Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2001:AD5475

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-11-2001
Datum publicatie
14-11-2001
Zaaknummer
01.055025.01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat het verdachte en niemand anders dan verdachte is geweest die [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door [slachtoffer] opzettelijk met een vuurwapen in de benen en in het lichaam te schieten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01.055025.01

Uitspraakdatum: 13 november 2001

V E R K O R T V O N N I S

Verkort vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], in 1955,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans preventief gedetineerd in P.I. HvB Grave (unit A en B) te Grave.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

21 augustus 2001, 23 augustus 2001 en 30 oktober 2001. Op 12 juni 2001 heeft een onderzoek ter terechtzitting in een andere samenstelling plaatsgevonden.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 11 mei 2001. Een afschrift van de dagvaarding is aan dit vonnis gehecht.

De omschrijving van de tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 30 oktober 2001 gewijzigd op de voet van het bepaalde in artikel 314a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering. Van deze vordering is eveneens een fotokopie aan dit vonnis gehecht.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Voorzover het onder 2 tenlastegelegde betreft een feit dat (mede) in het buitenland, meer bepaald Hongarije, zou zijn gepleegd, geldt dat aan de vereisten van artikel 5 van het Wetboek van Strafrecht is voldaan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd, voor zover het betreft het bestanddeel "met voorbedachten rade", nader feitelijk omschreven als “na kalm beraad en rustig overleg”. Hij behoort daarvan te worden vrijgesproken.

De rechtbank acht tevens niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair is tenlastegelegd, zodat hij daarvan eveneens dient te worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het feit onder 1 primair heeft begaan, te weten:

dat hij op 21 februari 2001 te Schaijk, gemeente Landerd, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een vuurwapen die [slachtoffer] in de benen en in het lichaam geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging.

De bewezenverklaring berust in het bijzonder op na te noemen, beknopt en zakelijk weer te geven, bewijsmiddelen. De paginanummers verwijzen naar de pagina aanduiding in het proces-verbaal van de Politieregio Brabant Noord District Recherche Leijgraaf, Onderzoeksteam “[naam onderzoeksteam]” inzake het zogeheten “delict 01”:

* een proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] (p. 195) onder meer inhoudende dat hij op 21 februari 2001 omstreeks 21.10 uur een kaal hoofd of iets in die richting in het gras langs de A50 ziet liggen. Hij belt het alarmnummer.

* een proces-verbaal van bevindingen van de politie (p. 166 e.v.) onder meer inhoudende: Op 21 februari 2001 omstreeks 21.12 uur kregen twee verbalisanten van de meldkamer opdracht naar de A50 te gaan omdat daar een stoffelijk overschot zou liggen. Vervolgens hebben zij op 21 februari 2001 omstreeks 21.30 uur te Schaijk, gemeente Landerd op de snelweg A50, aan de rand van de zuidelijke rijbaan tussen hectometerpalen 21.1 en 21.0 het stoffelijk overschot van een man aangetroffen.

* processen-verbaal van politie (p.204 en p. 1316) en bescheiden (p 173 en 174), betreffende de identificatie van de overledene als [slachtoffer], wonende aan de [adres slachtoffer]

* het sectierapport d.d. 23 april 2001 van dr. R. Visser van het Nederlands Forensisch Instituut (p. 1225 e.v.) houdt in dat bij het slachtoffer vijf huidperforaties (doorschot doorheen de borst, doorschot door het linker bovenbeen en een inschot in het rechter bovenbeen) zijn geconstateerd. Deze vijf huidperforaties zijn veroorzaakt door maximaal drie kogels en minimaal 2 kogels. In het lichaam van het slachtoffer wordt 1 kogel aangetroffen.

De schotrichting is vermoedelijk van achterwaarts naar voorwaarts. De letsels, met name die van de borst, verklaren het intreden van de dood zonder meer. Een andere of bijkomende doodsoorzaak is bij sectie en toxicologisch onderzoek niet gebleken.

* een brief d.d. 15 oktober 2001 van dr. R. Visser voornoemd aan de rechter-commissaris houdt in dat het intreden van de dood van [slachtoffer] vooral is bepaald door een zg. verbloedingsshock. Met zekerheid kan worden gesteld dat het slachtoffer niet onmiddellijk aan de gevolgen van het bloedverlies moet zijn overleden en dat aangenomen kan worden dat hij nog enige afstand op eigen kracht heeft kunnen overbruggen. Naar schatting zal hij (na door de borst te zijn geschoten) nog meerdere minuten tot ongeveer een kwartier hebben geleefd.

