaris te laten voortzetten. De vraag, die prof. dr. Wagenaar in zijn voorlopig onderzoek (dat enkel was gebaseerd op twee video-opnames van bijeenkomsten van de Freedom Travel Club) heeft beantwoord, is de vraag of het aanbod van de Freedom Travel Club op speltheoretische gronden een piramidespel zou zijn. In het bovengenoemd rapport komt prof. dr. Wagenaar tot de conclusie dat dit niet vaststaat.

Mr. Knoops heeft er vervolgens van afgezien prof. dr. Wagenaar als getuige te doen horen, maar bij de rechter-commissaris erop aangedrongen prof. dr. Wagenaar als deskundige te benoemen en aan hem ter completering van zijn onderzoek het strafdossier beschikbaar te stellen. Op verzoek van de rechter-commissaris heeft mr. Knoops de aan de deskundige te stellen vraag als volgt geformuleerd: "Zijn de betreffende bijeenkomsten van zowel EBC als FTC aan te merken als een piramidespel in de zin van artikel 1 (A) van de wet op de kansspelen? Zo neen, waarom niet en wat is dan de precieze aard en strekking van de bijeenkomst?".

De rechtbank stelt hierover vast dat het eerste deel van deze vraag, welke vraag ook door prof. dr. Wagenaar in zijn voorlopig deskundigenonderzoek is beantwoord, in de kern een juridische vraag is, namelijk of het handelen in de (Eurostar Business Club en) Freedom Travel Club valt onder de definitie van piramidespel in artikel 1a van de Wet op de Kansspelen. Deze kwalificatievraag dient uiteindelijk door de rechtbank beantwoord te worden.

De rechter-commissaris heeft vervolgens mr. dr. J.C. 't Veer als deskundige benoemd, omdat deze als jurist beter dan een gedragskundige in staat mag worden geacht antwoord te geven op de door de verdediging gestelde juridische vraag. De raadkamer van de rechtbank heeft het bezwaarschrift van mr. Knoops tegen deze beschikking van de rechter-commissaris ongegrond verklaard, omdat prof. dr. Wagenaar reeds een voorlopig standpunt had ingenomen, hetgeen de nieuw te benoemen deskundige meer geschikt maakt om de vraag te beantwoorden.

De rechtbank is van oordeel dat de belangen van de verdediging door deze gang van zaken niet zijn geschonden. De verdediging heeft antwoord gevraagd op een juridische vraag en daarop in het rapport van mr. dr. J.C. van 't Veer antwoord gekregen. Bovendien stond het de verdediging vrij - zij beschikt immers over het hele strafdossier - prof. dr. Wagenaar zijn voorlopig onderzoek te laten voortzetten. Dat onderzoek had immers al op initiatief van de verdediging vooraf aan de eerste terechtzitting een aanvang genomen.

De rechtbank heeft er voorts geen behoefte aan alsnog opdracht tot dat onderzoek van prof. dr. Wagenaar te geven, omdat zij zich in staat acht de bovengenoemde kwalificatievraag te beantwoorden, hetgeen overigens ook haar taak is.

Ten slotte merkt de rechtbank op dat het rapport van mr. dr. J.C. van 't Veer niet kan bijdragen tot de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten, omdat het rapport in wezen een kwalificatievraag beantwoordt en niet meer dan dat.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de feiten heeft begaan zoals is weergegeven op het in dit vonnis opgenomen afgestreepte afschrift van de dagvaarding.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f, 47, 57, 60a en 91 van het Wetboek van Strafrecht;

1, 2, 6 en 87 van de Wet op de economische delicten;

1, 1a, 31 en 45 van de Wet op de Kansspelen.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID.

De eis van de officier van justitie.

Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

Met inachtneming van artikel 6, eerste lid aanhef en onder 4 van de Wet op de economische delicten:

Een geldboete van Euro 45.000,-- subsidiair 1 jaar hechtenis.

