Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2001:AD4491

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-05-2001
Datum publicatie
29-11-2001
Zaaknummer
AWB 01/854 VV, AWB 01/998 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer 8.19
Wet milieubeheer 8.19
Wet milieubeheer 8.19
Wet milieubeheer 8.19
Wet milieubeheer 8.19
Wet milieubeheer 20.3
Woningwet 52
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

UITSPRAAK

AWB 01/854 VV

AWB 01/998 VV

Uitspraak van de president op het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het geschil tussen:

1. A en B, wonende te C,

gemachtigde mr. C.G.J. Termaat, advocaat te Eindhoven,

2. De Vereniging Milieu-Offensief te Wageningen en de Stichting Bont voor Dieren te Leeuwarden,

gemachtigde V. van der Graaf,

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laarbeek, verweerder.

Partij ingevolge 8:26 van de Awb: D, wonende E,

gemachtigde mr. G.R.A.G. Goorts, advocaat te Deurne.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 16 augustus 2000, nr. 200/0258, heeft verweerder aan D, wonende te E, (hierna: vergunninghouder) vergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfsruimte/nertsenfarm op het perceel kadastraal bekend gemeente C, sectie [...…], nr. [...…], plaatselijk bekend [...…] 5 te C, gemeente Laarbeek.

Tegen dit besluit hebben verzoekers sub 1 bij brief van 26 september 2000 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 1 november 2000, nr. 2000/0442, heeft verweerder op een daartoe strekkende aanvraag van de vergunninghouder een gewijzigde bouwvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfsruimte/nertsenfarm op voornoemd perceel aan de [...…] 5 te C.

Tegen dit besluit hebben verzoekers sub 1 bij brief van 15 november bezwaar gemaakt bij verweerder.

Verzoekers sub 2 hebben tegen hetzelfde besluit bij brief van 13 december 2000 bezwaar gemaakt.

Op 14 december 2000 heeft de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van verweerders gemeente geadviseerd de bezwaren van verzoekers sub 1 gegrond te verklaren en de bezwaren van verzoekers sub 2 deels gegrond en deels ongegrond te verklaren.

Bij besluit van 9 maart 2001 heeft verweerder de bezwaren van verzoekers ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben verzoekers sub 1 op 6 april 2001 beroep ingesteld bij de rechtbank terwijl verzoekers sub 2 tegen dit besluit op 23 april 2001 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verzoekers sub 1 hebben de president van de rechtbank op 6 april 2001 verzocht terzake een voorlopige voorziening te treffen terwijl verzoekers sub 2 op 23 april 2001 eenzelfde verzoek hebben gedaan.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 10 mei 2001, waar A is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. C.G.J. Termaat, advocaat te Eindhoven.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door J.W.A. van der Heijden, mr. B.J. Kruse en J.M.T.M. Sprengers.

Tevens is verschenen vergunninghouder, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. G.R.A.G. Goorts, advocaat te Deurne.

II. OVERWEGINGEN.

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium met zich brengt dat een beoordeling van het geschil in de bodemprocedure wordt gegeven, heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

In geding is het besluit van 9 maart 2001, strekkende tot handhaving van het besluit van 1 november 2000, nr. 2000/0442, waarbij verweerder een (gewijzigde) bouwvergunning heeft verleend voor het bouwen van een bedrijfsruimte/nertsenfarm op het perceel […] 5 te C. Daarbij gaat de president ervan uit dat van de op 16 augustus 2000 verleende bouwvergunning geen gebruik zal worden gemaakt, zodat deze, zo zij al niet moet worden beschouwd als op verzoek van vergunninghouder te zijn ingetrokken bij het besluit van 1 november 2000, geen onderwerp vormt van de onderhavige verzoeken om voorlopige voorziening.

Verzoekers betwisten dat het bouwplan voldoet aan de in het bouwbesluit gestelde eisen omtrent onder meer brandveiligheid en aan redelijke eisen van welstand. Voorts voldoet naar hun mening de aanvraag niet aan de daaraan in de bouwverordening gestelde eisen. Tenslotte stellen zij zich op het standpunt dat, indien er geen grond zou zijn de gevraagde vergunning te weigeren, de beslissing op de vergunningaanvraag, gelet op artikel 52 van de Woningwet, had moeten worden aangehouden.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen grond bestond de vergunning te weigeren dan wel de beslissing daaromtrent aan te houden.

De president laat in het midden of zich een der door verzoekers gestelde gronden voordoet om de bouwvergunning te weigeren dan wel of de bouwaanvraag voldoet aan de daaraan in de bouwverordening gestelde eisen. Daartoe wordt overwogen dat er dezerzijds in ieder geval twijfel over bestaat of de beslissing op de bouwaanvraag, ook indien wordt aangenomen dat er geen grond bestaat de bouwvergunning te weigeren, niet ingevolge artikel 52 van de Woningwet had moeten worden aangehouden. Daarbij heeft de president het volgende in aanmerking genomen.

Doorslaggevend op dit punt is het antwoord op de vraag of het bouwen in casu tevens is aan te merken als het oprichten of veranderen van een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist.

