Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2001:AD5218

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-11-2001
Datum publicatie
07-11-2001
Zaaknummer
01/035228/99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt strafbaar verklaard voor de volgende feiten:

1. Medeplegen van oplichting

2. Medeplegen van valsheid in geschrift

3. Aan een ambtenaar een gift doen met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen,

en: Aan een ambtenaar een gift doen naar aanleiding van hetgeen door deze in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/035228/99

Uitspraakdatum: 7 november 2001

V E R K O R T V O N N I S

Verkort vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] in 1950

wonende te [adres] [nummer]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 en 26 oktober 2001.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 27 september 2001.

Een afschrift van de dagvaarding is aan dit vonnis gehecht.

De tenlastelegging is op vorderingen van de officier van justitie ter terechtzitting van 24 en 26 oktober 2001 gewijzigd. Van deze vorderingen zijn eveneens afschriften aan dit vonnis gehecht.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten nietig behoort te worden verklaard, omdat de tenlastelegging van deze feiten onvoldoende feitelijk is. Hij heeft daartoe aangevoerd dat in feit 1 factuur en/of opdrachtnummers, evenals data en/of omschrijvingen op genoemde documenten ontbreken en dat in feit 3 de genoemde giften en beloften onvoldoende concreet zijn omschreven, zodat verdachte niet weet waartegen hij zich dient te verdedigen.

Hoewel deze wijze van gecomprimeerde tenlastelegging geen schoonheidsprijs verdient, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van nietigheid van de dagvaarding. Gezien tegen de achtergrond van het proces-verbaal is de tenlastelegging voldoende concreet, zodat de verdachte weet waarvan hij wordt verdacht.

De rechtbank acht een periode van 3,5 jaar in feit 1 niet te ruim nu in de tenlastelegging aan de basis van het aan verdachte verweten strafbare feit telkens een concrete handeling ten grondslag ligt, namelijk het opmaken van opdrachtbonnen waarvan verdachte wist dat de werkzaamheden niet (of slechts gedeeltelijk) werden uitgevoerd. Gezien deze gegevens is niet vereist dat ook de nummers van elke valse opdrachtbon en van de daarop gebaseerde facturen in de tenlastelegging worden vermeld.

De rechtbank acht een periode van bijna 4 jaar in feit 3 (na wijziging van de tenlastelegging) niet te ruim, mede omdat de tenlastelegging impliciet de splitsing kent in de ambtsperiode van medeverdachte [medeverdachte] te [gemeente 1] en die te [gemeente 2], welke splitsing ook in de opbouw van het proces-verbaal is terug te vinden. Ook hier is niet vereist dat de giften concreter worden omschreven als "geldbedragen, maaltijden/diners en hotelovernach­tin­gen" en de beloften als "gratis mee mogen naar voetbalwedstrijden", omdat deze omschrijvingen voldoende duidelijk zijn voor de verdachte om te weten waarvan hij wordt verdacht.

Het verweer wordt dus verworpen.

De dagvaarding voldoet ook overigens aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk is, omdat hij heeft gehandeld in strijd met de beginselen van de goede procesorde. Aan de basis van zijn beslissing het door verdachte gedane voorstel tot schikking af te wijzen zou geen (deugdelijke) belangenafweging hebben plaatsgevonden, zodat er sprake is van willekeur.

De rechtbank merkt eerst op dat gezien het bepaalde in artikel 74 Sr met betrekking tot de strafbare feiten die verdachte worden verweten een schikking inderdaad mogelijk is, maar dat dit nog niet meebrengt dat er een transactieplicht voor de officier van justitie bestaat. De beslissing wel of niet akkoord te gaan met een schikkingsvoorstel dient aan het beleid van de officier van justitie overgelaten te worden.

De rechtbank acht het niet elegant dat de officier pas na het uitbrengen van de dagvaarding op 27 september 2001, namelijk per brief van 28 september 2001, op de brief van 17 april 2001 van de raadsman inzake een schikkingsvoorstel heeft geantwoord na kennelijk eerder telefonisch overleg. In die brief niet over verdachte [verdachte] spreken, maar over medeverdachte [medeverdachte], is zonder meer slordig, maar ook niet anders op te vatten dan een verschrijving. De brief was verder wel gericht aan de raadsman van [verdachte] en bevat in de aanhef ook de naam van [verdachte] en het parketnum­mer van diens zaak. Verder wordt in de brief van 28 september 2001 door de officier een motivering gegeven, waarom hij niet op het schikkingsvoorstel wenst in te gaan. Daaruit blijkt al dat er een afweging heeft plaatsgevonden tussen de belangen van verdachte en het algemeen belang welke - marginaal getoetst - de beslissing van de officier van justitie kan dragen. Het is niet vereist dat de officier ook ingaat op alle argumenten die de raadsman van verdachte voor een schikking heeft aangevoerd. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van schending van de beginselen van een goede procesorde door de officier van justitie. Het verweer wordt dus verworpen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie voor het overige in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De bewezenverklaring.

Met betrekking tot de bewezenverklaring van feit 1 wordt als volgt overwogen.

Als verweer is aangevoerd dat verdachte niet de (ambtelijke) kwaliteit (in dit geval: ambtenaar van de gemeente [gemeente 2]) heeft gehad om hetgeen onder feit 1, 3e, 4e en 5e gedachtestreepje, is tenlastegelegd, te kunnen (mede)plegen zodat hij van dat deel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. Krachtens vaste jurisprudentie is echter niet vereist dat alle medeplegers van kwaliteitsdelicten in het bezit zijn van de voor dat delict vereiste kwaliteit. Als een van de plegers deze kwaliteit (wel) bezit, zoals hier medeverdachte [medeverdachte], dan is voor medeplegen van verdachte voldoende dat hij daarvan weet heeft gehad (en dat is niet betwist). In dit geval is enkel een commuun delict tenlastegelegd, maar met eenzelfde redenering kan verdachte het handelen van zijn medeverdachte worden toegerekend.

Ten aanzien van het 2e feit is als verweer gevoerd dat het oogmerk bij verdachte heeft ontbroken de betwiste facturen als vals te gebruiken en dat enkel sprake is van een ongebruikelijke manier van administreren van de door de desbetreffende ondernemingen aan elkaar in rekening gebrachte calculatievergoedingen bij aanbestedingen. Dit verweer faalt eveneens. Met betrekking tot het bepalen van en betalen van calculatievergoedingen over en weer tussen ondernemers onderling is zondermeer duidelijk dat deze vergoedingen in het geheim worden bepaald en betaald, dat de aanbesteders er niet van op de hoogte zijn en dat de vergoedingen prijsverhogend werken. Dit blijkt onder andere uit de getuigeverklaring van [getuige] die verklaart dat de op de desbetreffende facturen genoemde werkzaamheden nooit zijn verricht en dus vals zijn. In het kader van die heimelijkheid dienen de betalingen logischerwijs "onzichtbaar" te worden geadministreerd. Ter zitting is door de verdediging ook toegegeven dat er geen werkelijke reden te verzinnen is waarom, indien (zoals gesteld) transparantie nagestreefd zou worden, niet eenvoudigweg op de facturen die over en weer worden ingediend staat vermeld dat er calculatievergoedingen verschuldigd zijn en op welke aanbesteding deze betrekking hebben. Het oogmerk tot het gebruik van de verhullende, valse, facturen is daarmee voor de rechtbank al gegeven.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1. op tijdstippen in de periode van 1 januari 1996 tot en met 01 juli 1999 te Son, gemeente Son en Breugel en/of Etten-Leur en/of Rhoon, tezamen en in vereniging met een ander, telkens met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen, de gemeente [gemeente 2] telkens heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, hebbende verdachte en zijn mededader, tezamen en in vereniging, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - telkens opzettelijk listiglijk

- opdrachtbonnen, gericht aan bedrijven, te weten [bedrijf 1] en [bedrijf 2] uitgeschreven en ondertekend, wetende dat de op die

opdrachtbonnen vermelde werkzaamheden niet zouden worden verricht, en

- aan de hand van bovengenoemde opdrachtbonnen facturen opgesteld en/of laten opstellen en gestuurd en/of laten sturen naar de gemeente [gemeente 2] en

- aan de hand van die aan hierboven genoemde bedrijven ter beschikking gestelde opdrachtbonnen, bij de gemeente [gemeente 2] ingediende rekeningen/nota's voor akkoord en ter uitbetaling ondertekend en/of geparafeerd, wetende dat de werkzaamheden waarop die rekeningen/nota's betrekking hadden niet waren en zouden worden verricht, en

- voor de gemeente [gemeente 2] bestemde rekeningen/nota's telkens geboekt en/of laten boeken op de post "investeringsbudgetten" van de begroting van de gemeente [gemeente 2], zodat die rekeningen/nota's aan de controle althans de opmerkzaamheid van medewerkers van verdachtes afdeling werden onttrokken, en

- de geparafeerde rekeningen/nota's ter verdere financiële afhandeling en uitbetaling ter beschikking gesteld aan de gemeente [gemeente 2],

waardoor de gemeente [gemeente 2] telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2. op tijdstippen in de periode van 01 maart 1997 tot en met 30 april 1999 in de gemeente Etten-Leur en/of Rhoon en/of Bergen op Zoom en/of Ouddorp, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk een factuur/nota en/of een opdrachtbon, telkens zijnde een geschrift dat bestemd is om tot

bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende hij, verdachte en/of zijn mededaders toen daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid een factuur/nota en/of een opdrachtbon opgesteld en/of laten opstellen wetende dat de op die factuur/nota en/of opdrachtbon vermelde werkzaamheden en/of diensten niet waren en niet zouden worden uitgevoerd, telkens met het oogmerk om voormelde factuur/nota als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken;

3. op tijdstippen in de periode van 01 oktober 1995 tot en met 1 juli 1999 te Son, gemeente Son en Breugel, en/of Wateringen en/of Etten Leur en/of Rhoon, telkens aan [medeverdachte], die van 01 oktober 1995 tot en met 21 oktober 1997 ambtenaar van de gemeente [gemeente 1] en van 22 oktober 1997 tot en met 1 juli 1999 ambtenaar van de gemeente [gemeente 2] was, giften, te weten een geldbedrag en maaltijden/diners en een hotelovernachting, heeft gedaan met het oogmerk om hem te bewegen in zijn, [medeverdachte], bediening in strijd met zijn plicht iets te doen of naar aanleiding van hetgeen door die [medeverdachte], in zijn bediening in strijd met zijn plicht is gedaan,

hebbende dat doen telkens bestaan in het als ambtenaar in de functie van chef van de afdeling Uitvoerende Diensten van de gemeente [gemeente 1] of als ambtenaar in de functie van hoofd van de afdeling gemeentewerken van de gemeente [gemeente 2]

- valselijk uitschrijven/opmaken en ondertekenen van van de gemeente [gemeente 2] afkomstige opdrachtbonnen, wetende dat de werkzaamheden vermeld op die opdrachtbonnen niet werden verricht en het vervolgens ter beschikking stellen van voornoemde opdrachtbonnen aan [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2], bij welk bedrijf hij, verdachte, werkzaam was, wetende dat naar aanleiding van die opdrachtbonnen door dat bedrijf aan de gemeente [gemeente 2] valselijk gefactureerd zou worden, en

- bij het doen van aanbestedingen door de gemeente [gemeente 1], om andere dan zakelijke redenen

begunstigen van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] boven andere bedrijven.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 27, 47, 57, 177 (oud), 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van feiten 1, 2 en 3:

240 uur werkstraf, subsidiair 120 dagen hechtenis,

200 dagen gevangenisstraf, waarvan 177 dagen voorwaardelijk, proeftijd 2 jaar,

een geldboete van fl. 50.000,--, subsidiair 180 dagen hechtenis.

De op te leggen straffen.

Bij de beslissing over de straffen die aan de verdachte dienen te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder de draagkracht.

Ten nadele van verdachte weegt met name de lengte van de periode waarbinnen de feiten zijn gepleegd, de hoogte van de benadelingsbedragen, de corrumperende werking die van het handelen van verdachte is uitgegaan alsook de concurrentievervalsing die het heeft veroorzaakt. Met name ook vanwege het laatste legt de rechtbank een hogere boete op dan gevorderd.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt. Omkoping van een ambtenaar heeft immers een ontwrichtende werking op het maatschappelijk verkeer.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich gedurende een hierna vast te stellen proeftijd aan de hierna te formuleren voorwaarde houdt. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

DE UITSPRAAK

Verklaart het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde bewezen, zoals hiervoor omschre­ven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

1. Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

artikelen 326 en 47, eerste lid aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

2. Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

artikelen 225, eerste lid, en 47, eerste lid aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

3. Aan een ambtenaar een gift doen met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen, meermalen gepleegd.

artikel 177, eerste lid aanhef en onder 1 (oud), van het Wetboek van Strafrecht.

en: Aan een ambtenaar een gift doen naar aanleiding van hetgeen door deze in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan, meermalen gepleegd.

artikel 177, eerste lid aanhef en onder 2 (oud), van het Wetboek van Strafrecht.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen:

* Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis indien de veroordeelde deze taakstraf niet naar behoren verricht.

* Een gevangenisstraf voor de tijd van 200 dagen.

Beveelt dat een deel van deze gevangenisstraf te weten: 177 dagen niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt bepaald op twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt, dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.

* Een geldboete van fl. 100.000,--, (zegge: eenhonderdduizend gulden) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 360 dagen.

Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 14 oktober 1999 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Bruggink, voorzitter,

mr. Van Kesteren en mr. Boerma, leden,

in tegenwoordigheid van mw. De Roo, griffier

en is uitgesproken op 7 november 2001.