De op te leggen straf(fen) en/of maatregel(en).

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank kiest voor een andere strafmodaliteit dan het openbaar ministerie.

Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte binnen EBC en later binnen FTC de spil was, die de activiteiten qua organisatie(vorm) structureerde en de feitelijke leiding had tijdens de evenementen.

Uit wijze waarop wervingsbijeenkomsten en trainingscursussen werden georganiseerd, de aanvragen van introducés werden afgehandeld, de inning van inleggelden en de uitbetaling van gelden was geregeld kan worden afgeleid dat het hier gaat om een bedrijfsmatig geleide organisatie.

Verdachte en zijn mededaders wisten of konden weten dat de activiteiten van EBC en FTC ten koste zouden gaan van de deelnemers en dat van te voren vaststond dat een groot aantal deelnemers verlies zouden kunnen lijden.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de trainingscursussen de nadruk lag op motivatie- en verkooptechnieken. Deze werden tijdens de wervingavonden in een strak geregisseerd voorstelling in de praktijk gebracht.

De overdracht van deze technieken heeft er toe geleid dat juist gemakkelijk beïnvloedbare jonge mensen tot deelname aan het piramidespel werden aangezet, waarvoor een aanmerkelijk deel van de nieuwe leden overgehaald werden tot het afsluiten van een lening -zonder de tijd te hebben de financiële gevolgen te kunnen overzien-, gevolgd door vrijwel directe geldafdracht aan een van de mede-verdachten.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Gelet op het hiervoor overwogene komt de rechtbank tot een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd.

Met betrekking tot de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat een deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd.

De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door deze straf invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van soortgelijk strafbare feiten tegengaan.

Overweging met betrekking tot de op te leggen schademaatregel:

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregelen opleggen nu verdachte jegens de in het dictum slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de strafbare feiten zijn toegebracht aan de benadeelden en de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat daadwerkelijke schadevergoeding aan de benadeelde bevordert.

Aan de maatstaven van burgerlijk recht is voldaan. Indien de vordering jegens meer verdachten is ingediend zal de verplichting tot betaling aan de staat hoofdelijk worden opgelegd.

Gelet op het bepaalde van in artikel 60a van het Wetboek van Strafrecht mag de totale duur van de daarbij opgelegde vervangende hechtenis niet meer dan 1 jaar bedragen. De vervangende hechtenis zal daarom naar rato van het aantal maatregelen worden opgelegd, teneinde die overschrijding te voorkomen.

Overwegingen met betrekking tot de benadeelde partijen:

Een aantal personen hebben zich in de zaken van verdachte en zijn medeverdachten door middel van een voegingsformulier als benadeelde partij gesteld. Ter zitting van 17 april j.l. zijn een aantal van hen in persoon verschenen alsook gemachtigde mr. Van der Zee, namens een groot deel van hen.

Aan de gemachtigde en de verschenen benadeelden is, wegens onduidelijkheid jegens welke verdachte(n) de vorderingen zijn ingediend, ter zitting expliciet gevraagd te verduidelijken tegen welke van de verdachten de vorderingen zijn ingesteld.

Mr. van der Zee heeft expliciet aangegeven dat al de voegingen, gedaan door de benadeelden waarvoor, zij optreedt enkel zijn gedaan in de zaak van de (mede)verdachte [verdachte 1] en derhalve niet in de zaken tegen de overige verdachten.

Van de overige (verschenen) benadeelden hebben dhrn. [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] aangegeven dat zij zich enkel voegen in de zaak tegen de verdachte [verdachte 1]; benadeelden [benadeelde partij 4], [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7] hebben aangegeven dat zij zich wensen te voegen in de zaken van verdachten [verdachte 1], [verd[verdachte 2] en [verdachte 3]; de benadeelde [benadeelde partij 8] ten slotte dat hij zich wenst te voegen in de zaken van [verdachte 1], [verd[verdachte 2], [verdachte 3], [verdachte 4] en [verdachte 5].