* een proces-verbaal technisch onderzoek (p. 1314 e.v.) waaruit blijkt dat het slachtoffer vermoedelijk op 21 februari 2001 tussen ongeveer 20.00 uur en 21.00 uur is overleden.

Voorts heeft de politie op 26 februari 2001 op de vluchtstrook en in de berm van de Rijksweg A50 (noordelijke rijbaan) nabij hectometerpaal 21.2 over een afstand van ongeveer 19,85 meter drie hulzen en een patroon aangetroffen.

Tevens werd over een afstand van 8 meter een rijspoor, bestaande uit gedeeltelijk een acceleratiespoor en gedeeltelijk een rolspoor, in de berm aangetroffen, afkomstig van een auto die kennelijk was weggereden in de richting 's-Hertogenbosch. De afstand tussen de aangetroffen munitie en munitiedelen en het aangetroffen bandenspoor bedroeg tussen de 12,5 en 32,35 meter.

Uit sporenonderzoek bleek dat het bandenspoor vermoedelijk is veroorzaakt door een autoband van het profieltype Sportiva G-70. De achteras van het op 2 maart 2001 in beslag genomen voertuig van verdachte, een (zilver) grijze Honda Integra, was voorzien van banden van het type Sportiva G-70 (p. 1266).

* een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door H.G.M. Michels d.d. 6 april 2001 (p. 1329 e.v.) waaruit blijkt dat de drie aangetroffen hulzen afkomstig zijn van pistoolpatronen kaliber 9 mm Browning Kort, die waarschijnlijk zijn verschoten met één en hetzelfde semi-automatisch werkend vuurwapen. Eén huls is afkomstig van het merk Sellier & Bellot.

De kogel, afkomstig uit het lichaam van het slachtoffer, is zeer waarschijnlijk van het kaliber 9 mm. Browning Kort. Deze kogel past morfologisch bij een patroon van het merk Sellier & Bellot.

* een tweetal processen-verbaal van verhoor van [getuige 2] en [getuige 3] (p.196 t/m 199) houden in dat zij op 21 februari 2001 omstreeks 20.30 uur, rijdende op de A50 in de richting van Nijmegen, aan de rechterzijde van de weg een persoon, steunend op zijn knieën en zijn handen hebben gezien. Op de andere rijbaan, bestemd voor het verkeer dat richting Oss rijdt, hebben zij een auto zien stilstaan langs de weg. De auto voerde geen verlichting.

[getuige 3] verklaart voorts (p 198) dat de kleur van de stilstaande auto zilvergrijs was en dat hij aan de rechterzijde van de (door hemzelf bereden) rijbaan op dat moment geen voertuig heeft gezien. Hij heeft er speciaal op gelet of hij de auto van die man ergens zag.

* de verklaringen van [getuige 4]), afgelegd bij de politie (p. 388 e.v.) en bij de rechter-commissaris op 15 maart 2001, in hun onderlinge samenhang bezien onder meer inhoudende:

- dat hij en [getuige 5] in de avond van 21 februari 2001 bij het slachtoffer ([slachtoffer]) in de flatwoning aan de [adres slachtoffer] waren;

- dat die dag tussen 20.00 uur en 21.00 uur een persoon, naderhand door [getuige 4] aangeduid als [verdachte], de woning van [slachtoffer] in kwam stormen. [verdachte] schreeuwde tegen [slachtoffer]. Ze hadden duidelijk ruzie;

- dat hij, [getuige 4], en [getuige 5] van [verdachte] de woning moesten verlaten en dat zij gevolg hebben gegeven aan dit bevel;

- dat ongeveer twee minuten later [verdachte] en [slachtoffer] de woning hebben verlaten;

- dat [verdachte] en [slachtoffer] naar een geparkeerd staande, lichtkleurige, vermoedelijk Japanse, auto liepen. [verdachte] trok [slachtoffer] bij zijn broekriem. Aan het gezicht van [slachtoffer] zag [getuige 4] dat hij kennelijk bang was. [verdachte] is aan de bestuurderszijde van de auto ingestapt en [slachtoffer] aan de passagierszijde. Vervolgens is de auto weggereden;

- dat de auto niet is gevolgd door een andere auto en dat hij geen andere auto heeft gezien;

* de verklaringen van [getuige 5]), afgelegd bij de politie (p. 896 e.v.) en bij de rechter-commissaris op 15 maart 2001, in onderlinge samenhang bezien onder meer inhoudende:

- dat hij en [getuige 4]) in de avond van 21 februari 2001 bij het slachtoffer ([slachtoffer]) in de flatwoning aan de [adres slachtoffer] waren;

- dat [verdachte] omstreeks 20.00 uur die dag de woning van [slachtoffer] binnenstormde;

- dat [verdachte] en [slachtoffer] ruzie hadden. [verdachte] wilde geld van [slachtoffer];

- dat [getuige 4] en hij door [verdachte] naar buiten zijn gestuurd;

- dat hij buiten heeft gezien dat [verdachte] [slachtoffer] naar een kleine Japanse auto meenam (in de verklaring bij de rechter-commissaris is de kleur omschreven als metallic blauw/grijs) en dat [verdachte] [slachtoffer] stevig bij de broekriem vasthield en hem vast bleef houden tot ze bij de auto waren;

- dat hij [slachtoffer] hoorde zeggen: "Alsjeblieft, alsjeblieft, laat het ons bespreken";

- dat [verdachte] achter het stuur is gaan zitten en met [slachtoffer] is weggereden;

- dat hij niet meer mensen dan [verdachte] en [slachtoffer] in de auto heeft zien zitten;

- dat hij en [getuige 4] nog enkele minuten daar buiten hebben gestaan;

- dat hij geen andere auto's heeft zien rijden en dat de auto niet werd gevolgd.

* De verklaringen van verdachte, zoals ook ter terechtzitting afgelegd, waarin meermalen in het bijzonder de navolgende onderdelen voorkomen:

- dat hij op 21 februari 2001 's avonds in de woning van [slachtoffer] aan de [adres slachtoffer] is geweest. Naast [slachtoffer] waren er in die woning nog twee mannen aanwezig, waaronder [getuige 5];

- dat [getuige 5] en de andere man de woning hebben verlaten;

- dat hij enkele minuten later, samen met [slachtoffer], naar beneden is gegaan;

- dat hij buiten [slachtoffer] even bij zijn jas heeft gepakt omdat hij een andere kant op liep dan

waar de auto van verdachte stond;

- dat hij vanaf die woning met [slachtoffer] is vertrokken in zijn auto, een grijze Honda Integra;

- dat verdachte op het moment dat ze bij de woning van [slachtoffer] wegreden, de auto bestuurde en dat [slachtoffer] naast hem zat.

- dat verdachte daarna op de Rijksweg A50, richting 's-Hertogenbosch (noordzijde) is geweest en daar langs de weg heeft stilgestaan en de verlichting van de auto heeft uitgezet.

- dat de plek waar hij heeft stilgestaan, de plek nabij de afslag Oss Oost is waar de auto tijdens de reconstructie op 20/21 augustus 2001 stond;

* een proces-verbaal bevindingen (pag. 219 e.v.) waaruit blijkt dat de afstand tussen de woning van het slachtoffer [slachtoffer] aan de [adres slachtoffer] en de afslag Oss-Oost, A50, richting 's-Hertogenbosch, met een personenauto onder normale omstandigheden, in 23 minuten is te overbruggen.

Verdachte heeft in het bijzonder ter terechtzitting en op 3 maart 2001 ten overstaan van de politie feiten en omstandigheden gerelateerd ten betoge dat hij onschuldig is aan het thans bewezenverklaarde. De cruciale punten in zijn relaas zijn dat in verdachtes auto nog twee andere personen hebben gezeten, te weten een Surinamer en een IBO-man, dat hij door een andere auto (Nissan Bluebird) is gevolgd welke bestuurd werd door een derde andere persoon, dat [slachtoffer] en de Surinamer op de Haterdseweg te Nijmegen in de andere auto zijn overgestapt; dat op de A50 de IBO-man is uitgestapt en naar de overkant van de weg is gelopen, dat verdachte daar de andere auto zag staan en dat hij verder niets heeft gezien of gehoord.

De rechtbank hecht geen geloof aan die onderdelen van de verklaring van verdachte. Zij doen geen afbreuk aan het bewijs.

Uit voornoemde bewijsmiddelen (meer bepaald de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 5]) heeft de rechtbank de overtuiging gekregen dat tussen verdachte en het slachtoffer op de avond van diens overlijden onenigheid is geweest en dat verdachte met [slachtoffer] is weggereden in de auto van verdachte. Op grond van de verklaringen van voornoemde getuigen neemt de rechtbank tevens als vaststaand aan dat de auto van verdachte niet is gevolgd door een andere auto en dat bij vertrek uit Nijmegen geen andere personen dan verdachte en het slachtoffer [slachtoffer] in verdachtes auto hebben gezeten. Aldus zijn wezenlijke onderdelen van verdachtes versie van de gebeurtenissen door wettig bewijsmateriaal weerlegd, in het bijzonder de aanwezigheid van de Surinamer, de IBO-man, de Nissan Bluebird en de bestuurder daarvan.

Mede gezien de omstandigheden dat:

·op de avond van het overlijden van het slachtoffer [slachtoffer] is waargenomen dat verdachte en dit slachtoffer ruzie hadden;

·gezien is dat verdachte het slachtoffer [slachtoffer] bij diens broeksriem vasthield en alleen met [slachtoffer] is weggereden, zulks korte tijd voordat het slachtoffer (er is geen enkele reden om aan te nemen dat het iemand anders is geweest) door [getuige 2] en [getuige 3] is gezien aan de zuidzijde van de A50;

·verdachte rond het tijdstip waarop het slachtoffer is overleden met zijn auto aan de noordzijde van de A50 met gedoofde lichten heeft stilgestaan, zulks op korte afstand (hooguit 200 m) van de plaats waar het slachtoffer kort daarop dood is aangetroffen;

·drie hulzen en een patroon zijn aangetroffen in de onmiddellijke nabijheid van de plaats waar de auto van verdachte heeft stilgestaan en, vanuit die auto gezien, in dezelfde richting als die waar het slachtoffer is gevonden;

·in het lichaam van het slachtoffer een kogel is aangetroffen van hetzelfde kaliber als genoemde hulzen;

·maar liefst drie pistoolschoten niet per ongeluk plegen af te gaan;

·het slachtoffer na klaarblijkelijk van achteren te zijn beschoten, nog enige afstand op eigen kracht heeft kunnen overbruggen,

acht de rechtbank bewezen dat het verdachte en niemand anders dan verdachte is geweest die [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door [slachtoffer] opzettelijk met een vuurwapen in de benen en in het lichaam te schieten.

De overtuiging dat de verklaringen waarmee verdachte zich wil ontlasten onjuist zijn wordt versterkt door de omstandigheid dat verdachte op verschillende tijdstippen op wezenlijke onderdelen tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd en dat hij daarmee zelf zijn geloofwaardigheid heeft ondergraven. Met name zijn uitvoerige en gedetailleerde verklaring die hij op 8 maart 2001 tegenover de politie heeft afgelegd wijkt zeer sterk af van hetgeen hij bij andere gelegenheden heeft verklaard.

Hiermee geconfronteerd heeft verdachte aangevoerd dat hij met name zijn verklaring van 8 maart 2001 onder druk van de politie heeft afgelegd.

De rechtbank acht zulks niet aannemelijk, mede gelet op de houding van verdachte tijdens zijn latere verhoren. Uit de stukken blijkt immers dat verdachte zich tijdens latere verhoren bij de politie niet heeft laten intimideren. Zo blijkt hij zich na 8 maart tijdens een “lichting” met kennelijke zelfbeheersing op zijn zwijgrecht te hebben beroepen. Bovendien heeft verdachte geruime tijd later, te weten op 6 juni 2001, nog verklaard dat de verklaring die hij op 8 maart 2001 had afgelegd de waarheid was.

In de bewijsconstructie wordt geen gebruik gemaakt van de verklaring die verdachte op 5 maart 2001 zou hebben afgelegd tegenover de officier van justitie en welke is vastgelegd in een door de officier van justitie opgemaakt proces-verbaal van bevindingen. Daarom behoeft het verweer van de raadsman ten aanzien van deze verklaring geen bespreking.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 27, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID.

De eis van de officier van justitie.

Vrijspraak ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde voorzover het betreft de voorbedachte raad.

Ten aanzien van het resterende feit 1 primair (doodslag) en feit 2 primair:

* 7 jaar gevangenisstraf met aftrek conform artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De op te leggen straf.

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

In verband met een juiste normhandhaving kan niet worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank zal dezelfde straf opleggen als de door de officier van justitie gevorderde straf nu de gevorderde straf in overeenstemming is met de ernst van het bewezenverklaarde, ondanks het feit dat de rechtbank vrijspreekt van het onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde.

De geëiste straf is ten aanzien van het resterende (veruit zwaarste) feit nog steeds ten volle gerechtvaardigd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking de ernstige schending van de rechtsorde bestaande uit het met meerdere schoten van achteren neerschieten van het slachtoffer, zulks op de openbare weg, waar voorbijgangers met de schokkende gevolgen werden geconfronteerd. De verklaring van de melder [getuige 1], die klaarblijkelijk zijn auto niet uit durfde komen om te gaan kijken, illustreert dit. Op grond van de inhoud van de brief van dr. Visser d.d. 15 oktober 2001 in samenhang met de verklaringen van de neven [getuigen 2 en 3], die ongewild een fractie van de minuten moeten hebben gadegeslagen waarin [slachtoffer] aan het doodbloeden was, concludeert de rechtbank dat [slachtoffer] door toedoen van verdachte een gruwelijke en eenzame dood is gestorven.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd voor zover het betreft de voorbedachte raad als bedoeld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht (moord) en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart tevens niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair tenlastegelegde bewezen, zoals hiervoor omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Doodslag

(artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht)

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf:

een gevangenisstraf voor de tijd van zeven jaar

Beveelt, dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door,

mr. Roosmale Nepveu, voorzitter,

mr. De Vries-Leemans en mr. Boerma, leden,

in tegenwoordigheid van mevr. Scholl, griffier

en is uitgesproken op 13 november 2001.

Tenlastelegging:

hij op of omstreeks 21 februari 2001 te Schaijk, gemeente Landerd, althans in de gemeente Landerd en/of de gemeente Oss, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk met een vuurwapen die

[slachtoffer] in de benen en/of in het lichaam geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

[artikel 289 juncto 287 Wetboek van Strafrecht]

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

een of meer onbekend gebleven medeverdachte(n) op of omstreeks 21 februari 2001 te Schaijk, gemeente Landerd, althans in de gemeente Landerd en/of de gemeente Oss, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben die medeverdachte(n) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, met een vuurwapen die [slachtoffer] in de benen en/of in het lichaam geschoten, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen te Nijmegen en/of elders in het arrondissement Arnhem en/of te Schaijk, gemeente Landerd, althans in de gemeente Landerd en/of de gemeente Oss en/of elders in het arrondissement 's-Hertogenbosch opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk

gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft tot het plegen van dat misdrijf, hierin bestaande dat hij, verdachte die [slachtoffer] (onder dwang) heeft meegenomen uit diens woning te Nijmegen en/of vervolgens die [slachtoffer] heeft gedwongen plaats te nemen in zijn, verdachtes, personenauto en/of genoemde medeverdachte(n) en/of die [slachtoffer] heeft vervoerd naar de plaats van het delict en/of een (geladen) vuurwapen ter hand heeft gesteld aan die

onbekend gebleven medeverdachte(n);

(art 289 juncto 287 i.v.m. art. 48 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 februari 2001 te Nijmegen en/of elders in het

arrondissement Arnhem en/of te Schaijk, gemeente Landerd, althans in de gemeente Landerd en/of de gemeente Oss en/of elders in het arrondissement 's-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer] (onder dwang) heeft/hebben meegenomen en/of meegevoerd uit diens woning te Nijmegen en/of (vervolgens) heeft/hebben gedwongen plaats te nemen in zijn, verdachtes, personenauto en/of die [slachtoffer] heeft/hebben belet die personenauto te verlaten, welk feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

(artikel 282 Wetboek van Strafrecht)

meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 1 tot en met 21 februari 2001 in de gemeente Oss en/of elders in het arrondissement 's-Hertogenbosch en/of te Nijmegen en/of elders in het arrondissement Arnhem een of meer wapens van categorie III, te weten een vuurwapen en/of een (alarm)pistool en/of munitie van categorie III, te weten (een) pistoolpatro(o)n(en) kaliber 9 mm Browning kort, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2001 tot en met 21 februari 2001

te Nijmegen, en/of te Boedapest tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een personenauto (merk Mercedes)

en/of de sleutels van die personenauto, in elk geval van enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging

met geweld hierin bestond(en) dat die [slachtoffer] woordelijk en/of fysiek is

bedreigd en/of is mishandeld;

[artikel 317 Wetboek van Strafrecht]

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 1 tot en met 21 februari 2001 te Nijmegen

en/of te Boedapest tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een

personenauto (merk Mercedes), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of diens mededader(s)

zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht

door middel van een valse sleutel;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 1 tot en met 21 februari 2001 te Nijmegen

en/of te Boedapest tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen opzettelijk een personenauto (merk Mercedes), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander

althans alleen opzettelijk een personenauto (merk Mercedes), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of diens mededader(s), welk(e) goed(eren)

verdachte en/of diens mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten als

bruiklener(s), onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben

toegeëigend;