Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2001:AD6665

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-12-2001
Datum publicatie
04-12-2001
Zaaknummer
01/055140-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/055140-01

Uitspraakdatum: 4 december 2001

V E R K O R T V O N N I S

Verkort vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

wonende te [woonplaats], [adres],

preventief gedetineerd te Breda, Huis van Bewaring De Boschpoort.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 22 maart 2001, 7 juni 2001, 4 september 2001 en 20 november 2001. Het onderzoek is ter terechtzitting van 20 november 2001 opnieuw aangevangen omdat de rechtbank een andere samenstelling had dan tijdens de eerdere zittingen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 februari 2001.

Een afschrift van de dagvaarding is aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 20 november 2001 gewijzigd. Van deze vordering is eveneens een fotokopie aan dit vonnis gehecht.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de feiten heeft begaan zoals hieronder is weergegeven:

1.

hij op/omstreeks 10 november 2000 te Mariaheide, gemeente Veghel, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met anderen met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een hamer meermalen op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en vervolgens een plastic zak over het hoofd van die [slachtoffer] heeft getrokken teneinde die [slachtoffer] te laten stikken en vervolgens die [slachtoffer] geruime tijd in levensbedreigende toestand alleen heeft gelaten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 2 oktober 2000 te Mariaheide, gemeente Veghel, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met anderen met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg het volgende heeft gedaan:

hij, verdachte, is naar Mariaheide gereden en hij, verdachte, heeft vervolgens zijn mededaders naar en/of door Mariaheide geloodst en zijn mededaders hebben vervolgens daar die [slachtoffer] opgewacht en zijn mededaders zijn vervolgens op het moment dat die [slachtoffer] als bestuurder van een fiets reed over de Heiakkerstraat, met een door [medeverdachte 2] bestuurde auto ingereden op die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. In het bijzonder acht de rechtbank niet bewezen dat aan [slachtoffer] op 10 november 2000 (een) slaappil(len) althans een verdovend middel is toegediend.

Bewijsoverwegingen

De bewezenverklaring is in het bijzonder gebaseerd op de hieronder summier aangeduide en beknopt en zakelijk weergegeven bewijsmiddelen. Tenzij anders vermeld, zijn deze bewijsmiddelen ontleend aan het dossier van de Regiopolitie Brabant Noord, District De Leygraaf, recherchebijstandsteam "Steenslag", proces-verbaal nr.: PL2130/00-684113/EIND, bestaande uit ambtsedige processen-verbaal en overige bescheiden. Dit dossier bestaat uit 872 doorgenummerde bladzijden. Verdachte en zijn medeverdachten, wier zaken gelijktijdig doch niet gevoegd zijn behandeld en waarover in afzonderlijke vonnissen wordt beslist, worden omwille van de leesbaarheid aangeduid als [verdachte], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1]. De aangever wordt als [slachtoffer] aangeduid. De tenlastegelegde feiten worden chronologisch besproken.

Ten aanzien van feit 2 (2 oktober 2000):

de verklaring door [verdachte] ter terechtzitting afgelegd aangaande het benaderen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] om [slachtoffer] op 2 oktober 2000 “schrik aan te jagen”, onder meer inhoudende dat [verdachte] telefonisch contact met hen heeft gehad, dat hij [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] heeft uitgelegd hoe zij in Mariaheide moesten komen, dat hij hen tegemoet is gereden en hen die avond in Mariaheide heeft ontmoet, dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] een BMW bij zich hadden en dat hij, [verdachte], die avond (op enig moment) in Mariaheide nabij de manege is geweest;

de aangifte van [slachtoffer] van de poging hem op 2 oktober 2000 van het leven te beroven (blz. 427) en diens verklaringen (blz. 391, 423 en 435 in onderlinge samenhang bezien) zakelijk inhoudende dat hij die BMW met daarin [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] die avond had zien staan bij de manege en dat deze BMW later die avond recht op hem is afgereden toen hij van de manege naar huis fietste;

de verklaring van [getuige 1], dat [slachtoffer] die avond telefonisch heeft verteld dat hij op 2 oktober 2000 op de Heiakkerstraat door een BMW met zijn fiets van de weg was gereden (blz. 181);

de verklaring van [medeverdachte 3] dat [medeverdachte 2] en hij, ingevolge een tevoren van [verdachte] verkregen opdracht om [slachtoffer] te vermoorden, op 2 oktober 2000 tegen geldelijke vergoeding met een door [medeverdachte 2] bestuurde BMW hebben geprobeerd [slachtoffer] van de fiets te rijden; dat [medeverdachte 3] de bijrijder was en dat [verdachte] op dat moment iets verderop stond (blz. 768 en blz. 785);

de printlijsten-mastgegevens (blz. 319 e.v.) waaruit blijkt dat op 2 oktober 2000 intensief telefonisch verkeer is geweest tussen de GSM’s van [verdachte] en [medeverdachte 2]. Die avond tussen 21.01 en 22.53 uur hebben beider GSM’s steeds masten in Uden en Veghel aangestraald, zulks terwijl Mariaheide tussen Uden en Veghel ligt.