Nu uit de voegingsformulieren van de overige benadeelde partijen, die niet zijn verschenen, noch door de gemachtigde zijn bijgestaan, niet blijkt tegen welke verdachte hun vordering is ingediend anders dan tegen de organisator van het piramidespel waaraan zij hebben deelgenomen, zal de rechtbank, bij gebreke van enige nadere gegevens, deze beschouwen als zijnde ingediend alleen in de zaak tegen [verdachte 1], die in alle gevallen als organisator van het spel kan worden aangemerkt.

Met betrekking tot de vordering van [benadeelde partij 9].

De vordering van mw. [benadeelde partij 9] wordt eveneens niet-ontvankelijk verklaard, nu niet is aangegeven wanneer de beweerdelijke deelname zou hebben plaatsgevonden, noch overigens van deelname blijkt.

De door haar geleden schade kan dus niet in verband worden gebracht met de bewezen verklaarde strafbare feiten.

Met betrekking tot de vorderingen van:

[benadeelde partij 10], [benadeelde partij 4], [benadeelde partij 11], [benadeelde partij 12], [benadeelde partij 13], [benadeelde partij 7], [benadeelde partij 6], [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 14], [benadeelde partij 15],

[benadeelde partij 16], [benadeelde partij 17], [benadeelde partij 18], [benadeelde partij 19], [benadeelde partij 20], [benadeelde partij 21], [benadeelde partij 22], [benadeelde partij 23], [benadeelde partij 24], [benadeelde partij 25], [benadeelde partij 26], [benadeelde partij 8], [benadeelde partij 27], [benadeelde partij 28], [benadeelde partij 29] [benadeelde partij 30], [benadeelde partij 31], [benadeelde partij 32], [benadeelde partij 33], [benadeelde partij 34], [benadeelde partij 35], [benadeelde partij 36], [benadeelde partij 37], [benadeelde partij 38] en [benadeelde partij 39].

Deze vorderingen hebben betrekking op piramidespel(en) kennelijk gespeeld buiten de tenlastegelegde periode van mei 1998 tot en met mei 2000. Nu enkel die vorderingen kunnen worden toegewezen die betrekking hebben op bewezen verklaarde feiten (en derhalve niet op piramidespelen buiten die tenlastegelegde en bewezenverklaarde periode gespeeld) dienen deze benadeelden om die redenen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vordering.

Met betrekking tot de overige vorderingen:

De vorderingen betreffen steeds de terugvordering van de door de benadeelde betaalde inleggelden voor deelname aan het piramidespel bij de Eurostar Business Club (EBC), danwel de Freedom Travel Club (FTC), alsook in enkele gevallen aanvullende materiële schadeposten zoals rente, telefoon en kledingkosten, alsook in één geval immateriële schade. Daarnaast wordt in de zaken waar mr. Van der Zee optreedt als gemachtigde als proceskosten steeds euro fl. 112,50 gevorderd.

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat onduidelijk is in welke mate er sprake is van mede- of eigenschuld aan de zijde van de benadeelde, nu zij steeds hebben deelgenomen aan een piramidespel, welke deelname alleen al strafbaar is en voorts niet duidelijk is of en in welke mate de benadeelden/deelnemers (een deel van de inleg) hebben terugverdiend door zelf nieuwe deelnemers te werven.

De rechtbank acht de vorderingen wel eenvoudig van aard. Zoals reeds in enkele civiele procedures is uitgemaakt, kan het handelen van verdachte jegens de benadeelde als onrechtmatig worden aangemerkt, nu hij hen daarmee de gelegenheid geeft aan een verboden spel deel te nemen en dit reeds onrechtmatig is jegens hem.

Daarbij is van belang dat het oogmerk van de wetgever bij het verbieden van piramidespelen via de Wet op de Kansspelen is het expliciet beschermen van potentiële deelnemers daaraan (door het voorkomen van het houden van piramidespelen), nu het een ervaringsfeit is dat vele van hen daarbij grote schulden aangaan welke zij niet meer terug kunnen verdienen waardoor op grote schaal economische schade en onrust wordt veroorzaakt. Op dit punt is er door de verdediging overigens ook geen enkel verweer gevoerd (anders dan dat er geen sprake is van een piramidespel).

Uit de verschillende aangiften blijkt dat verdachte en zijn mededaders daarbij steeds grote moeite hebben gedaan de benadeelden ervan te overtuigen dat er geen sprake was van een piramidespel en dat deelname legaal was. Vele aangevers en benadeelden geven voorts aan dat zij eerst onder druk lid zijn geworden en dat zij na het lid worden (en na betaling) eerst inzagen, waaraan zij deelnamen alsook welke moeite het hen zou kosten de hoge inleggelden terug te verdienen, en dat zij voorts ook niet in de gelegenheid zijn gesteld op hun beslissing terug te komen. Van eigen schuld of medeschuld in die zin dat aan de volledige aansprakelijkheid van verdachte in de weg kan staan is dan ook geen sprake. Voorzover door de verdediging op dit punt verweer is gevoerd wordt dit dan ook verworpen.

Beoordeling van de vorderingen.

Van de (hiervoor genoemde) gestelde schadeposten acht de rechtbank alleen die voor toewijzing vatbaar die rechtstreeks het gevolg zijn van deelname aan het piramidespel door de benadeelde zelf, namelijk de gemaakte inschrijfkosten ad euro 2695,50 bij deelname aan de EBC en euro 3318,97 bij deelname aan de FTC, min eventueel reeds aan hen terugbetaalde bedragen.

Hoewel niet alle benadeelden betalingsbewijzen hebben overgelegd, is op dit punt geen inhoudelijk verweer gevoerd zodat de rechtbank die betalingen als onbetwist aanneemt.

Indien de vordering jegens meer verdachten is ingediend zal de verplichting tot betaling aan de benadeelde hoofdelijk worden opgelegd.

Alle overige gevorderde posten komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat, voorzover het telefoonkosten, entreekosten en reiskosten betreft, er geen sprake is van kosten die noodzakelijkerwijs gemaakt dienden te worden voor deelnamen aan het piramidespel. De aangeschafte gsm-telefoons en kleding kunnen niet als zodanig aangemerkt worden (en zijn overigens nog in bezit van de benadeelden zodat ook in die zin geen sprake is van enige schade), rente op leningen (afgesloten om het inschrijfgeld te kunnen betalen) kan evenmin als schade kan worden aangemerkt nu dit in een te ver verband staat met het schadeveroorzakend feit, en ten slotte, is er geen sprake van dusdanig leed dat deze voor vergoeding van immateriële schade in aanmerking komt.

De gevorderde proces-kosten worden steeds toegewezen ad euro 112,50, voorzover het de vorderingen betreft waarbij bijstand is verleend door mr. Van der Zee.

In hoeverre elke vordering, en op welke onderdelen, zal worden toegewezen dan wel afgewezen, zal in het dictum worden vermeld voor elke benadeelde afzonderlijk.

Door mr. Van der Zee is ter zitting nog aangegeven dat de benadeelden [benadeelde partij 40], [benadeelde partij 41], [benadeelde partij 42] en [benadeelde partij 43] reeds bij de kantonrechter (civiel) tegen [verdachte 1] hebben geprocedeerd en dat zij hun vorderingen daar toegewezen hebben gekregen. Deze vonnissen zijn evenwel nog niet onherroepelijk nu [verdachte 1] daartegen hoger beroep heeft ingesteld en ondertussen in persoon failliet is verklaard. Deze benadeelden handhaven hun voeging en wensen, daarnaast, dat daarbij de schade- vergoedingsmaatregel wordt opgelegd. Hetzelfde geldt benadeelde [benadeelde partij 44], nu uit de door hem overgelegde stukken blijkt dat ook hij reeds in een civiele procedure jegens [verdachte 1] in het gelijk is gesteld.

