Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2001:AD8223

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-12-2001
Datum publicatie
29-01-2002
Zaaknummer
AWB 00/7093 TW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij beoordeling recht op toeslag terecht nabetaalde WW-uitkering van echtgenote meegerekend.

De door eisers echtgenote ontvangen WW-uitkering over de periode van 11 december 1999 t/m 23 mei 2000 is een loondervingsuitkering in de zin van de TW. Bij de beoordeling van de vraag in welk betalingstijdvak als bedoeld in art. 8, eerste lid van het Inkomensbesluit die WW-uitkering is verworven, moet in beginsel worden uitgegaan van het tijdvak waarin dat inkomen daadwerkelijk is verkregen. De toepassing van dit uitgangspunt leidt in het onderhavig geval evenwel tot een onredelijk resultaat omdat het bij de op 5 juni 2000 ontvangen betaling om niet meer ging dan een nabetaling van WW-uitkering, die onmiskenbaar betrekking heeft op de voorliggende periode, waaronder de maanden maart, april en mei 2000.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de beoordeling van eisers recht op toeslag over die maanden terecht de WW-uitkering van zijn echtgenote heeft meegerekend.

Aan dit oordeel kan niet afdoen dat vanwege een ophanden zijnde echtscheiding de op 5 juni 2000 nabetaalde WW-uitkering niet ten goede is gekomen aan het gemeenschappelijk huishouden van eiser en zijn echtgenote, reeds omdat zij in de in dit geding relevante periode van maart tot en met mei 2000 nog gehuwd waren en in het kader van de TW als echtgenoten moesten worden beschouwd.

Evenmin kan de rechtbank in het kader van de onderhavige beoordeling relevante betekenis toekennen aan de omstandigheid dat de WW-uitkering op eisers rekening is gestort en inmiddels van hem is teruggevorderd.

Het Lisv, verweerder.

mr. H.M.H. de Koning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-HERTOGENBOSCH

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

AWB 00/7093 TW

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde mr. M. de Goey,

en

het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gevestigd te Amsterdam, verweerder,

in dezen vertegenwoordigd door GAK Nederland b.v..

gemachtigde mr. M.F.F. Adriaans.

I. PROCESVERLOOP

Naar aanleiding van een door eiser ingediende aanvraag heeft verweerder bij besluit van 9 juni 2000 aan eiser medegedeeld dat hem een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) wordt geweigerd.

Namens eiser is bezwaar gemaakt tegen dat besluit.

Bij besluit van 19 september 2000 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard onder handhaving van het eerder ingenomen standpunt.

Tegen dit besluit is op de bij het beroepschrift aangegeven gronden namens eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 november 2001, waar namens eiser diens gemachtigde is verschenen en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit van 19 september 2000 in rechte stand kan houden.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank bij zijn oordeelsvorming uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden.

Aan eiser is een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheid toegekend. Op 11 april 2000 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een toeslag ingevolge de TW. Op het aanvraagformulier heeft eiser aangegeven dat hij gehuwd is en dat zijn echtgenote geen inkomsten uit arbeid of een uitkering ontvangt. Op 5 juni 2000 is op eisers bankrekening een bedrag van f 5.596,66 bijgeschreven, welk bedrag betrekking heeft op de nabetaling van de aan eisers echtgenote toegekende en door haar in december 1999 aangevraagde WW-uitkering over de periode van 11 december 1999 tot en met 23 mei 2000.

Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser over de maanden maart, april en mei 2000 geen recht op toeslag heeft omdat zijn echtgenote over die periode een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) heeft genoten. Ingevolge het bepaalde in artikel 7 van het Inkomensbesluit Toeslagenwet (Stb. 1986, 659, laatstelijk gewijzigd bij KB van 17 augustus 1998, Stb. 1998, 523, hierna: Inkomensbesluit) valt deze uitkering onder het begrip inkomen. Bij de beoordeling van het recht op toeslag heeft verweerder ter bepaling van het inkomen per dag rekening gehouden met zowel het inkomen van eiser als dat van van zijn echtgenote, vastgesteld op f 98,08, respectievelijk op f 89,96 per dag. De som van beide inkomens ligt niet onder het minimumloon van f 110,63 per dag, zodat eiser niet voor een toeslag in aanmerking komt.

