Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2001:AD5221

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-11-2001
Datum publicatie
07-11-2001
Zaaknummer
01/035242/99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

1. Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

artikelen 326 en 47, eerste lid aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

2. Aan een ambtenaar een gift of belofte doen met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen, meermalen gepleegd.

artikel 177, eerste lid aanhef en onder 1 (oud), van het Wetboek van Strafrecht.

en: Aan een ambtenaar een gift of belofte doen naar aanleiding van hetgeen door deze in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan, meermalen gepleegd.

artikel 177, eerste lid aanhef en onder 2 (oud), van het Wetboek van Strafrecht.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/035242/99

Uitspraakdatum: 7 november 2001

V E R K O R T V O N N I S

Verkort vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] in 1946,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 en 26 oktober 2001.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 27 september 2001.

Een afschrift van de dagvaarding is aan dit vonnis gehecht.

De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 24 oktober 2001 gewijzigd. Van deze vordering is eveneens een afschrift aan dit vonnis gehecht.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk is, omdat hij heeft gehandeld in strijd met de beginselen van de goede procesorde. Hij heeft immers in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld door een lichtere zaak, die van verdachte [verdachte], op de zitting van een meervoudige kamer aan te brengen en aan te kondigen eventueel een zwaardere zaak, die van medeverdachte [medeverdachte], in een later stadium op de zitting van een politierechter aan te brengen.

De rechtbank merkt eerst op dat zij niet kan beoordelen of de zaak van medeverdachte [medeverdachte] gezien alle feiten en omstandigheden van die zaak inderdaad als een zwaardere zaak moet worden aangemerkt. Het ontbreekt de rechtbank aan voldoende gegevens daaromtrent.

De rechtbank stelt verder vast dat de strafbare feiten, waarvan [verdachte] wordt verdacht, het aanbrengen op een zitting van de meervoudige kamer zondermeer rechtvaardigen en ook overigens is niet gebleken dat verdachte mocht verwachten dat hij voor een ander forum zou worden gedagvaard. Tenslotte zou de in deze zaak gedane eis ook gedaan (en opgelegd) kunnen worden voor (en door) de politierechter zodat verdachte in zoverre ook niet in enig belang is geschonden.

De officier heeft verder medegedeeld dat hij de zaak van medeverdachte [medeverdachte] niet op de zitting van deze meervoudige kamer heeft aangebracht, omdat er in de zaak [medeverdachte] nog schikkingsonderhandelingen lopen. Van de zijde van de verdediging is niet naar voren gebracht dat dergelijke onderhandelingen ook in de zaak van [verdachte] liepen. Gezien al deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, en dus van de beginselen van een goede procesorde, door de officier van justitie. Het verweer wordt dus verworpen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie voor het overige in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1. op tijdstippen in de periode van juli 1998 tot en met januari 1999 te Son, gemeente Son en Breugel, en/of Bodegraven, tezamen en in vereniging met een ander, telkens met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen de gemeente [naam gemeente] telkens heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, hebbende verdachte en zijn mededader, tezamen en in vereniging, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - telkens opzettelijk listiglijk

- opdrachtbonnen, gericht aan [naam bedrijf], uitgeschreven en ondertekend, wetende dat de op die opdrachtbonnen vermelde werkzaamheden niet zouden worden verricht, en

- aan de hand van bovengenoemde opdrachtbonnen facturen opgesteld en/of laten opstellen en gestuurd en/of laten sturen naar de gemeente [naam gemeente] en

- aan de hand van die aan [naam bedrijf] ter beschikking gestelde opdrachtbonnen, bij de gemeente [naam gemeente] ingediende rekeningen/nota's voor akkoord en ter uitbetaling ondertekend en/of geparafeerd, wetende dat de werkzaamheden waarop die rekeningen/nota's betrekking hadden niet waren en zouden worden verricht, en

- de geparafeerde rekeningen/nota's ter verdere financiële afhandeling en uitbetaling ter beschikking gesteld aan de gemeente [naam gemeente],

waardoor de gemeente [naam gemeente] telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2. op tijdstippen in de periode van 01 januari 1996 tot en met 1 juli 1999 te Son, gemeente Son en Breugel, en/of Wateringen en/of Bodegraven, telkens aan [medeverdachte], die van 01 januari 1996 tot en met 21 oktober 1997 ambtenaar van de gemeente [gemeente 1] en van 22 oktober 1997 tot en met 1 juli 1999 ambtenaar van de gemeente [gemeente 2] was, giften, te weten tankpasjes en beloften, te weten de toezegging dat hij, verdachte, een gedeelte van de koopprijs van een auto voor die [medeverdachte], zou betalen en dat hij, verdachte, bepaalde kosten voor het onderhoud van die auto voor die [medeverdachte], zou betalen, heeft gedaan, met het oogmerk om hem te bewegen in zijn, [medeverdachte], bediening in strijd met zijn plicht iets te doen en/of naar aanleiding van hetgeen door die [medeverdachte], in zijn bediening in strijd met zijn plicht is gedaan, hebbende dat doen telkens bestaan in het als ambtenaar in de functie van hoofd van de afdeling gemeentewerken van de gemeente [gemeente 2]

- valselijk uitschrijven/opmaken en ondertekenen van van de gemeente [gemeente 2] afkomstige opdrachtbonnen, wetende dat de werkzaamheden vermeld op die opdrachtbonnen niet werden verricht en het vervolgens ter beschikking stellen van voornoemde opdrachtbonnen aan [naam bedrijf], bij welk bedrijf hij, verdachte, werkzaam was, wetende dat naar aanleiding van die opdrachtbonnen door dat bedrijf aan de gemeente [gemeente 2] valselijk gefactureerd zou worden, en

- bij het doen van aanbestedingen door de gemeente [gemeente 2], om andere dan zakelijke redenen begunstigen van [naam bedrijf] boven andere bedrijven.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 27, 47, 57, 177(oud) en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 1 voor [gemeente 1]: Vrijspraak.

Ten aanzien van feit 1 voorts en 2:

180 uur werkstraf, subsidiair 90 dagen hechtenis,

180 dagen gevangenisstraf, waarvan 174 dagen voorwaardelijk, proeftijd 2 jaar,

een geldboete van fl. 20.000,--, subsidiair 120 dagen hechtenis.

De op te leggen straffen.

Bij de beslissing over de straffen die aan de verdachte dienen te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder de draagkracht.

De rechtbank laat daarbij ten nadele van verdachte meewegen de hoogte van het bedrag waarvoor de gemeente [gemeente 2] is benadeeld, de lange periode waarbinnen dit heeft plaatsgevonden, alsook de corrumperende werking door het handelen van verdachte veroorzaakt.

De raadsman heeft betoogd dat er een overschrijding van de redelijke termijn van berechting heeft plaatsgevonden, waarmee rekening zou moeten worden gehouden bij de op te leggen straf.

De rechtbank is van oordeel dat voor de beoordeling of er sprake is van een redelijk termijn van berechting als aanvang van die termijn 6 oktober 1999 in aanmerking moet worden genomen. Dat is de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De door de raadsman genoemde datum van 6 juli 1999, zijnde de dag van de huiszoeking bij verdachte, komt daarvoor niet in aanmerking, omdat de huiszoeking heeft plaatsgevonden in het gerechtelijk vooronderzoek naar strafbare feiten gepleegd door medeverdachte [medeverdachte] Aan die huiszoeking kon verdachte dus niet het vermoeden ontlenen dat ook hij van strafbare feiten zou worden verdacht. De zaak is ter terechtzitting op 24 oktober 2001 behandeld. Er heeft dus een overschrijding van de termijn van twee jaar met 18 dagen plaatsgevonden.

De rechtbank acht deze overschrijding echter dusdanig gering dat niet gezegd kan worden dat de redelijke termijn voor berechting in relevante mate is overschreden. Het gaat om een gecompliceerde zaak met meerdere verdachten waarbij de strafbare handelingen, waarvan de betrokkenen worden verdacht, in elkaar grijpen. Bovendien is op verzoek van medeverdachte [medeverdachte] in juni 2000 een gerechtelijk vooronderzoek geopend voor het horen van getuigen, waarvan het resultaat direct van belang kon zijn voor de verdenking van [verdachte], zodat de officier van justitie gerechtvaardigd was ook in de strafzaak tegen [verdachte] op dat resultaat te wachten. De laatste getuige in dat gerechtelijk vooronderzoek is pas op 19 maart 2001 gehoord.

Deze bijzondere omstandigheden rechtvaardigen zonder meer een overschrijding van de termijn van twee jaar met 18 dagen.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich gedurende een hierna vast te stellen proeftijd aan de hierna te formuleren voorwaarde houdt. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

DE UITSPRAAK

Verklaart het onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezen, zoals hiervoor omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

1. Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

artikelen 326 en 47, eerste lid aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

2. Aan een ambtenaar een gift of belofte doen met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen, meermalen gepleegd.

artikel 177, eerste lid aanhef en onder 1 (oud), van het Wetboek van Strafrecht.

en: Aan een ambtenaar een gift of belofte doen naar aanleiding van hetgeen door deze in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan, meermalen gepleegd.

artikel 177, eerste lid aanhef en onder 2 (oud), van het Wetboek van Strafrecht.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen:

* Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 150 uur, te vervangen door 75 dagen hechtenis indien de veroordeelde deze taakstraf niet naar behoren verricht.

* Een gevangenisstraf voor de tijd van 150 dagen.

Beveelt dat een deel van deze gevangenisstraf te weten: 144 dagen niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt bepaald op twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt, dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.

* Een geldboete van fl. 15.000,--, (zegge: vijftienduizend gulden) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 110 dagen.

Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 12 oktober 1999 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Bruggink, voorzitter,

mr. Van Kesteren en mr. Boerma, leden,

in tegenwoordigheid van mw. De Roo, griffier

en is