Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2001:AD5838

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-11-2001
Datum publicatie
19-11-2001
Zaaknummer
71673 / KG ZA 01-689
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-HERTOGENBOSCH

VONNIS IN KORT GEDING

Zaaknummer : 71673 / KG ZA 01-689

Datum uitspraak: 15 november 2001

Vonnis in kort geding van de president van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ROVET B.V.,

gevestigd te Sint-Michielsgestel,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 1 oktober 2001,

procureur mr. J.E. Lenglet,

advocaat mr. O. Hammerstein te Amsterdam,

tegen:

1. de Burgemeester van de gemeente Veghel,

zetelende te Veghel,

2. de gemeente Veghel,

zetelende te Veghel,

gedaagden bij gemeld exploot,

procureur mr. G.A. Van der Veen.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als "Rovet" en "de burgemeester" en "de gemeente" en gedaagden tezamen als "de burgemeester c.s.".

1.De procedure

1.1. Rovet heeft in kort geding gesteld en gevorderd zoals hierna verkort is weergegeven.

1.2. De advocaat van Rovet heeft de vordering ter terechtzitting toegelicht, mede aan de hand van de door hem overgelegde producties.

1.3. De procureur van de burgemeester c.s. heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities met producties.

1.4. Na gevoerd debat hebben partijen vonnis gevraagd.

2. De feiten

2.1. Rovet heeft de eigendom van een perceel aan de Noordkade 9a te Veghel, alwaar onder de naam "Massagesalon Veghel" sedert 1 april 2000 een onderneming wordt gedreven.

2.2. Op basis van bepalingen uit de APV 1997 heeft de burgemeester bij brief van 15 mei 2001 op grond van aanwezig geachte strijd met de bepalingen van de APV en het bestemmingsplan seksinrichtingen, de sluiting van deze onderneming - als zijnde te rangschikken onder een seksinrichting - bevolen met ingang van 1 juli 2001.

2.3. Rovet heeft op 29 juni 2001 een verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend en bezwaar tegen dit sluitingsbevel bij de burgemeester gemaakt. Het verzoek om een voorlopige voorziening is door de President van deze rechtbank bij beslissing d.d. 20 juli 2001 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift liep tot 27 juni 2001.

2.4. Ten vervolge op het ingediende bezwaarschrift heeft de burgemeester op 3 juli 2001 aan Rovet laten weten dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift was overschreden. De burgemeester heeft Rovet in de gelegenheid gesteld om nog argumenten aan te dragen op grond waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn. Een reactie op deze brief is uitgebleven. Bij beslissing van 22 augustus 2001 heeft de burgemeester het bezwaar van Rovet tegen het bevel tot sluiting niet-ontvankelijk verklaard op grond van het feit dat het bezwaar niet tijdig was ingediend.

2.5. Naar aanleiding van de beslissing op het bezwaar heeft Rovet beroep ingesteld bij de sector bestuursrecht van deze rechtbank. Lopende het beroep heeft Rovet opnieuw een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De President wees het verzoek bij beslissing van 6 september 2001 af onder constatering dat door of namens Rovet geen argumenten zijn aangevoerd op grond waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn.

2.6. Thans loopt nog de behandeling van het beroep bij de sector bestuursrecht van deze rechtbank.

3. Het geschil

3.1. Rovet vordert in dit kort geding, kort weergegeven, om de burgemeester c.s. te verbieden bestuursdwang uit te oefenen jegens Rovet, zulks in ieder geval totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist, op straffe van een dwangsom, en met veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure.

3.2. Rovet legt daaraan het navolgende ten grondslag. Het perceel wordt sedert 1 april 2000 verhuurd aan X, handelende onder de naam "Massagesalon Veghel". Rovet is slechts eigenaar van het pand. Het besluit van de burgemeester had zich derhalve tot voornoemde X moeten richten. Rovet betwist subsidiair dat sprake is van een seksinrichting. Meer subsidiair is zij van mening dat de burgemeester door het maximum van het aantal te verlenen vergunningen voor seksinrichtingen op één te stellen en door slechts één vergunning binnen de gemeente Veghel af te geven, in strijd handelt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Nog meer subsidiair beroept Rovet zich op het gelijkheidsbeginsel en meent zij als massagesalon mede in aanmerking te (moeten) komen voor een vergunning. Aangezien de burgemeester op het betreffende pand een biljet heeft aangeplakt waarop wordt gesteld dat de daar gevestigde onderneming per 6 september 2001 met onmiddellijke ingang voor onbepaalde tijd is gesloten en het verzoekers verboden is zich in dat pand te bevinden, lijdt Rovet schade wegens verlies aan huurinkomsten en heeft zij spoedeisend belang bij haar vordering. Nu voor Rovet geen enkele (bestuursrechtelijke) spoedvoorziening meer openstaat acht zij de president bevoegd van de vordering kennis te nemen.

3.3. Het verweer van de burgemeester c.s. tegen de vordering komt zakelijk weergegeven op het volgende neer. Rovet heeft de mogelijkheid gehad om een bestuursrechtelijke rechtsgang te benutten en heeft die mogelijkheid niet (tijdig) benut. Gezien dat feit staat op grond van het arrest Smit/Staat de rechtmatigheid van het sluitingsbevel op voorhand vast en dient de vordering van Rovet te worden afgewezen. Subsidiair betwist de burgemeester c.s. gemotiveerd dat het sluitingsbevel zich tot X had moeten richten en brengen zij naar voren, dat, uit de wijze waarop de massagesalon geëxploiteerd werd, in voldoende mate is gebleken dat het om een seksinrichting ging. Tot slot wordt betwist dat er strijd met het gelijkheidsbeginsel zou zijn. Het voeren van een maximumbeleid bij het verstrekken van vergunningen, ook als hierbij het maximum op één is gesteld, is toegestaan en derhalve niet in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur. De vordering van Rovet dient derhalve te worden afgewezen.

3.4. Op hetgeen partijen overigens over en weer hebben aangevoerd, zal voor zoveel nodig bij de beoordeling worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Bij de beoordeling wordt vooropgesteld dat is komen vast te staan dat Rovet de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen het bevel van de burgemeester tot sluiting van het betreffende perceel, heeft overschreden. Zulks volgt zonder meer uit de uitspraak van de president van de sector bestuursrecht naar aanleiding van het ingediende verzoek om het vaststellen van een voorlopige voorziening en de beslissing van de burgemeester op het bezwaarschrift waartegen beroep is ingesteld. Ook is komen vast te staan, althans in voldoende mate komen vast te staan, dat - zoals de raadsman van Rovet tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren heeft gebracht -, een eenvoudige misrekening van de duur van de termijn aan de zijde van zijn cliënte, heeft geleid tot de overschrijding hiervan. Dit verklaart ook waarom Rovet geen gebruik heeft gemaakt van de haar door de burgemeester geboden kans om argumenten aan te voeren op grond waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn.

4.2. De burgemeester c.s. hebben primair ten verweer aangevoerd dat Rovet niet-ontvankelijk is in haar vordering in het onderhavige kort geding nu er een met voldoende waarborgen omklede administratiefrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan, alwaar Rovet niet verschoonbaar, geen (tijdig) gebruik van heeft gemaakt, ten gevolge waarvan de burgerlijke rechter van de rechtsgeldigheid van de beslissing van de burgemeester tot sluiting van de massagesalon moet uitgaan.

4.3. Als hoofdregel geldt dat de burgerlijke rechter van de rechtsgeldigheid van een beschikking dient uit te gaan, indien tegen die beschikking een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan, en dit beroep niet is ingesteld. Deze hoofdregel steunt op de overweging dat het in het belang van de rechtszekerheid is dat er niet langdurig twijfel blijft bestaan omtrent de rechtsgeldigheid van een beschikking. In de tweede plaats strekt de regel ertoe "te voorkomen dat de burgerlijke rechter inzake vragen waarover de administratieve rechter tot oordelen is geroepen, tot een ander oordeel komt dan deze". De hoofdregel blijft gelden, ook wanneer dit tot gevolg heeft dat de burgerlijke rechter moet uitgaan van de rechtsgeldigheid van een beschikking die zeker zou zijn vernietigd wanneer daartegen tijdig beroep zou zijn ingesteld. Een uitzondering op deze hoofdregel is slechts gerechtvaardigd voor het geval de daaraan verbonden bezwaren door bijkomende omstandigheden als "zo klemmend" worden ervaren dat een uitzondering moet worden aanvaard. Of voor zulk een uitzondering plaats is, hangt bijgevolg af van de bijzonderheden van het gegeven geval.

4.4. Dat een en ander heeft kunnen plaatsvinden als is geschied, is het gevolg van het feit dat Rovet zich heeft verrekend ter zake de termijn. Dit is weliswaar te betreuren voor Rovet maar kan voorshands niet tot het oordeel leiden dat in casu sprake is van een dusdanig zwaarwegende omstandigheid waardoor van de hiervoor genoemde hoofdregel en derhalve niet van de geldigheid van het besluit van de burgemeester tot sluiting van de massagesalon kan en dient te worden uitgegaan. Afgezien van het misrekenen zijn er van de zijde van Rovet ook geen feiten en/of omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven tot een ander oordeel in dit kader te komen. De gevolgen van de termijnoverschrijding dienen dan ook naar het voorlopig oordeel van de president voor het risico van Rovet te komen. De president gaat vooralsnog van de rechtsgeldigheid van het sluitingsbevel uit en komt niet aan een verdere, inhoudelijke beoordeling van het gevorderde toe. Het primaire verweer van de burgemeester c.s. slaagt derhalve.

4.5. Nu het betrokken besluit rechtsgeldig is, valt onder de gegeven omstandigheden niet in te zien waarom een uitvoering van bestuursdwang jegens Rovet onrechtmatig zou zijn. Van een feitelijke uitvoering van die bestuursdwang is het nog niet gekomen en dat de gemeente voornemens zou zijn die op een zodanige wijze uit te voeren dat van onrechtmatig handelen zou kunnen worden gesproken is niet gesteld noch gebleken.

Het feit dat er mogelijk andere belanghebbenden bij het betrokken besluit en de mogelijk uit te oefenen feitelijke bestuursdwang zijn, maakt het bovenstaande, in ieder geval voor Rovet, niet anders.

4.6. Het voorgaande leidt tot afwijzing van de vordering.

4.7. Rovet zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De president:

wijst de vordering van Rovet af;

veroordeelt Rovet in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de wederpartij begroot op f. 1.950,00, waarvan f. 1.550,00 salaris procureur en

f. 400,00 verschotten.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.M. Strijbos, fungerend-president, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 november 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.