Ten aanzien van feit 1 (10 november 2000):

de verklaring ter terechtzitting door [verdachte] afgelegd voor zover deze inhoudt dat hij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de namiddag van 10 november 2000 thuis op bezoek heeft gehad, dat er in de avond van 10 november 2000 tussen hem, [verdachte], en [medeverdachte 2] telefonische contacten zijn geweest, dat [verdachte] op die avond een bezoek heeft gebracht aan de woning van [slachtoffer] en [medeverdachte 1] te Mariaheide, dat toen in die woning aanwezig waren [slachtoffer] en [medeverdachte 1]; dat [slachtoffer] tijdens dat bezoek op de bank in slaap is gevallen, dat [medeverdachte 1] hem op 11 november 2000 omstreeks 02.30 uur heeft opgebeld en dat hij kort daarop in die nacht [medeverdachte 1] heeft teruggebeld;

de op schrift gestelde uitwerking van de geluidsopname van het telefoongesprek dat [medeverdachte 1] op 11 november 2000 te 02.51 uur met de meldkamer van de politie heeft gevoerd vanuit de woning aan de [adres slachtoffer], op welke geluidsopname de verbalisant duidelijk hoorbaar klopgeluiden en gekreun heeft gehoord (blz. 68 e.v.);

de bevindingen van verbalisanten (blz. 76 e.v.) die op 11 november 2000 rond 02.55 uur een ernstig gewonde man hebben aangetroffen op een bank in de woonkamer van de woning aan de [adres slachtoffer], in welke woning ook [medeverdachte 1] aanwezig bleek te zijn;

- de verklaring van assistent-arts neurochirurgie van het Elisabethziekenhuis te Tilburg, K.S. Han (blz. 109), waarin deze op 13 december 2000 de dan nog levensbedreigende medische situatie van [slachtoffer] uiteenzet;

het aanvraagformulier medische informatie waarop door E. Keus, arts-assistent Intensive Care van het Elisabethziekenhuis te Tilburg, is aangegeven dat [slachtoffer] met een voorwerp op de schedel is geslagen en het letsel van [slachtoffer] is vermeld, te weten schedelfraktuur en hersenbeschadiging met botfragmenten in de hersenen en beschadiging van het rechteroog (blz. 108);

de aangifte van [slachtoffer] van de aanslag op zijn leven op 11 november 2000 in zijn woning aan de [adres slachtoffer] (blz. 429);

- de verklaringen van [medeverdachte 3] (blz. 758 e.v.), dat hij op vrijdagmiddag 10 november 2000 met [medeverdachte 2] een bezoek aan [verdachte] heeft gebracht, dat [medeverdachte 2] hem tijdens dat bezoek verteld heeft dat de baas van [verdachte] (waarmee bedoeld werd [slachtoffer]) dood moest, dat [verdachte] met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] heeft afgesproken dat hij hen op 10 november 2000 zou ophalen, dat [verdachte] dat ook met zijn auto heeft gedaan, waarna zij door verdachte [verdachte] naar het huis van [slachtoffer] zijn gebracht, daar kort na 22.15-22.30 uur door [verdachte] buiten zijn opgewacht en vervolgens door hem zijn binnen gelaten, dat in de woning op de bank een man ([slachtoffer]) lag te slapen, dat hij en [medeverdachte 2] van [verdachte] handschoenen hadden gekregen en dat zij deze aan hadden, dat [verdachte] aan [medeverdachte 2] een hamer heeft aangereikt en dat [medeverdachte 2] deze [slachtoffer] in opdracht en bijzijn van [verdachte] drie of vier keer op het hoofd heeft geslagen met een hamer, zodanig dat het bloed alle kanten opspatte, dat [verdachte] naar boven is geweest, naar de vrouw, en een kwartiertje boven is geweest, dat [verdachte] een plastic zak over het hoofd van [slachtoffer] trok, kennelijk om hem te laten stikken; dat [verdachte] hen vertelde dat de vrouw na ongeveer anderhalf uur de politie zou bellen; dat zij, [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2], gedrieën vertrokken zijn in de auto van [verdachte] met medeneming van onder meer genoemde hamer en plastic zak welke spullen hij, [medeverdachte 3], in het bos heeft begraven;