Namens eiser is in beroep gesteld dat verweerder bij het bestreden besluit ten onrechte de WW-uitkering van eisers echtgenote heeft meegerekend ter beoordeling van het recht op toeslag over de in aanmerking te nemen periode.

Daartoe is aangevoerd dat aan eisers echtgenote weliswaar een WW-uitkering is toegekend over de periode ingaande 11 december 1999 tot en met 23 mei 2000, maar dat deze uitkering eerst op 5 juni 2000 is betaald. Ten tijde van die nabetaling waren eiser en zijn echtgenote in een echtscheiding verwikkeld; sinds 9 mei 2000 waren ze feitelijk al uit elkaar en tevens hielden ze een aparte financiële huishouding. De op 5 juni 2000 nabetaalde uitkering is derhalve niet ten goede gekomen aan het gemeenschappelijke huishouden van eiser en zijn echtgenote. Voorts is aangevoerd dat de WW-uitkering van eisers echtgenote abusievelijk op eisers rekening is gestort en dat eiser het verzoek heeft gekregen het betaalde bedrag terug te storten op de rekening van de betreffende uitvoeringsinstelling.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de TW heeft recht op een toeslag de gehuwde die recht heeft op loondervingsuitkering en die per dag een inkomen heeft dat lager is dan het minimumloon.

Artikel 6, eerste lid, onder a, van de TW bepaalt dat als inkomen wordt aangemerkt voor een gehuwde de som van het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven van hemzelf en van zijn echtgenoot.

Artikel 6, tweede lid van de TW regelt dat bij algemene maatregel van bestuur nadere en zonodig afwijkende regels gesteld kunnen worden met betrekking tot het inkomen.

Artikel 7, eerste lid, onder a van het Inkomensbesluit bepaalt dat onder inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven wordt verstaan een loondervingsuitkering in de zin van de TW alsmede een uitkering die naar aard en strekking daarmede overeenkomt.

Artikel 8, eerste lid, van het Inkomensbesluit bepaalt dat het inkomen uit of in verband met arbeid wordt vastgesteld op het tot een bedrag per dag herleide inkomen, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 7, dat degene, die aanspraak maakt op een toeslag, en zijn echtgenoot verwerven in het betalingstijdvak, waarover de loondervingsuitkering wordt uitbetaald.

De door eisers echtgenote ontvangen WW-uitkering is een loondervingsuitkering in de zin van de TW. Bij de beantwoording van de vraag in welk betalingstijdvak als bedoeld in artikel 8, eerste lid van het Inkomensbesluit die WW-uitkering is verworven, moet in beginsel worden uitgegaan van het tijdvak waarin dat inkomen daadwerkelijk is verkregen. De toepassing van dit uitgangspunt leidt in het onderhavige geval evenwel tot een onredelijk resultaat, omdat het bij de op 5 juni 2000 ontvangen betaling om niet meer ging dan een nabetaling van WW-uitkering, die onmiskenbaar betrekking heeft op de voorliggende periode, waaronder de maanden maart, april en mei 2000. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de beoordeling van eisers recht op toeslag over die maanden terecht de WW-uitkering van zijn echtgenote heeft meegerekend.

Aan dat oordeel kan niet afdoen dat, zoals namens eiser is gesteld, de op 5 juni 2000 nabetaalde WW-uitkering niet ten goede is gekomen aan het gemeenschappelijke huishouden van eiser en zijn echtgenote, reeds omdat zij in de in dit geding relevante periode van maart tot en met mei 2000 nog gehuwd waren en in het kader van de TW als echtgenoten moesten worden beschouwd.

Evenmin kan de rechtbank in het kader van de onderhavige beoordeling relevante betekenis toekennen aan de omstandigheid dat de WW-uitkering op eisers rekening is gestort en inmiddels van hem is teruggevorderd.

Uit het voorgaande vloeit voort dat eisers beroep niet kan slagen en voor ongegrond moet worden gehouden.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. H.M.H. de Koning als rechter in tegenwoordigheid van

N. 't Lam als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 december 2001.

Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden: