Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2002:AE0794

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-03-2002
Datum publicatie
28-03-2002
Zaaknummer
01.025081.00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/025081-00

Uitspraakdatum: 28 maart 2002

V E R K O R T V O N N I S

Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans

preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring te Grave.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

14 maart 2002.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 november 2001.

Een afschrift van de dagvaarding is aan dit vonnis gehecht.

De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 14 maart 2002 gewijzigd. Van deze vordering is eveneens een fotokopie aan dit vonnis gehecht.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken. Meer in het bijzonder acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewezen dat in casu sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

op 5 april 2000 te Eindhoven opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes in de keel/hals van die [slachtoffer] gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Overweging ten aanzien van de bewezenverklaring.

De rechtbank is op grond van -onder meer- de volgende feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, tot een bewezenverklaring gekomen van het subsidiair tenlastegelegde feit.

- Verdachte is op 5 april 2000 om 13.41.11 uur aangekomen bij het Catharinaziekenhuis te Eindhoven en naar binnengegaan, blijkens de door de bewakingscamera's van voornoemd ziekenhuis gemaakte videobeelden (paragraaf 2.9.B.2.B, p. 4) en de verklaring van [getuige 1] (p. 239);

- Verdachte heeft op 5 april 2000 om 13.47.40 uur het Catharinaziekenhuis te Eindhoven verlaten, blijkens de door de bewakingscamera's van voornoemd ziekenhuis gemaakte videobeelden (paragraaf 2.9.B.2.B., p. 6);

- Verdachte was aanwezig in de rouwkamer van het Catharinaziekenhuis te Eindhoven, alwaar zijn broer [broer verdachte] lag opgebaard, onder andere blijkens de verklaring van [getuige 1] (p. 239 e.v) en de verklaring van [getuige 2] (p. 1[slachtoffer]- [slachtoffer] is tengevolge van een snijverwonding aan de hals, toegebracht met een scherp voorwerp, bijvoorbeeld een mes, overleden op 5 april 2000 omstreeks 14.00 uur, blijkens het rapport opgemaakt door G. van Ingen, arts en patholoog, d.d. 20 april 2000 (p. 54-60);

- Verdachte kwam de rouwkamer uitgerend, nadat er gegil had geklonken en nadat -naar later bleek- de ke[slachtoffer]n [slachtoffer] was doorgesneden, blijkens de verklaring van -onder meer- de mortuariumbeheerder [getuige 3] (p. 332), de verklaring van neuroloog [neuroloog 1] (p. 343-345) en de verklaring van neuroloog [neuroloog 2] (p. 363-369);

- Verdachte erkent bij de politie op 25 september 2001 omstreeks 16.03 uur dat hij [slachtoffer] om het leven heeft gebracht met een mes en dat hem in een droom werd verteld dat [slachtoffer] degene was die [broer verdachte] had doodgeschoten (paragraaf 2.12.7.B, p. 1-2); verdachte bevestigt zijn verklaring van 25 september 2001 omstreeks 16.03 uur in zijn verklaring bij de rechter-commissaris op 26 september 2001 omstreeks 11.15 uur, verdachte heeft bij de rechter-commissaris op 11 december 2001, omstreeks 10.45, verklaard dat hij in de hal van het ziekenhuis [slachtoffer] was tegengekomen, dat ze samen naar het mortuarium, waar [broer verdachte] lag opgebaard, zijn gelopen, dat hij van zijn broer [broer verdachte] in een droom had gehoord dat [slachtoffer] hem vermoord had, en dat hij die dag een uitklapbaar mes bij zich had.

De rechtbank acht het door de politie opgemaakte proces-verbaal en de daarin vastgelegde verklaring van verdachte d.d. 25 september 2001, omstreeks 16.03 uur (paragraaf 2.12.7.B, p. 1-2), betrouwbaar gelet op de gedetailleerdheid van de verklaring, het feit dat deze verklaring door verdachte is ondertekend en gelet op het feit dat verdachte deze verklaring bevestigt bij de rechter-commissaris d.d. 26 september 2001.

De rechtbank acht ook de verklaringen van [getuige 1] voldoende betrouwbaar ondanks dat deze getuige bekend staat als drugsgebruikster, omdat [getuige 1] diverse verklaringen heeft afgelegd bij de politie en later ook bij de rechter-commissaris die in essentie gelijkluidend zijn.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 27, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID.

De eis van de officier van justitie.

- Bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde;

- Een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaar, met aftrek conform het gestelde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De op te leggen straf(fen) en/of maatregel(en).

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Daarbij zijn de volgende omstandigheden ten bezware van verdachte gebleken:

- het door verdachte gepleegde strafbare feit heeft grote onrust veroorzaakt in de (plaatselijke) gemeenschap;

- verdachte heeft het slachtoffer, [slachtoffer], op gruwelijke wijze om het leven gebracht.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank anderzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheid die tot matiging van de straf heeft geleid:

- uit het hierna te bespreken rapport van dr. J. Zandbergen, psychiater d.d. 16 januari 2002 omtrent de geestvermogens van verdachte blijkt, dat het door verdachte gepleegde strafbare feit hem in verminderde mate kan worden toegerekend.

De in dit rapport vermelde conclusie luidt:

(inhoud rapport ...) komt ondergetekende tot het advies om betrokkene met betrekking tot het tenlastegelegde (...) te beschouwen als zijnde geweest verminderd toerekeningsvatbaar"

De rechtbank neemt deze conclusie en de gronden waarop zij berust over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair tenlastegelegde bewezen, zoals hiervoor omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Doodslag

(artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht)

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf:

Een gevangenisstraf voor de tijd van 9 jaar.

Beveelt, dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door,

mr. Kobussen, voorzitter,

mr. Van Eldonk en mr. Kooijmans-De Kort, leden,

in tegenwoordigheid van mr. Lubbers, griffier

en is uitgesproken op 28 maart 2002.

_______________________________________________________________________________

De tenlastelegging:

hij op of omstreeks 05 april 2000 te Eindhoven tesamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben/heeft verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de keel/hals van die van [slachtoffer] gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is

overleden;

[artikel 289 Wetbooek van Strafrecht]

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 april 2000 te Eindhoven tesamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben/heeft verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet met een mes,

althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de keel/hals van die van [slachtoffer] gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

[artikel 287 Wetboek van Strafrecht]

[-]