Verweerder heeft dienaangaande betoogd dat ten behoeve van de inrichting, in de oprichting waarvan het bouwplan voorziet, op 8 september 2000 een vergunning als evenbedoeld is verleend, welke vergunning inmiddels in werking is getreden. Weliswaar had deze milieuvergunning betrekking op de inrichting zoals deze krachtens de op 16 augustus 2000 verleende bouwvergunning zou worden opgericht, doch de daarin bij het op 1 november 2000 vergunde bouwplan aangebrachte wijzigingen zijn naar verweerders mening van dien aard dat ter zake volstaan kan worden met een melding als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals dit luidt sedert 1 oktober 2000.

Ingevolge dit artikellid geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder voorwaarde dat:

a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en

c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.

Ingevolge het vierde lid van artikel 8.19 wordt een besluit inzake een verklaring als bedoeld in het tweede lid, onder c, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes weken na ontvangst van de melding, bekendgemaakt.

De wijziging van het in geding zijnde bouwplan ten opzichte van het bouwplan waarvoor bij besluit van 16 augustus 2000 bouwvergunning was verleend bestaat - onder meer - uit de plaatsing van twee extra (loop)deuren van drie bij drie meter in de op te richten stallen. De president volgt verzoekers in zoverre in hun betoog, dat er naar zijn oordeel minstgenomen ernstige twijfel over kan bestaan of deze veranderingen in de inrichting zodanig beperkt is dat die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de op 8 september 1999 verleende milieuvergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken. In dit verband overweegt de president dat tussen partijen niet in geschil is dat door mechanische ventilatie in de inrichting overdruk ontstaat. Onder deze omstandigheden acht de president het met verzoekers niet uitgesloten dat bij het openen van de onderhavige deuren ter plaatse een uitstoot van milieubelastende gassen optreedt, die gelet op de omvang van de deuren, tot gevolg heeft dat sprake is van een verplaatsing van het emissiepunt van waaruit de milieubelasting dient te worden berekend, naar een plaats die dichter bij hindergevoelige objecten is gelegen dan het emissiepunt waarvan bij de verlening van de milieuvergunning is uitgegaan. De stelling van de zijde van verweerders en vergunninghouder, inhoudend dat de deuren slechts incidenteel gebruikt zullen worden, acht de president vooralsnog te weinig overtuigend om er zonder meer van uit te gaan dat van een verplaatsing van het emissiepunt als vorenbedoeld geen sprake zal zijn.

Het vorenstaande leidt de president tot het oordeel dat allerminst zeker is dat voor het realiseren van de in onderhavige bouwplan voorziene loopdeuren geen vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist maar kan worden volstaan met een melding als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van die wet.

Echter, ook indien zou moeten worden aangenomen dat wel met een zodanige melding zou kunnen worden volstaan, staat naar het oordeel van president niet vast dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen sprake was van een verplichting krachtens artikel 52 van de Woningwet tot aanhouding van de beslissing omtrent de bouwaanvraag. Uit artikel 8.19, tweede lid, aanhef en onder b en c, en het vierde lid, bezien in verband met artikel 20.3, van de Wet milieubeheer kan immers worden afgeleid dat een melding eerst dan tot gevolg heeft dat voor de betrokken wijziging van de inrichting geen vergunning behoeft te worden verleend, indien de melding van die wijziging blijkens een daartoe strekkende, als besluit geldende verklaring is "geaccepteerd" en dat acceptatiebesluit ook daadwerkelijk in werking is getreden. Hiervan uitgaande, kan worden geconcludeerd dat, nu ten tijde van het nemen van het bestreden besluit door verweerder nog niet was gereageerd op een door vergunninghouder gedane melding, op dat moment nog immer sprake was van het bestaan van een vergunningplicht als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer en, bijgevolg, van een aanhoudingsplicht op grond van artikel 52 van de Woningwet. De president overweegt in dit verband nog dat daaraan naar zijn voorlopig oordeel niet af kan doen de omstandigheid dat voor de onderhavige wijziging van de inrichting door vergunninghouder reeds eerder, te weten op 27 oktober 2000, een melding als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer, is gedaan, welke melding bij besluit van 22 november 2000 door verweerder is geaccepteerd. Bij besluit van gelijke datum als het thans bestreden besluit is dat acceptatiebesluit immers naar aanleiding van de daartegen door verzoekers ingediende bezwaarschriften - zij het niet op alle daarin genoemde gronden - herroepen. De president ziet vooralsnog geen grond om aan te nemen dat die herroeping niet tot gevolg heeft dat op dat moment wederom een aanhoudingsplicht als vorenbedoeld is ontstaan.

Reeds op grond van bovenstaande overwegingen bestaat er aanleiding het bestreden besluit en de daarbij gehandhaafde bouwvergunning te schorsen.

De president acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door verzoekers sub 1 gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op fl. 1420,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt fl. 710,--, wegingsfactor 1).

Tevens wordt met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb bepaald dat verweerder aan verzoekers sub 1 en sub 2 het betaalde griffierecht zal vergoeden.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De president,

- wijst de verzoeken toe;

- schorst het bestreden besluit van 9 maart 2001 en het besluit van 1 november 2000, nr. 2000/0442;

- gelast verweerders gemeente aan verzoekers sub 1 het door hen gestorte griffierecht ter hoogte van f. 225,-- te vergoeden;

- gelast verweerders gemeente aan verzoekers sub 2 het door hen gestorte griffierecht ter hoogte van f. 450,-- te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekers sub 1 gemaakte proceskosten, begroot op f. 1.420,--, te voldoen door verweerders gemeente.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield als president in tegenwoordigheid van mr. H.J. van der Meiden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2001.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: