Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2001:AD7547

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-12-2001
Datum publicatie
21-12-2001
Zaaknummer
01/511
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Nu in de kennisgeving van niet verdere vervolging is aangegeven dat fiscale afdoening prevaleert en de oplegging van een bestuurlijke boete niet kan worden aangemerkt als een voortzetting van de strafprocedure, is door genoemde kennisgeving de zaak geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel dan wel zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en kan derhalve aan verzoekster een vergoeding worden toegekend in de kosten van een raadsman.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2002, p. 29 (nr.3)
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

DE ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-HERTOGENBOSCH

Kenmerk: 01/511

Parketnummer: 01/089077/98

BESLISSING EX ARTIKEL 591(a) VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Deze beslissing betreft een op 7 juli 2000 ter griffie van deze rechtbank ingediend verzoekschrift, als bedoeld in artikel 591a, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, van:

[verdachte]

gevestigd te [vestigingsplaats]

Inleiding

De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, de aanvullingen daarop en de met het verzoekschrift verband houdende correspondentie tussen de raadsman van verzoekster en de officier van justitie, alsmede van het strafdossier met bovenvermeld parketnummer.

Verzoekster werd verdacht van -kort gezegd- valsheid in geschrift ten aanzien van één of meer bedrijfsadministraties in de periode van 1 januari 1992 tot en met 17 december 1998 en het opzettelijk doen van onjuiste aangiften vennootschapsbelasting in de periode van 1 januari 1992 tot en met 2 oktober 1997.

Tegen verzoekster is onder bovenvermeld parketnummer een gerechtelijk vooronderzoek gestart.

Bij kennisgeving van 30 mei 2000 heeft de officier van justitie aan verzoekster medegedeeld haar niet verder te zullen vervolgen omdat "fiscale afdoening prevaleert".

Verzoekster stelt dat de tegen haar aanhangig gemaakte strafzaak daarmee is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en heeft verzocht haar op grond van artikel 591(a) van het Wetboek van Strafvordering een vergoeding toe te kennen voor rechtskundige bijstand.

Het verzoekschrift is behandeld in raadkamer op 2 februari 2001. Op die datum is het onderzoek geschorst teneinde de raadsman van verzoekster in de gelegenheid te stellen te reageren op het standpunt van de officier van justitie en voor dupliek van de officier van justitie.

Op 10 augustus 2001 is het onderzoek hervat. Vervolgens heeft de raadkamer bij tussenbeslissing van 24 augustus 2001 de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Op 15 november 2001 is het onderzoek in raadkamer voortgezet. Bij die gelegenheid heeft de raadsman het verzoek nogmaals toegelicht en opgemerkt, dat in de zaken tegen verzoekster en haar directeuren slechts éénmaal declaraties zijn ingediend en verzoekster deze declaraties zal voldoen.

De officier van justitie heeft daarop kenbaar gemaakt dat het niet de bedoeling van het openbaar ministerie is (geweest) dat, na de kennisgeving van niet verdere vervolging van 30 mei 2000, de strafzaak terugkomt bij de officier van justitie.

Van het verhoor in raadkamer is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

De beoordeling

Het verzoekschrift is tijdig ingediend, immers binnen drie maanden na verzending van de kennisgeving niet verder vervolging.

De officier van justitie heeft zich in een schrijven van 21 september 2001 op het standpunt gesteld dat, gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad, het strafkarakter van de fiscale verhoging met zich meebrengt dat het opleggen van een dergelijke verhoging moet worden aangemerkt als het instellen van een strafvervolging in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Zulks brengt met zich mee dat overdracht van een strafzaak aan het bestuur van 's Rijks belastingen slechts leidt tot beëindiging van de zaak voor de strafrechter, maar onverlet laat de reactie van het bestuur van 's Rijks belastingen, welke reactie moet worden gekwalificeerd als 'het instellen van strafvervolging'. Derhalve is geen sprake van het eindigen van de zaak in de zin van artikel 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering.