De rechtbank zal deze vijf benadeelden in hun vorderingen, nu zij reeds een civiele titel tot terugbetaling hebben, niet-ontvankelijk verklaren, maar wel zal steeds (ter hoogte van het in onderhavige vorderingen aangegeven bedrag) de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd teneinde vergoeding van de schade door verdachte te bevorderen.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het feit dat verdachte [verdachte 1] failliet is verklaard, maar is van oordeel dat dit faillissement er niet aan in de weg staat dat [verdachte 1] op enig tijdstip in staat moet worden geacht tot betaling over te gaan.

Aan verdachte worden meerdere wijzen van vergoeding van dezelfde schade opgelegd. In verband hiermee zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde zal zijn gekweten tot het bedrag waarvoor verdachte en of zijn mededader heeft voldaan aan een van de hiervoor genoemde wijzen van schadevergoeding.

DE UITSPRAAK

Verklaart het onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezen, zoals hiervoor omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen onder 1 en 2 verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven -telkens-:

Medeplegen van: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 1 onder a van de Wet op de Kansspelen, meermalen gepleegd.

(artikel 1 aanhef en onder a van de Wet op de Kansspelen juncto artikel 1a van genoemde Wet)

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en):

Een gevangenisstraf voor de tijd van 18 maanden.

Beveelt dat een deel van deze gevangenisstraf groot 6 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt bepaald op twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt, dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.

De rechtbank gelast de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan

[verdachte] [adres] [woonplaats].

Legt aan verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers:

-[benadeelde partij 45],

van een bedrag van Euro 2808,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen;

- [benadeelde partij 1],

van een bedrag van Euro 1739,25

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen;

-. [benadeelde partij 2],

van een bedrag van Euro 1350,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen;

-[benadeelde partij 46]

van een bedrag van Euro 2808,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

-[benadeelde partij 47]

van een bedrag van Euro 2808,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

-hoofdelijk-[benadeelde partij 5]

van een bedrag van Euro 3465,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

-[benadeelde partij 48],

van een bedrag van Euro 3465,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

-[benadeelde partij 49],

van een bedrag van Euro 3465,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

[benadeelde partij 50], ;

van een bedrag van Euro 3465,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

[benadeelde partij 44],

van een bedrag van Euro 2808,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

-[benadeelde partij 51],

van een bedrag van Euro 2808,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

-. [benadeelde partij 43],

van een bedrag van Euro 2808,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

-. [benadeelde partij 41],

van een bedrag van Euro 2808,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

alsmede:

-[benadeelde partij 52]

van een bedrag van Euro 3465,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

-[benadeelde partij 53],

van een bedrag van Euro 3465,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

-[benadeelde partij 54],

van een bedrag van Euro 3465,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

-[benadeelde partij 55],

van een bedrag van Euro 2808,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

-[benadeelde partij 56],

van een bedrag van Euro 2290,50

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

-. [benadeelde partij 40],

van een bedrag van euro 2808,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

-[benadeelde partij 57],

van een bedrag van euro 3465,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

-[benadeelde partij 58], ;

van een bedrag van Euro 3465,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

-[benadeelde partij 59],

van een bedrag van Euro 3465,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

-[benadeelde partij 60],

van een bedrag van Euro 2808,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

-[benadeelde partij 61],

van een bedrag van Euro 2808,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

-[benadeelde partij 62],

van een bedrag van Euro 2808,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

-[benadeelde partij 63],

van een bedrag van Euro 2808,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

-[benadeelde partij 64],

van een bedrag van Euro 2808,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

-[benadeelde partij 65]

van een bedrag van Euro 2808,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

-[benadeelde partij 66],

van een bedrag van Euro 2808,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

-[benadeelde partij 67],

van een bedrag van Euro 2808,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

{benadeelde partij 42],

van een bedrag van Euro 2808,--

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen.

Verdachte is niet gehouden tot betaling aan de Staat voorzover het betreft de vordering van

[benadeelde partij 5] door een van zijn mededaders is voldaan.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen:

Bepaalt -telkens- dat de benadeelde partij genaamd:

[benadeelde partij 8],

[benadeelde partij 9],

[benadeelde partij 10],

[benadeelde partij 11]

[benadeelde partij 4],

[benadeelde partij 12],

[benadeelde partij 13],

[benadeelde partij 7],

[benadeelde partij 6],

[benadeelde partij 3],

benadeelde partij 14],

[benadeelde partij 15],

[benadeelde partij 16],

[benadeelde partij 17],

[benadeelde partij 18],

[benadeelde partij 19],

[benadeelde partij 20],

[benadeelde partij 21],

[benadeelde partij 22],

[benadeelde partij 23],

[benadeelde partij 24],

[benadeelde partij 25],

[benadeelde partij 26],

[benadeelde partij 27],

[benadeelde partij 28],

[benadeelde partij 29]

[benadeelde partij 30],

[benadeelde partij 31],

[benadeelde partij 33],

[benadeelde partij 34], .

[benadeelde partij 35], ;

[benadeelde partij 36],

[benadeelde partij 37],

[benadeelde partij 38],

[benadeelde partij 39],

[benadeelde partij 43],

[benadeelde partij 40],

[benadeelde partij 42], ;

[benadeelde partij 41],

[benadeelde partij 44],

niet ontvankelijk is in haar vordering.

Verwijst genoemde benadeelde partijen in de kosten door de verdachte gemaakt en nog te maken en door de rechtbank tot op deze uitspraak bepaald op nihil.

Wijst toe de vordering van de hieronder -telkens- te noemen benadeelde partij tot het -telkens- daarbij vermelde bedrag:

-[benadeelde partij 45],, toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag van

Euro 2808,--;

- [benadeelde partij 1], toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag van

Euro 1739,25;

Met afwijzing van het meer of anders verzochte.

- [benadeelde partij 2], toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag van

Euro 1350,--;

-[benadeelde partij 46] , toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag van

Euro 2808,--;

Met afwijzing van het meer of anders verzochte.

-[benadeelde partij 47], toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag van

Euro 2808,--;

-hoofdelijk-[benadeelde partij 5] , toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag van

Euro 3465,--;

Met afwijzing van het meer of anders verzochte.

-[benadeelde partij 48],, toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag van

Euro 3465,-

--;

Met afwijzing van het meer of anders verzochte.

-[benadeelde partij 49], toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag van

Euro 3465,--;

Met afwijzing van het meer of anders verzochte.

[benadeelde partij 50], toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag van

Euro 3465,--;

-[benadeelde partij 51],, toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag van

Euro 2808,--.

Met afwijzing van het meer of anders verzochte;

alsmede:

-[benadeelde partij 52] , toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag van

Euro 3465,--;

-[benadeelde partij 53],, toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag van

Euro 3465,--.

Met afwijzing van het meer of anders verzochte;

-[benadeelde partij 54],, toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag van

Euro 3465,--;

-[benadeelde partij 55],, toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag van

Euro 2808,--;

-[benadeelde partij 56],, toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag van

Euro 2290,50;

-[benadeelde partij 57],, toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag van

Euro 3465,--;

-[benadeelde partij 58],, toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag van

Euro 3465,--.

Met afwijzing van het meer of anders verzochte;

-[benadeelde partij 59],, toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag van

Euro 3465,--;

-[benadeelde partij 60],, toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag van

Euro 2808,--;

-[benadeelde partij 61],, toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag van

Euro 2808,--;

-[benadeelde partij 62],, toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag van

Euro 2808,--;

-[benadeelde partij 63],, toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag van

Euro 2808,--;

-[benadeelde partij 64],, toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag van

Euro 2808.--;

-[benadeelde partij 65] , toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag van

Euro 2808,--;

-[benadeelde partij 66],, toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag

Euro 2808,--;

-[benadeelde partij 67],, toe en veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij van een bedrag

Euro 2808,--;

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van het geding, door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Met betrekking tot de vordering van [benadeelde partij 5] , is verdachte niet gehouden tot betaling van genoemd bedrag aan [benadeelde partij 5] voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededaders is vergoed.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde gekweten tot het bedrag waarvoor verdachte en/of (een van) zijn mededaders heeft voldaan aan een van de hiervoor opgelegde wijzen van vergoeding van de schade.

Dit vonnis is gewezen door,

mr. Bruggink, voorzitter,

mr. Boerma en mr. Droesen, leden,

in tegenwoordigheid van dhr. Vorstenbosch, griffier

en is uitgesproken op 1 mei 2002.

Parketnummer 01/071235-00 paginanummer .18

Verkort vonnis inzake [verdachte]

-------------------------------------------------------------------------------

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij in periode 29 mei 1998 tot en met 30 september 1999 te Geldrop en/of Tiel

en/of Nuland, gemeente Maasdonk en/of elders in Nederland tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk

door middel van een piramidespel, genaamd Eurostar Business Club, zijnde een

piramidespel als omschreven in artikel 1a lid 2 van de Wet op de kansspelen,

gelegenheid heeft gegeven aan (personen uit) het publiek om mede te dingen

naar prijzen en/of premies, waarbij de aanwijzing der winnaar geschiedde door

enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende

invloed konden uitoefenen, zonder dat daarvoor een vergunning ingevolge

voornoemde wet was verleend;

(artikel 1, onder a Wet op de Kansspelen)

2.

hij in periode 1 oktober 1999 tot en met 28 mei 2000 te Nuland, gemeente

Maasdonk, en/of Zuilichem, gemeente Zaltbommel en/of IJmuiden, gemeente Velsen

en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, al dan niet opzettelijk door middel van een piramidespel,

genaamd Freedom Travel Club, zijnde een piramidespel als omschreven in artikel

1a lid 2 van de Wet op de kansspelen, gelegenheid heeft gegeven aan (personen

uit) het publiek om mede te dingen naar prijzen en/of premies, waarbij de

aanwijzing der winnaar geschiedde door enige kansbepaling waarop de deelnemers

in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen, zonder dat

daarvoor een vergunning ingevolge voornoemde wet was verleend,

(artikel 1, onder a Wet op de Kansspelen)

Bewezenverklaring

1.

hij in periode 29 mei 1998 tot en met 30 september 1999 te Geldrop en Tiel

en Nuland, gemeente Maasdonk tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk

door middel van een piramidespel, genaamd Eurostar Business Club, zijnde een

piramidespel als omschreven in artikel 1a lid 2 van de Wet op de kansspelen,

gelegenheid heeft gegeven aan (personen uit) het publiek om mede te dingen

naar premies, waarbij de aanwijzing der winnaar geschiedde door

enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende

invloed konden uitoefenen, zonder dat daarvoor een vergunning ingevolge

voornoemde wet was verleend;

2.

hij in periode 1 oktober 1999 tot en met 28 mei 2000 te Nuland, gemeente

Maasdonk, en Zuilichem, gemeente Zaltbommel en IJmuiden, gemeente Velsen

en elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk door middel van een piramidespel, genaamd Freedom Travel Club,

zijnde een piramidespel als omschreven in artikel

1a lid 2 van de Wet op de kansspelen, gelegenheid heeft gegeven aan (personen

uit) het publiek om mede te dingen naar prijzen en/of premies, waarbij de

aanwijzing der winnaar geschiedde door enige kansbepaling waarop de deelnemers

in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen, zonder dat

daarvoor een vergunning ingevolge voornoemde wet was verleend,