de verklaringen van [medeverdachte 2] (blz. 709 e.v.), onder meer inhoudende dat hij, [medeverdachte 2], en [medeverdachte 3] op 10 november 2000 op bezoek zijn geweest bij [verdachte], dat hij later die dag met [medeverdachte 3] door [verdachte] naar het dorp waar [voornaam slachtoffer] ([slachtoffer]) woont is gebracht, en zij rond 22.30 of 23.00 uur door [verdachte] naar de woning van [slachtoffer] werden gehaald, dat zij door [verdachte], buiten werden opgewacht en in deze woning werden binnengelaten, dat in de woning [slachtoffer] op een bank lag te slapen, dat [verdachte] een hamer heeft gehaald, waarmee [medeverdachte 3] en [verdachte] samen de kamer zijn binnengegaan waar [slachtoffer] lag te slapen, waarna hij vanuit de woonkamer drie of vier doffe geluiden hoorde, dat [medeverdachte 3] en [verdachte] terugkwamen en dat [medeverdachte 3] de hamer vast had en er bloed aan de hamer zat, dat [verdachte] zei: ”Hee, hij is niet dood; doe maar nog een keer; we gaan terug, want hij moet vandaag dood; zo gaat het niet goed.”, dat hij, [medeverdachte 2], de hamer even heeft vastgehad, dat [verdachte] drie keer naar boven, naar [voornaam medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]) is geweest om te overleggen, dat [verdachte] zei dat [voornaam medeverdachte 1] pas over ongeveer anderhalf uur de politie zou bellen; dat zij gedrieën met medeneming van onder meer de hamer en de handschoenen zijn vertrokken en dat [medeverdachte 3] die spullen in het bos heeft begraven;

de bevindingen van verbalisanten (blz. 746) dat zij op aanwijzing van [medeverdachte 3] op 20 december 2000 onder meer een begraven hamer, plastic zak en handschoenen hebben gevonden in een bos bij Bakel;

het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, waarin op grond van DNA-onderzoek wordt geconcludeerd dat het op de gevonden hamer aanwezige bloed zeer waarschijnlijk van [slachtoffer] was (< 1 op de miljard);

de verklaring van [medeverdachte 1] (blz. 608 e.v.) dat [verdachte] op de avond van 10 november 2000 op bezoek is geweest in de woning aan de [adres slachtoffer], dat [slachtoffer] ook in de woning was en tijdens dat bezoek op de bank in slaap is gevallen, dat [verdachte] kort na zijn vertrek uit de woning weer is teruggekomen en toen bij haar, [medeverdachte 1], in de badkamer op de bovenverdieping van de woning is geweest, dat zij later in de nacht geluiden hoorde en eerst [verdachte] heeft gebeld en daarna de politie;

de printlijsten-mastgegevens (blz. 317 e.v.) waaruit blijkt van:

* de telefonische contacten tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] op 10 november 2000, te weten om 09.54, 10.49 en in het bijzonder 16.42 (dus na het bezoek van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aan de woning van [verdachte]) 18.59, 19.03, 19.05, 19.13 en 20.44 uur (blz. 321 en 322);

* de telefonische contacten tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] op 11 november 2000 om 02.33 uur en 02.45 uur, alvorens door [verdachte] om 02.49 uur het alarmnummer 112 werd gebeld (blz. 323);

* de telefonische contacten tussen [verdachte] en de GSM van [medeverdachte 2] op 10 november 2000 te 11.50 uur en meer in het bijzonder te 19.55, 20.11, 20.26, 20.31, 20.36, 20.40, 20.51 en 22.25 uur, waarbij te 20.51 uur beide GSM’s aanstralen op dezelfde mast te Bakel (in de omgeving van welke plaats [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] de auto hadden geparkeerd) en te 22.25 uur beider GSM’s aanstralen op GSM-masten te Uden (welke plaats nabij Mariaheide ligt).

De bewijsmiddelen impliceren dat zowel [medeverdachte 3] als [medeverdachte 2] met de hamer de slagen op het hoofd van [slachtoffer] hebben toegebracht. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] wijzen op dit punt naar elkaar en de rechtbank onderkent dat hier een tegenstrijdigheid in de bewijsmiddelen aanwezig is. Zij heeft niet kunnen vaststellen wie van beiden de slagen daadwerkelijk heeft toegebracht. Op grond van de bewijsmiddelen staat echter ook vast dat er een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten is geweest bij de uitvoering van hun voornemen om [slachtoffer] om het leven te brengen. Voor [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] geldt dat zij bij de volvoering van hun daden voortdurend gezamenlijk met [verdachte] hebben samengewerkt. Het is in het licht van artikel 47 Wetboek van Strafrecht (medeplegen) in casu niet noodzakelijk dat wordt vastgesteld wie van beiden de slagen met de hamer aan [slachtoffer] feitelijk heeft toegediend. Beider rol is, ook zonder het zelf toebrengen van de slagen, voldoende om als medepleger en dus als dader te kunnen worden gestraft.

De raadsman heeft opgeworpen dat de conclusie van het NFI ,dat een bloedspoor op de rugleuning in de auto van [verdachte] zeer waarschijnlijk afkomstig is van [slachtoffer], niet tot het bewijs mag meewerken. De raadsman heeft gesuggereerd dat het spoor achteraf is aangebracht om [verdachte] te belasten. Voorts is aan zijn verzoek om een contra-expertise geen gevolg gegeven.

Wat ook zij van het verweer, de rechtbank behoeft het niet te bespreken omdat zij dit bloedspoor niet tot het bewijs bezigt.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 27, 45, 47, 57, 289 van het Wetboek van Strafrecht.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID.

De eis van de officier van justitie.

De officier acht beide feiten zoals tenlastegelegd bewezen en vordert een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar.

De op te leggen straf.

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Daarbij zijn de volgende omstandigheden ten bezware van verdachte gebleken:

de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

verdachte heeft de hem goed bekende [voornaam slachtoffer] [slachtoffer] in korte tijd twee maal daadwerkelijk naar het leven gestaan. De door verdachte geëntameerde moordaanslag van 2 oktober 2000 heeft weliswaar geen lichamelijk letsel opgeleverd, maar de onverhoedse poging om [slachtoffer] met een auto van zijn fiets te rijden was wel een grove inbreuk op diens recht om in veiligheid te kunnen leven.

Nadien is verdachte niet tot inkeer gekomen. Integendeel, verdachte en zijn mededaders hebben het vervolgens op een nog grovere wijze aangepakt, welke het voorstellingsvermogen tart. Zij hebben [voornaam slachtoffer] [slachtoffer] in diens eigen woning, tijdens zijn slaap en met de vooropgezette bedoeling hem van het leven te beroven met een ijzeren hamer de schedel ingeslagen, hem daarbij gruwelijk verwond en hem vervolgens in hulpeloze en levensbedreigende toestand achter gelaten. De rechtbank schat dat het drie á vier eenzame uren moet hebben geduurd voordat [voornaam slachtoffer] [slachtoffer] uiteindelijk door de politie, badend in zijn bloed, is gevonden.

[slachtoffer] zal verder moeten leven in de wetenschap dat anderen, waaronder personen uit zijn directe omgeving, hem naar het leven hebben gestaan en daarvan nog niet op een overtuigende wijze afstand hebben genomen. Dit is des te ernstiger nu [slachtoffer] onherstelbaar leed is aangedaan en de rest van zijn leven afhankelijk zal zijn van hulp van anderen en op zijn medemensen zal moeten kunnen vertrouwen.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank anderzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheid die tot matiging van de straf heeft geleid:

- uit de omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebrachte rapporten van de psychiater-psychotherapeut en de psycholoog blijkt, dat verdachte lijdend is aan een (kort gezegd) afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. Betrokkenes afhankelijkheidsproblematiek en gebrek aan autonomie zijn groot. Op grond van dit gedrag kan verdachte als gedeeltelijk onvrij in zijn handelen worden beschouwd en mitsdien als licht verminderd toerekeningsvatbaar.

Dat de rechtbank aan verdachte [verdachte] toch een gevangenisstraf van dezelfde duur als aan mede-verdachte H.M. [medeverdachte 2] oplegt, vindt zijn oorsprong in het feit dat het [verdachte] is geweest die zowel tijdens het bewezenverklaarde feit op 02 oktober 2000 als tijdens het bewezenverklaarde feit op of omstreeks 10 november 2000 een organiserende en centrale rol heeft gespeeld en beide keren de opdracht aan (onder andere) [medeverdachte 2] heeft gegeven het slachtoffer [slachtoffer] te vermoorden.

In verband met een juiste normhandhaving kan niet worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen, zoals hiervoor omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

feit 1: medeplegen van poging tot moord;

feit 2: medeplegen van poging tot moord,

(artt. 45, 47 en 289 Wetboek van Strafrecht).

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf:

een gevangenisstraf voor de tijd van 8 jaar.

Beveelt, dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Roosmale Nepveu, voorzitter,

mr. Van Cruchten en mr. Koster-van der Linden, leden,

in tegenwoordigheid van mr. Grandiek, griffier

en is uitgesproken op 4 december 2001.