Ter zitting is door de raadsman het standpunt ingenomen dat, gezien de vermelding 'fiscale afdoening prevaleert', de officier van justitie het oog heeft gehad op de bestuurlijke boete-procedure. Hoewel op deze procedure weliswaar artikel 6 EVRM van toepassing is, gaat het daarbij niet om een strafrechtelijke, maar om een administratieve procedure. De 'zaak' als bedoeld in artikel 591/591a van het Wetboek van Strafvordering is door het sepot dan ook beëindigd.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt:

Artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat een vergoeding in de kosten van een raadsman kan worden toegekend indien de zaak eindigt zonder oplegging van een straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Van de officier van justitie is op 30 mei 2000 een kennisgeving van niet verdere vervolging aan [verdachte] uitgegaan met de vermelding dat 'fiscale afdoening prevaleert'.

Artikel 246 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat, behoudens enkele hier niet ter zake doende uitzonderingen, door een kennisgeving van niet verdere vervolging de zaak eindigt. Uitgangspunt dient te zijn dat, nu na een kennisgeving van niet verdere vervolging de zaak eindigt zonder oplegging van een straf of maatregel of zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, de gewezen verdachte na een dergelijke kennisgeving voor een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering in aanmerking komt.

De vraag moet worden beantwoord of door de vermelding in de kennisgeving van niet verdere vervolging dat 'fiscale afdoening prevaleert' op bovengenoemd uitgangspunt een uitzondering dient te worden gemaakt en de zaak niet mag worden beschouwd als te zijn geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel, omdat het opleggen van een bestuurlijke boete (destijds nog omschreven als verhoging van de verschuldigde belasting) moet worden aangemerkt als het instellen van een strafvervolging in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM (HR 19 juni 1985, NJ 1986, 104).

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt:

De artikelen 591 en 591a zijn opgenomen in het Vijfde Boek van het Wetboek van Strafvordering, Tenuitvoerlegging en kosten, en vormen daarmee het sluitstuk van de in het Wetboek van Strafvordering neergelegde strafprocedure. Dat wil zeggen dat door de plaatsing in het Wetboek van Strafvordering de regeling inzake de tenuitvoerlegging en kosten wordt gekoppeld aan en beperkt tot de daaraan voorafgaande wettelijk omschreven strafprocedure. Dat het opleggen van een bestuurlijke boete moet worden aangemerkt als "a criminal charge" in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM doet hier niet aan af. Het gaat daarbij immers om de toepasselijkheid van de in artikel 6 EVRM neergelegde waarborgen, welke waarborgen derhalve doorwerken bij de oplegging van een bestuurlijke boete. Dat bij oplegging van een bestuurlijke boete sprake is van "a criminal charge" brengt evenwel niet met zich mee dat op zodanige oplegging de regels en/of beginselen van het nationale strafrecht van toepassing zijn, aldus de Hoge Raad in een arrest van 7 september 1988, BNB 1988/298. Uitgangspunt is dan ook dat de strafvorderlijke en de bestuurlijke procedures moeten worden gezien als twee afzonderlijke en van elkaar te onderscheiden procedures. Dit blijkt onder meer ook uit de in de Algemene wet inzake rijksbelastingen neergelegde keuze die moet worden gemaakt tussen -kort gezegd- een strafrechtelijke of een bestuurlijke afdoening van de zaak (het "una via"-beginsel), alsmede uit de omstandigheid dat oplegging van een bestuurlijke boete volgens eigen procedurevoorschriften wordt afgedaan.

Wel moet worden opgemerkt dat aan het bestuur van 's Rijks belastingen, met uitsluiting van de officier van justitie zolang het proces-verbaal niet in diens handen is gesteld, transactiebevoegdheid ter zake van bepaalde fiscale delicten is toegekend en het bestuur van 's Rijks belastingen dientengevolge een zelfstandige bevoegdheid kan hebben in de strafrechtelijke afdoening van de zaak (artikel 76 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). Door in de kennisgeving van niet verdere vervolging te vermelden dat 'fiscale afdoening prevaleert' heeft de officier van justitie die op dat moment terzake bevoegd was met uitsluiting van het bestuur van 's Rijksbelastingen evenwel aangegeven dat van een verdere strafrechtelijke afdoening van de zaak wordt afgezien. Daarbij dient te worden gewezen op paragraaf 20 van het Voorschrift fiscaal-strafrechtelijke bepalingen, op grond waarvan voor het aanbieden van een transactie geen plaats meer is indien de officier van justitie heeft besloten van vervolging af te zien. Bovendien heeft de officier van justitie ter zitting medegedeeld dat het uitdrukkelijk niet de bedoeling was dat de zaak na bedoelde kennisgeving en nadat deze in handen was gesteld van het bestuur van 's Rijks belastingen ten behoeve van een strafrechtelijke afdoening weer terug zou komen bij het openbaar ministerie. Dientengevolge is door de kennisgeving van niet verdere vervolging de transactiebevoegdheid komen te vervallen en is aan de strafprocedure een eind gekomen.

Nu in de kennisgeving van niet verdere vervolging is aangegeven dat fiscale afdoening prevaleert en de oplegging van een bestuurlijke boete niet kan worden aangemerkt als een voortzetting van de strafprocedure, is door genoemde kennisgeving de zaak geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel dan wel zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en kan derhalve aan verzoekster een vergoeding worden toegekend in de kosten van een raadsman.

Derhalve is voldaan aan de voorwaarden voor het kunnen toekennen van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand.

Voor wat betreft de hoogte van de door verzoekster gevraagde vergoeding overweegt de rechtbank het navolgende.

Verzoekster werd verdacht van valsheid in geschrift ten aanzien van de gevoerde bedrijfsadministratie en het opzettelijk doen van onjuiste aangiften vennootschapsbelasting. Vooropgesteld dient te worden dat de onderhavige zaak zowel een strafrechtelijk als een fiscaalrechtelijk karakter draagt. Nu in het strafrechtelijk onderzoek noodzakelijkerwijs ook fiscale aspecten aan de orde zijn gekomen is bij de honorering van de uitgevoerde werkzaamheden een exacte splitsing in kosten die gemaakt zijn in de strafzaak en kosten terzake bijstand in de fiscale zaak niet steeds te maken. Voorts moet worden opgemerkt dat de officier van justitie aanvankelijk heeft geopteerd voor een strafrechtelijke afdoening van de zaak en dat daarmee, hoewel bepaalde in de strafprocedure verrichte werkzaamheden zeker ook voor de fiscale afdoening van belang zijn geweest, aangenomen kan worden dat de aangegeven werkzaamheden primair zijn verricht in het kader van de strafzaak.

De rechtbank acht het door de raadsman overgelegde overzicht van kosten van rechtsbijstand en de daarop gegeven toelichting voldoende gespecificeerd en toereikend.

Gezien de complexiteit van de zaak acht de rechtbank de door verzoekster gevraagde vergoeding in de kosten van de raadsman niet onredelijk.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen zijn er gronden van billijkheid aanwezig voor het toekennen van een vergoeding voor de in het verzoek en de aanvullingen op het verzoek gespecificeerde kosten als na te melden.

De BTW zal door de rechtbank in mindering worden gebracht op de gevraagde vergoeding, nu verzoekster als ondernemer de omzetbelasting in aftrek heeft gebracht.

De rechtbank komt dan tot de volgende berekening: ¦ 259.657,52 - f 38.672,40 = f 220.985,12.

Bij de beslissing is gelet op de artikelen 90, 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering.

DE BESLISSING:

De rechtbank kent aan verzoekster een vergoeding uit 's-Rijks kas toe ten bedrage van

¦ 220.985,12.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze beslissing is gegeven door mr. Droesen, voorzitter,

mr. Boersma en De Vries-Leemans, leden,

in tegenwoordigheid van dhr. Verhagen, griffier,

en is in openbare raadkamer uitgesproken op 21 december 2001.

Mr. Boersma is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.